id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 09 november 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231109.1N.1 Rolnummer: F.22.0155.N Zaak: ORANGE BELGIUM nv contra GEMEENTE MAASMECHELEN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Belastingrecht Invoerdatum: 2024-02-19 Raadplegingen: 712 - laatst gezien 2026-06-17 12:08 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231109.1N.1 Fiches 1 - 2 De Vlaamse decreetgever verplicht de lokale overheid om, als een belastingverordening of -reglement in een aangifteverplichting voorziet, door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering, te dezen de gemeenteraad, een redelijke termijn, minstens een redelijke minimumtermijn te doen vaststellen waarbinnen de belastingplichtige aan de aangifteverplichting kan voldoen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: GEMEENTE Wettelijke bepalingen: Decr. Vl. 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen - 30-05-2008 - Art. 7, § 1 - 34 ELI link Pub nr 2008202393 Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - GEMEENTEBELASTINGEN Wettelijke bepalingen: Decr. Vl. 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen - 30-05-2008 - Art. 7, § 1 - 34 ELI link Pub nr 2008202393 Fiche 3 Een aangifteverplichting zonder uiterlijke aangiftetermijn is onwerkzaam, aangezien de belasting dan mogelijk niet kan worden geheven
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - GEMEENTEBELASTINGEN Fiche 4 De gemeente kan geen aanslag vestigen op grond van een aangifteformulier dat haar ter uitvoering van een onwettige aangifteverplichting is bezorgd
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - GEMEENTEBELASTINGEN Tekst van de conclusie F.22.0155.N Conclusie van advocaat-generaal Ravyse: Situering Het geschil heeft betrekking op de toepassing van een belastingreglement van de verweerster op masten en pylonen en andere draagconstructies, meer bepaald (nog) op één geschilpunt, namelijk de al dan niet afsplitsbaarheid van een onwettigheid van het belastingreglement. In het bestreden arrest van 7 juni 2022 oordeelt het hof van beroep te Antwerpen dat een vastgestelde onwettigheid in het belastingreglement, namelijk de delegatie in het reglement aan het bestuur van een aangiftetermijn, niet het gehele belastingreglement aantast, maar ertoe leidt dat de mogelijkheid - die niet als een verplichting is voorgeschreven - tot het vestigen van een ambtshalve aanslag wegvalt
(1). De eiseres voert tegen die beslissing één middel tot cassatie aan. Met betrekking tot de aangevoerde gronden van niet ontvankelijkheid. De verweerster voert twee gronden van niet-ontvankelijkheid aan. Aangezien geen aanslag van ambtswege werd gevestigd en derhalve niet artikel 7, § 1, maar wel artikel 4, § 4, van het Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, toepasselijk is, zou de eiseres geen belang hebben bij het middel, aangezien zij door de vermeende onwettigheid niet wordt benadeeld. Het antwoord op die vraag behoeft mijn inziens een onderzoek van het middel ten gronde, namelijk de rechtsvraag of de onwettigheid van het belastingreglement met het voormelde artikel 7, § 1, al dan niet het gehele belastingreglement aantast. Om die reden dient te worden aangenomen dat de eiseres wel belang heeft bij het eventueel buiten toepassing verklaren van het gehele belastingreglement waardoor de aanslag geen rechtsgrond meer zou hebben. De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen. Anders dan waar de tweede grond van niet-ontvankelijkheid van uitgaat, volgt de verplichting van de verweerster om in haar belastingreglement te bepalen binnen welke termijn de aangifte moet gebeuren, niet uit artikel 4, § 4, maar wel uit artikel 7, § 1, van het Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen. De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen. Bespreking ten gronde. Artikel 7 van het Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen bepaalt: " § 1 Als de belastingverordening voorziet in de verplichting van aangifte kan de belasting ambtshalve gevestigd worden bij gebrek aan aangifte binnen de in de verordening gestelde termijn, of in geval van onjuiste, onvolledige of onnauwkeurige aangifte vanwege de belastingplichtige.” (eigen onderlijningen) Artikel 7 van het belastingreglement van de verweerster luidt als volgt: "De belastingplichtige ontvangt vanwege het gemeentebestuur een aangifteformulier dat door hem, behoorlijk ingevuld en ondertekend, vóór de erin vermelde vervaldatum moet worden teruggestuurd. De belastingplichtige die geen aangifteformulier heeft ontvangen, is gehouden, uiterlijk op 15 januari van het jaar dat volgt op het aanslagjaar, aan het gemeentebestuur de voor de aanslag noodzakelijke gegevens ter beschikking te stellen". (eigen onderlijningen) Artikel 8 van het belastingreglement bepaalt dat, bij gebrek aan aangifte binnen de in artikel 7 gestelde termijn, of in geval van onjuiste, onvolledige of onnauwkeurige aangifte vanwege de belastingplichtige, de belastingplichtige ambtshalve kan worden belast conform artikel 7 van het decreet van 30 mei 2008. Uit dit artikel 7 van het belastingreglement volgt dat een aangifteverplichting geldt. Overeenkomstig artikel 7 van het voormelde decreet van 30 mei 2008 moet in dat geval het belastingreglement zelf voorzien in een aangiftetermijn. Daaruit volgt dat het betrokken belastingreglement artikel 7, § 1 van het decreet van 30 mei 2008 schendt, namelijk omdat het belastingreglement niet zelf de aangiftetermijn bepaalt maar daarvoor verwijst naar het aangifteformulier. De vraag stelt zich naar de gevolgen van deze schending. In zijn arrest van 13 april 2021 oordeelde de Raad van State daarover als volgt (vrije vertaling)
(2): “Indien de onwettigheid of onwettigheden worden vastgesteld naar aanleiding van een onderzoek van de middelen, enkel slaan op een deel van het bestreden besluit, dient te worden bepaald of de betrokken bepalingen onlosmakelijk zijn van de andere bepalingen van dat besluit. Indien dit niet zo is, leidt een gedeeltelijke vernietiging tot een hervorming waarvoor de Raad van State niet is bevoegd. In een dergelijke hypothese, dient de vernietiging zich uit te strekken tot het geheel van de bepalingen, op voorwaarde dat al deze bepalingen voorwerp uitmaken van de voorziening, bij gebreke waarvan de Raad van State ultra petita (buiten het gevraagde) oordeelt. Vermits de belasting, voorzien in het bestreden besluit in principe opeisbaar is ingevolge een aangifte, zou de vernietiging, beperkt tot de artikelen 7 en 9 in de rechtsorde enkel een belasting laten bestaan, ontdaan van haar vestigingsmodaliteiten, en dus niet toepasbaar, vermits de aangifteverplichting en de mogelijkheid tot het vestigen van een ambtshalve aanslag zouden zijn verdwenen. Daar vloeit uit voort dat deze bepalingen niet afsplitsbaar zijn en dat de nietigverklaring zich moet uitstrekken tot het geheel van het bestreden reglement, zoals gevorderd door de eisende partijen”. Daaruit volgt dat een onwettige bepaling slechts leidt tot het buiten toepassing laten van het gehele belastingreglement indien de onwettige bepaling onlosmakelijk (verbonden) is met het belastingreglement of het belastingreglement zonder de onwettigheid onbestaanbaar of onwerkzaam is of indien de rechter (zelf) een (eigen) rechtsregel in de plaats moet stellen om het belastingreglement te kunnen toepassen. Mijns inziens maakt de onwettige bepaling het belastingreglement niet onwerkzaam. De appelrechter maakt mijns inziens de juiste juridische analyse dat “de onwettigheid van artikel 7, eerste lid van het belastingreglement niet de onwettigheid van het gehele belastingreglement tot gevolg heeft. De niet toepasbaarheid van artikel 7, eerste lid heeft enkel tot gevolg dat artikel 8 van het reglement gebeurlijk niet zou kunnen worden toegepast. Met andere woorden zou geen aanslag van ambtswege kunnen worden gevestigd, indien de aangifte niet werd ingediend binnen de door het gemeentebestuur bepaalde termijn”. In de redenering van de appelrechter heeft de onwettigheid tot gevolg dat de in het aangifteformulier vermelde aangiftetermijn geen rechtsgevolgen heeft, in die zin dat de belastingplichtige door deze termijn niet kan worden benadeeld. Er kan geen aanslag van ambtswege worden opgelegd indien de aangiftetermijn niet wordt gerespecteerd. De appelrechter beperkt daarmee de gevolgen van de onwettigheid tot redelijke proporties en stelt vast dat het belastingreglement zonder de onwettigheid werkzaam blijft. Het buiten toepassing verklaren van de onwettige bepaling leidt niet tot het buiten toepassing laten van het gehele belastingreglement. Met deze redenen verantwoordt de appelrechter de beslissing dat de onwettige bepaling niet onlosmakelijk is verbonden met de overige bepalingen van het belastingreglement. Dat in die interpretatie van de appelrechter door de onwettigheid de ambtshalve aanslag niet meer kan worden toegepast, maakt het belastingreglement evenmin onwerkzaam omdat geen verplichting bestaat tot het vestigen van een aanslag van ambtswege. Daarover verschilt het (Vlaamse) artikel 7, § 1, van het decreet van 30 mei 2008 van het gelijkaardige maar niet identieke (Waalse) artikel L3321-6 CDLD
(3), dat aanleiding gaf tot het voormelde arrest van de Raad van State van 13 april 2021. Indien volgens de Waalse regeling de belasting van ambtswege moet worden gevestigd maar de bepalingen daartoe ingevolge de onwettigheid zijn verdwenen, wordt het belastingreglement inderdaad onwerkzaam. Dat is niet het geval in de Vlaamse regeling, evenmin in het hier toepasselijk belastingreglement, die beide uitdrukkelijk voorzien dat de belasting van ambtswege kan worden gevestigd
(4). De appelrechter stelt vast dat de procedure van de ambtshalve aanslag niet werd toegepast. Het belastingreglement is evenmin onwerkzaam in de interpretatie dat de onwettige bepaling (dat het aangifteformulier de aangiftetermijn bepaalt) uit de rechtsorde verdwijnt. Daaruit volgt dat geen regelmatige aangifte werd ontvangen, waardoor artikel 7, tweede lid, van het belastingreglement toepasselijk is. Door het (ingevulde) aangifteformulier aldus buiten beschouwing te laten, is artikel 7, tweede lid toepasselijk dat (wel) een (redelijke) aangiftetermijn voorziet. Anders dan waar het middel van uitgaat, voorziet het belastingreglement in een uiterlijke aangiftetermijn. Ook in die interpretatie is het belastingreglement toepasbaar en werkzaam, zonder dat de rechter een eigen rechtsregel in de plaats moet stellen. Er is nog een interpretatie mogelijk die het belastingreglement werkzaam en toepasbaar maakt ondanks de onwettigheid van het bepalen van de aangiftetermijn in het aangifteformulier (art. 7, eerste lid). Zoals door de appelrechter vastgesteld, bepaalt dat artikel 8 van het belastingreglement dat bij gebrek aan aangifte binnen de in artikel 7 gestelde termijn, of in geval van onjuiste, onvolledige of onnauwkeurige aangifte vanwege de belastingplichtige, de belastingplichtige ambtshalve kan worden belast conform artikel 7 van het decreet van 30 mei 2008. Artikel 8 voorziet niet uitdrukkelijk in enerzijds de in artikel 7, eerste lid bepaalde termijn en anderzijds de in artikel 7, tweede lid, bepaalde termijn. Na de onwettigheid bestaat er aldus nog een uiterlijke aangiftetermijn binnen de in artikel 7 gestelde termijn, namelijk “uiterlijk op 15 januari van het jaar dat volgt op het aanslagjaar”. Indien de onwettigheid van (de aangiftetermijn in) het aangifteformulier ertoe leidt dat geen wettig aangifteformulier is ontvangen maar toch, in het voordeel van de belastingplichtige, rekening mag worden gehouden met die gegevens door de belastingplichtige aangegeven/meegedeeld uiterlijk op 15 januari van het jaar dat volgt op het aanslagjaar, is artikel 7, tweede lid, van het belastingreglement toepasselijk en kan het bestuur de juist verschuldigde belasting vestigen, opnieuw zonder dat daarbij de verplichting bestaat om de procedure van de ambtshalve aanslag toe te passen. Besluit: verwerping. __________________________________
(1)B. ENGELEN, “Is de invordering onwettig als de aangiftetermijn, ingeval de belastinplichtige een aangifteformulier heeft ontvangen, ontbreekt in het belastingreglement?”, T.Gem. 2022, 219-224.
(2)RvS (15e k.) 13 april 2021, nr. 250.321, LRB 2021, afl. 3-4, 61, Rev.dr.commun. 2021, afl. 3, 56 en RFRL 2021, afl. 2, 193.
(3)Code de la démocratie locale et de la décentralisation.
(4)Bij arrest van 11 maart 2010 oordeelde het Hof in verenigde kamer ten aanzien van de oude regeling van de wet van 24 december 1996 dat de ambtshalve aanslag facultatief is. Cass. 11 maart 2010, (verenigde kamers) AR F.09.0069.N ECLI:BE:CASS:2010:AVIS.20100311.9, AC 2010, nr. 176, afl. 3, 735, met concl. van advocaat-generaal THIJS, ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100311.
- Daarover laat het Vlaamse decreet van 30 mei 2008 geen twijfel meer door in artikel 7 duidelijk het woord “kan” te gebruiken. De Vlaamse wetgever stelde in de voorbereidende werken uitdrukkelijk dat het gaat om een mogelijkheid om een ambtshalve aanslag te vestigen, geen verplichting: “de bevoegde overheid oordeelt, naargelang de noodwendigheden van het geval, of ze van die mogelijkheid gebruik maakt.”, Stuk 1585 (2007-2008) – Nr. 1, p. 6, https://docs.vlaamsparlement.be/pfile?id=
- PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231109.1N.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231109.1N.1 citeert: ECLI:BE:CASS:2010:AVIS.20100311.9 ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100311.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div