← België

PROCUREUR DES KONINGS HALLE-VILVOORDE contra R.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 07 november 2023

Art. 203

, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: GRIFFIE. GRIFFIER Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 203

, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 203

, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de conclusie P.23.1221.N Advocaat-generaal Bart DE SMET heeft in hoofdzaak gezegd: “De persoonlijke verschijning ter griffie als vormvereiste voor het instellen van hoger beroep in strafzaken”.

  1. Eiser komt op tegen de beslissing van niet-ontvankelijkheid van zijn hoger beroep, omdat het rechtsmiddel ‘niet correct naar de vorm is ingesteld’. Voorwerp van discussie is een akte van hoger beroep opgesteld door de griffier van de politierechtbank (te Vilvoorde), digitaal ondertekend (wegens thuiswerk), waarin is gesteld dat de procureur des Konings “schriftelijk verschijnt” en de akte digitaal heeft ondertekend. Het vonnis vermeldt dat de procureur ter zitting aangaf dat het hoger beroep onontvankelijk moet worden verklaard (al. 5). De correctionele rechtbank stelt dat de verklaring ter griffie een persoonlijke verschijning van de eiser veronderstelt, bij gebrek aan een wettelijke basis voor een verklaring van hoger beroep die per e-mail wordt overgemaakt, met digitale handtekening.
  2. Uit artikel 203, § 1, Wetboek van Strafvordering volgt dat het hoger beroep een verklaring van hoger beroep vereist die is gedaan ter griffie van de rechtbank die het vonnis heeft gewezen binnen de termijn van 30 dagen, op straffe van verval

(1). Bovendien wordt die verklaring alleen geldig afgelegd tijdens de openingsuren van de griffie, gelet op de artikelen 52 Gerechtelijk Wetboek en 644 Wetboek van Strafvordering
(2). 3. Van de verklaring van hoger beroep stelt de griffier een authentieke akte op, ter bevestiging van waarin wordt bevestigd dat de persoon die is verschenen op de datum en plaats vermeld in die akte hoger beroep heeft ingesteld tegen een specifieke beslissing. De akte wordt door de griffier ondertekend, samen met de partij die het hoger beroep instelt
(3). Mij komt voor dat een partij alleen een ontvankelijk hoger beroep kan instellen als zij persoonlijk de verklaring van hoger beroep aflegt tegenover de griffier tijdens de openingsuren van de griffie, zoals het bestreden vonnis aangeeft (al. 6). 4. Een verklaring van hoger beroep per brief of per telefoon of e-mail laat de griffier niet toe met zekerheid in zijn authentieke akte te stellen welke persoon namens welke partij een verklaring van hoger beroep heeft afgelegd. De vereiste van persoonlijke verschijning ter griffie lijkt mij ingegeven door een wettig doel en houdt geen excessief formalisme in, dat het recht op toegang tot de appelrechter in zijn kern zou aantasten
(4).
  1. De actuele wettekst (art. 203, § 1 Sv.) laat ook voor het openbaar ministerie geen verklaring van hoger beroep toe zonder persoonlijke verschijning ter griffie. Het komt alleen aan de wetgever toe om zo nodig de vormvereiste te versoepelen, door een verklaring in digitale vorm gelijk te stellen met die verschijning ter griffie, voor elke partij.
  2. De redenen die eiser aanhaalt lijken mij niet overtuigend om het hoger beroep op basis van een e-mail toe te laten, namelijk 1° de eerdere beslissingen van de correctionele rechtbank te Brussel die het hoger beroep zonder persoonlijke verschijning wel ontvankelijk hebben verklaard
(5); 2° de praktische moeilijkheden voor magistraten (gevestigd te Asse) om zich aan te bieden ter griffie van de politierechtbanken van Halle en Vilvoorde en 3° de praktijk van hoger beroep per e-mail die ook openstaat voor advocaten van partijen. Het bestreden vonnis lijkt mij (over de vereiste van persoonlijke verschijning van de eiser in hoger beroep) naar recht verantwoord
(6), zodat het eerste middel over artikel 203 Wetboek van Strafvordering niet worden aangenomen. 7. Voor het overige kunnen de middelen niet tot cassatie leiden omdat ze gericht zijn tegen overtollige redenen van het vonnis, zoals de motivering over het grievenformulier dat geen enkele grief bevat (blz. 6)
(7), het gegeven dat de digitale verklaring niet noodzakelijk was omdat de termijn van 30 dagen nog niet verstreken was (blz. 6) en het standpunt dat de persoonlijke verschijning is voorgeschreven “op straffe van nietigheid” (blz. 5), in plaats van op straffe van niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep
(8). 8. Voor zover eiser “vermoedt dat de correctionele rechtbank zich heeft gesteund op een arrest van het hof van beroep van Brussel van 24 juni 1970” (over een hoger beroep op basis van een telefonisch bericht van het openbaar ministerie en een akte ondertekend zonder aanwezigheid van de griffier)
(9), berust het middel op een loutere hypothese, en is het niet-ontvankelijk. Ik heb geen ambtshalve middelen aan te voeren en concludeer tot verwerping. _________________________________
(1)De termijn loopt voor eiser vanaf de dag na de uitspraak, op tegenspraak gewezen (art. 203, § 1 Sv.).
(2)Cass. 21 maart 2017, AR P.15.0131.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170321.1, AC 2017, nr. 195, RABG 1071 noot V. VEREECKE “Hoger beroep kan alleen tijdens de openingsuren van de griffie”; Cass. 26 oktober 1983, A.R. nr. 2923, AC 1983-84, nr. 116; Cass. 27 juni 1974, RW 1974-75, 809, noot A. VANDEPLAS; Antwerpen 13 november 1981, RW 1982-83, 1946 noot A. VANDEPLAS; Ph. TRAEST en J. MEESE, “Hoger beroep en verzet in strafzaken: een stand van zaken en toekomstperspectieven”, in XXXIIe Postuniversitaire cyclus Willy Delva. Strafrecht en strafprocesrecht, Kluwer 2006, 502; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, 2012, 1215-1217; D. DE WOLF, Handboek correctioneel procesrecht, Intersentia 2013, 184; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, nr. 3412; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, 2021, 1704.
(3)C. VAN DEN WYNGAERT, Ph. TRAEST en S. VANDROMME, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Maklu 2017, 1378. De afwezigheid van een handtekening van de partij die hoger beroep instelt maakt het hoger beroep evenwel niet nietig (R. VERSTRAETEN, oc 1217, met verwijzing naar Bergen 4 juni 1987, JLMB 1987, 178 en Brussel 26 april 1988, RDPC 1988, 971).
(4)Zie in die verband M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, 2021, 1704, met verwijzing naar Cass. 25 november 1997, AR P.95.1350.N ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971125.5, AC 1997, nr. 500 en Bergen 15 november 2006, Réf 802, niet gepubl.; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, 2012, 1215-1217 en de daar geciteerde rechtspraak. Over het excessief formalisme van voorwaarden tot het instellen van hoger beroep, zie EHRM 26 juli 2007, Walchili t/Frankrijk, § 29; EHRM 13 januari 2011, Evaggelou t/Griekenland en EHRM 2 februari 2023, Rocchia t. Frankrijk, www.echr.coe.int.
(5)Eiser stelt dat de correctionele zaken in de laatste 60 zaken van een hoger beroep ingesteld door een schriftelijke verklaring er 38 ontvankelijk zijn verklaard, 3 niet-ontvankelijk en dat er 19 zaken nog niet zijn behandeld.
(6)De correctionele rechtbank stelde o.a. dat 1° een “verklaring op de griffie” in de zin van art. 203, § 1 Sv. een strikte interpretatie vereist en niet kan worden begrepen als “een bericht aan de griffier” (al. 7), zoals een e-mail gericht aan de griffie en 2° de verklaring ter griffie een persoonlijke verschijning veronderstelt (al.7).
(7)Het grievenformulier, eveneens per mail overgemaakt en met digitale handtekening van de procureur, bevat als aangekruiste grief ‘straf/maatregel”, met toelichting, bedoeld om een alcoholslot te bekomen.
(8)R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, nr. 3412: “De door de wet bepaalde vormen en termijnen om hoger beroep in te stellen zijn op straffe van niet-ontvankelijkheid voorgeschreven”.
(9)Brussel 24 juni 1970, RW 1970-71, 1419 noot A. VANDEPLAS. In deze zaak werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard van een parketmagistraat die telefonisch aan de griffier liet weten hoger beroep in te stellen, waarna een bediende van de griffie de akte van hoger beroep bracht, en die akte in het bureau van de parketmagistraat werd ondertekend, zonder aanwezigheid van de griffier. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231107.2N.8 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231107.2N.8 citeert: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971125.5 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170321.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.