id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 09 november 2023
Art. 1
Besluit van de Vlaamse Regering 18 januari 2008 betreffende de aantekeningen in het register voor de bekendmaking van de reglementen en verordeningen van de
Art. 2
Besluit van de Vlaamse Regering 18 januari 2008 betreffende de aantekeningen in het register voor de bekendmaking van de reglementen en verordeningen van de
Art. 3Tekst van de conclusie F.21.0071.N Conclusie van advocaat-generaal S.
Ravyse: Inhoud 1 Situering en relevante feiten 1 2 De doelstelling van de aantekening van de bekendmaking 2 3 Arresten van het Hof over de bekendmaking van gemeentelijke reglementen 3 4 Bespreking van de middelen 9 4.1 Eerste middel: de bekendmaking van het belastingreglement 9 4.1.1 Het middel in zijn geheel 9 4.1.2 Eerste onderdeel 9 4.1.3 Tweede onderdeel 10 4.2 Tweede middel: het gelijkheidsbeginsel 10 4.3 Derde middel: het gelijkheidsbeginsel 10 4.3.1 Eerste onderdeel 10 4.3.2 Tweede onderdeel 11 1 Situering en relevante feiten
- Het geschil zaak heeft betrekking op de al dan niet regelmatige bekendmaking van een lokaal belastingreglement, vereist voor de tegenstelbaarheid ervan ten aanzien van de belastingplichtige, alsook op de toepassing van het gelijkheidsbeginsel.
- In deze zaak zijn artikel 186 en 187 van het gemeentedecreet toepasselijk in hun versie vóór de wijziging ervan bij decreet van 29 juni
- De hier toepasselijk versie van deze bepalingen zijn vergelijkbaar met de voor Wallonië toepasselijke bepalingen L1133-1 en L1133-2 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en decentralisatie
(1), en de uitvoeringsbepalingen van het Besluit van de Vlaamse Regering van 18 januari 2008
(2), gebaseerd op het voordien toepasselijke KB van 14 oktober 1991
(3).
- Relevant aan deze zaak zijn de volgende door de appelrechter vastgestelde feiten: - de gemeente gebruikt een vastbladig register; - de aantekeningen gebeuren chronologisch; - aantekeningen vermelden geen volgnummer; - de aantekening vermeldt de datum van de aanplakking en de datum van de ondertekening; - de aantekening is ondertekend door de burgemeester en de secretaris; - daarnaast is er ook een afzonderlijke akte van verklaring van bekendmaking, opgemaakt op dezelfde dag van de aantekening in het register, ondertekend door de burgemeester en de secretaris; - het register vermeldt als onderwerp van de bekendmaking: “Belastingreglementen”.
- Op basis van deze vaststellingen oordeelt de appelrechter in het besteden arrest van 4 februari 2020 dat het “doel bereikt is dat met de betreffende wetgeving en uitvoeringsbesluiten bedoeld is”, ook zonder vermelding van een volgnummer en de volledige exacte benaming van het belastingreglement in het register omdat dit geen substantiële vormvereisten zijn. De appelrechter verwijst naar het arrest van de Raad van State van 2 april 2009 over de situatie waarin de aantekening geen volgnummer droeg en de Raad van State als volgt oordeelde: “De omstandigheid dat bij de aantekening in het register mogelijk de vormvereisten van artikel 2 en 3 van het koninklijk besluit van 14 oktober 1991 niet strikt zouden zijn nageleefd, heeft niet tot gevolg dat de aantekening alle bewijskracht verliest
(4).” De appelrechter overweegt dat “Om substantieel te zijn, moet de voorgeschreven vorm(vereiste) een essentiële waarborg zijn om de inhoud (de substantie) te bevestigen.” De appelrechter motiveert dat de essentie immers is dat wordt bevestigd dat (en welke) bekendmaking is gebeurd. De bijhorende verklaring verwijst naar een welbepaalde bekendmaking. 2 De doelstelling van de aantekening van de bekendmaking.
- Het Hof heeft in zijn rechtspraak over de vormvereisten van de bekendmaking motiveert een eerder strenge visie gehanteerd. Het Hof beschouwt de aantekening in het register op de (eerste) dag van de bekendmakingen en de dubbele handtekeningen en datering van de dag van bekendmaking en de dag van de aantekening als substantiële vormvereisten.
- Die rechtspraak is zonder enige twijfel verantwoord in het licht de doelstelling van de regel, namelijk het bereiken van zekerheid van de bekendmaking van het belastingreglement en de bescherming van de belastingplichtige
(5). De ratio van deze aantekening is om een zo sluitend mogelijk bewijs te leveren van een handeling die van nature tijdelijk is en waarvan het bewijs dus achteraf moeilijk te leveren is, namelijk de aanplakking
(6). De datering van de aantekening op de eerste dag van de bekendmaking van het reglement of de verordening beoogt te vermijden dat bekendmakingen worden geregistreerd op andere data dan die waarop de bekendmaking plaatsvond. Het garandeert de accuraatheid van de inhoud van de aantekening, namelijk de datum van de bekendmaking en de aantekening daarvan
(7). Aldus worden ad hoc aantekeningen of antidateringen voor bewijsdoeleinden vermeden
(8). 3 Arresten van het Hof over de bekendmaking van gemeentelijke reglementen.
- In twee princiepsarresten van 21 mei 2015 oordeelde de Franstalige afdeling van het Hof, op basis van de gelijkluidende bepalingen uit de Nieuwe Gemeentewet resp. het Waalse Wetboek van de plaatselijke democratie en decentralisatie, dat het enige toelaatbare bewijs van de bekendmaking van een gemeenteverordening of -reglement bestaat uit de aantekening in het speciaal door de gemeentesecretaris daartoe gehouden register. Het Hof leek daarmee te hebben aangenomen dat een gereglementeerd bewijsregime geldt en de aantekening in het register het enige toegelaten bewijsmiddel vormt. Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat die interpretatie niet strijdig is met de artikelen 10 en 11 Gw., in samenhang gelezen met artikel 190 Gw . Met verwijzing naar de rechtspraak van ons Hof overweegt het Grondwettelijk Hof dat de wettelijke bepalingen in die zin kunnen worden geïnterpreteerd dat ze de mogelijkheid omvatten tot de invoering van een vormvereiste op straffe van niet-tegenstelbaarheid van het gemeentelijk reglement. De gebruikte bewoordingen geven aan dat het Grondwettelijk Hof zich genuanceerd uitdrukt en daarmee m.i. laat verstaan dat ook andere interpretaties mogelijk zijn.
- Tot voor kort leek de (zowel Franstalige als de Nederlandstalige) rechtspraak van het Hof van Cassatie tot op heden relatief gelijklopend en streng te zijn, mits enkele nuances (zie verder). Van zodra de aantekening niet exact is gebeurd conform de vormvereisten van het uitvoeringsbesluit, oordeelt het Hof dat het belastingreglement niet aan de belastingplichtige tegenstelbaar is. Het Hof verbrak meerdere arresten die toelieten dat ondanks een vormgebrek de bekendmaking van het belastingreglement ook uit andere elementen van het register of uit andere stukken of aanwijzingen kan blijken. Een recent arrest van 22 juni 2023 laat toe de vereisten ruimer te interpreteren, waardoor de trend van een strikte toepassing lijkt te zijn doorbroken. Opdat een bekendmaking regelmatig en tegenstelbaar is, is niet meer (absoluut) vereist dat de aantekening in het register gebeurt op de “eerste dag” van de aanplakking, maar ook regelmatig kan gebeuren tijdens de periode van de aanplakking, die dan de eerste dag van de aanplakking vormt
(9). Deze overweging introduceert ruimte voor interpretatie van strikte voorwaarden die m.i. ook voor de andere vormvereisten mogelijk moet zijn voor zover blijkt dat de bekendmaking haar doel heeft bereikt. 9. Hierna worden chronologisch de relevante overwegingen uit de arresten van het Hof geciteerd. Het lijkt me noodzakelijk om hierbij de arresten te citeren omdat omschrijvingen ervan op zich interpretaties inhouden. Na het citaat wordt een eigen interpretatie gegeven die nagaat in welke mate de overweging van het Hof ruimte laat voor varianten. Het dient te worden opgemerkt dat het eigen is aan de cassatietechniek dat waar het Hof een bepaalde redenering van de appelrechter “naar recht verantwoord” acht, die overweging niet uitsluit ook een andere redenering (over de toepassing van die norm) naar recht verantwoord kan zijn. Om die reden wordt die overwegingen niet steeds weergegeven. - Cass. 21 mei 2015, AR F.14.0098.F + F.13.0158.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150521.14, AC 2015, nr. 328, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150521.15
(10): “De bij het voormelde artikel L1133-2 opgelegde aantekening in een register is het enige toelaatbare bewijs van de bekendmaking van een gemeenteverordening of -reglement”. * Interpretatie: Deze regel zegt niets over de inhoud of vorm van het register en de aantekening - Cass. 12 januari 2018, AR F.16.0087.F, AC 2018, nr. 27, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180112.3: «Het arrest voegt hieraan toe dat "niets erop wijst dat de aantekening in het register op dezelfde dag zou zijn aangebracht, waarbij dat vormvereiste het mogelijk maakt na te gaan [...] of voornoemd register niet ad hoc werd opgemaakt en of daarin geen aantekeningen werden aangebracht op andere data dan op die waarop dat register verondersteld wordt de bekendmaking van allerlei akten vast te stellen". Uit die vermeldingen, waaruit blijkt dat de aantekening in het register volgens het hof van beroep geen vaste dagtekening had, mocht het arrest, zonder schending van de in het middel bedoelde wettelijke bepalingen, afleiden dat "het bewijs van de bekendmaking niet overeenkomstig de wet is geleverd" en mocht het op die grond beslissen dat het belastingreglement, bij gebrek aan bekendmaking, niet aan de verweerster kan worden tegengeworpen”. * Interpretatie: Met de bevestiging van de overweging van de appelrechter dat “niets erop wijst dat de aantekening in het register gebeurde op dezelfde dag als de bekendmaking”, lijkt het Hof te aanvaarden dat de rechter wel met andere elementen rekening mag houden. - Cass. 8 november 2018, AR C.17.0604.F, AC 2018, nr. 619, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181108.10
(11): “L’arrêt, qui, pour décider que le règlement-taxe n’est pas opposable à la défenderesse, a égard à d’autres pièces que l’annotation dans le registre spécial, viole les dispositions légales précitées”. Vrije vertaling: «Het arrest, dat, om te beslissen dat het belastingreglement niet tegen tegenstelbaar is aan de verweerster, betrekking heeft op andere documenten dan de aantekening in het bijzonder register, is in strijd met bovengenoemde wettelijke bepalingen”. * Interpretatie: Als het Hof oordeelt dat andere stukken dan het register niet kunnen leiden tot de niet tegenstelbaarheid van het belastingreglement, sluit het Hof niet uit dat andere stukken dan het register wel kunnen leiden tot het bewijs van de publicatie en de tegenstelbaar van het belastingreglement. - Cass. 27 september 2019, AR F.18.0056.F, AC 2019, nr. 483, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190927.3
(12): “Krachtens artikel 1328 van dat wetboek hebben onderhandse akten, ten aanzien van derden, geen dagtekening dan van de dag waarop zij zijn geregistreerd, ofwel van de dag van het overlijden van degene of van een van degenen die de akten ondertekend hebben, ofwel van de dag waarop de hoofdinhoud ervan is vastgesteld in akten door openbare ambtenaren opgemaakt. Daaruit volgt dat, wanneer een authentieke akte enkel nog geldt als onderhands geschrift, de dagtekening ervan enkel aan derden kan worden tegengesteld als die vaststaat in de zin van voornoemd artikel 1328. Het onderdeel dat betoogt dat de dagtekening van die aantekening, zelfs zonder authentiek karakter, wettelijke bewijswaarde heeft, tot het tegendeel bewezen is, van de dagtekening waarop het reglement bekend werd gemaakt, faalt naar recht”. * Interpretatie: In dit arrest creëert het Hof m.i. een duidelijke nuance door te oordelen dat zelfs indien de aantekening door een vormgebrek geacht wordt haar authenticiteit te verliezen, de datum van de aantekening tegenstelbaar is aan derden indien voldaan is aan de voorwaarden van artikel 1328 oud BW (artikel 8.22 BW). - Cass. 10 oktober 2019, AR C.18.0384.N, AC 2019, nr. 512, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191010.9
(13): “De appelrechters die vaststellen dat de handtekening van de gemeentesecretaris ontbreekt op de aantekening van de bekendmaking van het belastingreglement (…), maar niettemin oordelen dat de verweerster de regelmatige bekendmaking van het reglement bewijst, verantwoorden hun beslissing dat dit reglement aan de eiseres tegenstelbaar is niet naar recht”. * De handtekening van de secretaris wordt geacht substantieel te zijn. - Cass. 13 maart 2020, AR F.19.0003.F, AC 2020, nr. 192, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200313.1F.1: ”Uit die bepalingen volgt dat, om als bewijs van bekendmaking van een gemeentereglement te kunnen dienen, de aantekening in het speciaal door de gemeentesecretaris daartoe gehouden register moet geschieden op de eerste dag van de bekendmaking door aanplakbrief ”. * Interpretatie: Deze formulering laat op het eerste zicht weinig ruimte voor interpretatie. Om bewijs van publicatie te hebben, moet de aantekening in het register gebeurd zijn op de eerste dag van de aanplakking
(14). - Cass. 19 maart 2020, AR C.19.0349.N, AC 2020, nr. 205, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200319.1N.1: “De appelrechter stelt vast dat er geen bewijs wordt bijgebracht van de bekendmaking van het litigieuze belastingreglement op de gemeentelijke website. De appelrechter die te kennen geeft dat het litigieuze belastingreglement niet verbindend is bij gebrek aan dubbele bekendmaking en vervolgens beslist dat een op dat reglement gebaseerde aanslag moet vernietigd worden om van die reden, schendt de artikelen 112 en 114 Nieuwe Gemeentewet”. * Interpretatie: Deze uitspraak betreft de nieuwe Vlaamse regeling vanaf 1 januari 2014 die in een bijkomende publicatie voorziet via de website en is voor deze zaak niet relevant. Het - Cass. 4 november 2021, AR F.19.0095.N, arrest niet gepubliceerd, TFR, 2022, afl. 621, 452: “Uit het geheel van die bepalingen volgt dat indien de aantekening in het register der bekendmakingen niet gedateerd is, deze aantekening in het register niet regelmatig is en derhalve geen weerlegbaar vermoeden oplevert dat de aantekening in het register verricht is op de datum van de bekendmaking. (…) De appelrechter die in die omstandigheden aanneemt dat tot bewijs van het tegendeel kan worden aangenomen dat de aantekening in het register verricht is op de datum van de bekendmaking, schendt de artikelen 186 en 187 gemeentedecreet (…)”. * Interpretatie: Deze uitspraak kan zo worden geïnterpreteerd dat de appelrechter de datering niet tot bewijs van het tegendeel kan aannemen, maar (‘a contrario’) op basis van vaststaande feiten wel het vermoedensbewijs zou kunnen aannemen dat de aantekening is gebeurd op de dag van de bekendmaking. - Cass. 3 december 2021, AR C.20.0366.F, AC 2021, nr. 770, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211203.1F.3: Vrije vertaling “Uit deze bepalingen volgt dat, op straffe van het niet kunnen leveren van het enige toelaatbare bewijs van de publicatie van een gemeentelijk reglement of ordonnantie, dat de aantekening voorgeschreven door het voormelde artikel L1133-2 moet ondertekend zijn niet enkel door de gemeentesecretaris maar ook door de burgemeester. (…) Uit deze bepalingen volgt dat, voor het bewijs van de bekendmaking van een gemeentelijk reglement, moet de aantekening in het bijzonder register gehouden door de gemeentesecretaris gebeurd zijn de eerste dag van de aanplakking. En de wettelijke eis van overeenstemming van de data van publicatie en aantekening maakt deel uit van de vorm van de aantekening, zodat deze voorwaarde de grenzen van de machtiging die door artikel 1 aan de uitvoerende macht wordt gegeven niet overschrijdt”. * Interpretatie: Deze uitspraak ligt in de lijn van het voormelde arrest van 10 oktober 2019 (medeondertekening door secretaris) en van 13 maart 2020 (aantekening op eerste dag van bekendmaking). Het Hof sluit aan bij het oordeel van het Grondwettelijk Hof dat stelde dat de wettelijke bepaling zo kan worden geïnterpreteerd dat ze een vormvoorwaarde toelaten op straffe van niet tegenstelbaarheid van het belastingreglement. Waar het Grondwettelijk Hof laat uitschijnen dat een andere interpretatie mogelijk is, lijkt het Hof eerder vast te houden aan de noodzaak tot strikte naleving van de vormvoorwaarden. - Cass. 20 oktober 2022, AR F.21.0066.F, AC 2022, nr. 662, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221020.1F.5
(15): Vrije vertaling: “Het arrest, dat overweegt dat met betrekking tot het belastingreglement van 25 oktober 2010, het register van publicaties van de verweerster, "bewaard op losse vellen, in een map gestoken en die waarschijnlijk op lange termijn zullen worden gebonden", niet toelaat "om te verifiëren dat de aantekeningen in chronologische volgorde zijn gemaakt", op de redenen dat "het register moet worden geannoteerd, wat niet het geval is als de aantekeningen op losse vellen staan ??die a posteriori zijn ingebonden", is in strijd met bovengenoemde wettelijke bepalingen”. * Interpretatie: het register moet niet ingebonden zijn. - Cass. 22 juni 2023, AR F.22.0045.F, AC 2023, nr. 475, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230622.1F.6: Vrije vertaling: “Uit deze bepalingen volgt enerzijds dat de enige toelaatbare bewijsmethode voor de publicatie van een gemeentelijke verordening de aantekening in het bijzonder register is, anderzijds dat de aantekening geen bewijs levert van de datum van publicatie tenzij wanneer het wordt gedaan op de dag van de aanplakking, of op een van de dagen van de aanplakking die dan de eerste dag van de publicatie vormt.” (eigen onderlijning) * Interpretatie: Met dit arrest laat het Hof ruimte tot interpretatie toe bij de beoordeling van de vormvereisten en neemt het afstand van de strikte interpretatie dat de aantekening moet gebeuren op de eerste dag van de publicatie. De aantekening kan regelmatig gebeuren tijdens de periode van de aanplakking. 10. Waar de rechtspraak van het Hof aanvankelijk als strikt kon worden aangemerkt, waarbij een strikt gereglementeerd bewijsregime leek te zijn vastgelegd, lijkt met dit laatste arrest van 22 juni 2023 een belangrijke trendbreuk te zijn gemaakt. Bij deze nieuwe evolutie naar een ruimere interpretatie en nuancering van de vormvereisten (tegen overdreven formalisme) voor de tegenstelbaarheid van een belastingreglement, kunnen de volgende argumenten worden overwogen. * Er kan geen twijfel over bestaan dat het doel van de bekendmaking moet worden bereikt en gewaarborgd, maar de wijze waarop dat doel wordt bereikt, mag niet louter afhangen van de strikte naleving van absolute vormvoorwaarden. Er zijn ook andere interpretaties mogelijk en feiten die hetzelfde doel kunnen bereiken
(16). * De (Franstalig, Brusselse en Vlaamse) bepalingen en uitvoeringsbesluiten voorgeschreven vormvereisten zijn niet voorgeschreven op straffe van nietigheid of niet tegenstelbaarheid. * Zoals het Grondwettelijk Hof heeft aangegeven is de consequentie van de niet tegenstelbaarheid ingevolge een vormgebrek slechts een mogelijke interpretatie maar geen noodzakelijke of verplichte interpretatie
(17). * De Raad van State is van oordeel dat de omstandigheid dat de vormvereisten van artikel 2 en 3 van het koninklijk besluit van 14 oktober 1991 niet strikt zouden zijn nageleefd, niet tot gevolg heeft dat de aantekening alle bewijskracht verliest
(18). * De gestrengheid van het formalisme teneinde elke afwijking of misbruik te vermijden, miskent de waarde van de authenticiteit van de aantekeningen door de burgemeester en secretaris. Het belang van de formaliteiten in het licht van de te bereiken doelstelling laat op zich niet toe bij niet strikte naleving ervan uit te van een vermoeden van valsheid (antidatering), terwijl fraude niet wordt vermoed en de inschrijvingen in het register authentiek zijn en bijzondere bewijswaarde te hebben. Een vormgebrek neemt die authenticiteit niet noodzakelijk en integraal weg
(19). Bovendien heeft een vermelding in het register voor bekendmakingen, ondertekend door de burgemeester en medeondertekend door de gemeentesecretaris, bewijswaarde tot de inschrijving van valsheid
(20). * Zelfs al verliest de aantekening in het register haar authentiek karakter ingevolge een vormgebrek, dan nog kan de aantekening vaste datum hebben indien de voorwaarden van artikel 8.22 BW zijn vervuld. * Indien blijkt dat het doel (de substantie, de bekendmaking) is bereikt, staat een vormgebrek niet in verhouding tot gevolg van de niet tegenstelbaarheid van het belastingreglement. * Om substantieel te zijn, moet de voorgeschreven vorm(vereiste) een essentiële waarborg zijn om de inhoud (de substantie) te bevestigen, in het bijzonder omdat geen betrouwbare alternatieven bestaan
(21). Het lijkt mij niet ernstig betwistbaar dat er alternatieven bestaan, andere dan de exacte naleving van de vormvereisten in de uitvoeringsbesluiten, als waarborg voor de bekendmaking, zoals bedoeld in de wettelijke/decretale bepalingen. * De door de uitvoeringsbesluiten voorgeschreven vormvoorwaarden hoeven met het oog op de naleving van de wet en het bereiken van het doel niet te worden aangemerkt als het exclusieve bewijs van de bekendmaking. * De vraag of de bekendmaking is gebeurd, betreft een appreciatie die geval per geval toekomt aan de feitenrechter op basis van de vastgestelde feiten, die het Hof marginaal kan toetsen. * Een geheel van overeenstemmende elementen uit het register kunnen het vermoedenbewijs van de bekendmaking opleveren; ook in dat geval kan worden geoordeeld dat het bewijs van bekendmaking blijkt uit het register. 4 Bespreking van de middelen. 4.1 Eerste middel: de bekendmaking van het belastingreglement.
- De in het eerste middel aangevoerde niet tegenstelbaarheid van het belastingreglement op masten en pylonen steunt op het vormgebrek van het ontbreken van een volgnummer (eerste onderdeel) en de vermelding als onderwerp “Belastingreglementen”, zijnde niet de volledige titel van het betrokken belastingreglement op masten en pylonen (tweede onderdeel) 4.1.1 Het middel in zijn geheel.
- De aantekening in het register is correct ondertekend en dubbel gedagtekend op dezelfde dag, maar vermeld “belastingreglementen” in de plaats van het hier bekendgemaakte “belastingreglement op masten en pylonen”. Met verwijzing naar rechtspraak van de Raad van State
(22)over het volgnummer oordeelt de appelrechter dat gelet op de concrete omstandigheden (chronologisch, ingebonden boek,…) niet betwijfeld kan worden dat de bekendmaking gebeurde deze vormgebreken geen afbreuk doen aan. De appelrechter stelt vast dat de vormvereisten niet zijn voorgeschreven op straffe van nietigheid of niet tegenstelbaarheid en niet substantieel zijn, en het register op een even objectieve en controleerbare manier voldoende waarborg biedt van de bekendmaking.
- Verwijzend naar de uiteenzetting hierboven, meen ik dat de appelrechter zijn beslissing naar recht heeft gemotiveerd en het middel in zijn geheel niet kan worden aangenomen.
- Gelet op het arrest van het Hof van 22 juni 2023 waaruit kan worden afgeleid dat de vormvereisten van de aantekening in het register een ruimere interpretatie toelaten indien de bekendmaking zijn doel heeft bereikt, kan het middel per onderdeel ook als volgt worden beantwoord. 4.1.2 Eerste onderdeel.
- Uit deze (voormelde) bepalingen volgt enerzijds, dat de enige toelaatbare bewijsmethode van de bekendmaking van een belastingreglement de aantekening het bijzonder register is, anderzijds dat de aantekeningen worden genummerd in volgorde van de opeenvolgende bekendmakingen, of het nummer kan worden vastgesteld door [OF volgt uit] de chronologische volgorde van de aantekeningen. 4.1.3 Tweede onderdeel.
- De appelrechter stelt vast dat de aantekening als onderwerp vermeldt “Belastingreglementen”. In zoverre het middel ervan uitgaat dat het onderwerp niet is vermeld in de aantekening, berust het op een verkeerde lezing van het arrest. Uit artikel 3 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 18 januari 2008 volgt niet dat bij het onderwerp van de aantekening de titel van het reglement wordt vermeld. In zoverre het middel uitgaat van het tegendeel, faalt het naar recht. 4.2 Tweede middel: het gelijkheidsbeginsel.
- In het tweede middel voert de eiseres de schending aan van artikel 159 GW. De appelrechter zou het middel van de schending van het gelijkheidsbeginsel en om die reden het buiten toepassing laten van het belastingreglement niet hebben onderzocht.
- De appelrechter heeft dit middel van de eiseres uitvoerig beantwoord. Het arrest vangt de beoordeling van dit middel aan met de vaststelling dat het belastingreglement niet uitsluitend masten en pylonen belast die voor mobilofonie of telecommunicatie worden gebruikt. Het arrest wijst op het doel van de belasting zoals vermeld in de preambule, namelijk de visuele hinder en gezondheidsrisico’s en dat niet enkel de eiseres wordt geviseerd. Tenslotte oordeelt de appelrechter nog dat zelfs wanneer concreet zou blijken dat de eiseres (feitelijk) de enige is die wordt belast op basis van het betreffende belastingreglement wordt belast, daaruit op zich niet kan worden afgeleid dat het belastingreglement in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. De appelrechter die met deze redenen het bedoelde verweer van de eiseres over de schending van artikel 159 van de Grondwet afwijst, verantwoordt zijn beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. In zoverre het middel ervan uitgaat dat de appelrechter het verweer niet heeft beantwoordt, berust het op een verkeerde lezing van het arrest.
- Het middel kan ook worden begrepen als opkomend tegen een overtollig motief waardoor het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk voorkomt. Immers oordeelt de appelrechter niet alleen dat de eiseres zelfs niet aannemelijk maakt dat er op het grondgebied van verweerster andere eigenaars van masten en pylonen zijn die niet worden belast, maar wijst de schending van het gelijkheidsbeginsel wegens feitelijke discriminatie tevens af om reden dat zelfs wanneer concreet zou blijken dat de verweerster op basis van het betreffende belastingreglement uitsluitend telecomoperatoren belast, daaruit op zich niet kan worden afgeleid dat het belastingreglement in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. 4.3 Derde middel: het gelijkheidsbeginsel. 4.3.1 Eerste onderdeel.
- In het eerste onderdeel voert de eiseres een tegenstrijdige motivering aan omdat: - enerzijds de appelrechter aanneemt dat het doel van de belasting (naast het financieel doel) bestaat in de bestrijding van zowel de landschapsverstoring en de perceptie van gezondheidsrisico's; - anderzijds bij beoordeling van het al dan niet gerechtvaardigd zijn van de aan de belasting onderworpen constructies, de appelrechter aanneemt dat verweerster de belasting enkel heeft ingesteld ter bewaking van de landschapsverstoring (besteden arrest, p. 15-16).
- De appelrechter die oordeelt dat de verweerster op pertinente wijze de belasting (enkel) kan instellen voor het bewaken van de landschapsverstoring vanuit de publieke ruimte en dus niet voor pylonen die niet zichtbaar zijn vanaf de openbare weg, beantwoordt het verweer van de eiseres dat het niet redelijk is om alleen pylonen vanaf 15 meter hoogte te belasten die zichtbaar zijn vanaf de openbare weg om de landschapsverstoring en visuele hinder tegen te gaan. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de appelrechter heeft beslist dat de verweerster de belasting heeft ingesteld met als enig doel om de bewaking van de landschapsverstoring tegen te gaan, steunt op een foutieve lezing van de bestreden beslissing en mist mitsdien feitelijke grondslag.
- Indien een belastingreglement enkel een bepaalde categorie van belastingplichtigen voorziet, moet de differentiatie in redelijkheid kunnen worden verantwoord door het doel van de belasting. De objectieve en redelijke verantwoording houdt niet in dat de overheid die een onderscheid maakt tussen belastingplichtigen het bewijs moet leveren dat dit onderscheid of de afwezigheid ervan noodzakelijk bepaalde gevolgen zou hebben. Het volstaat om te kunnen beslissen of het maken van categorieën objectief en redelijk is, dat in redelijkheid blijkt dat er een objectieve verantwoording bestaat voor die categorieën en het verschil in tarief. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de belasting redelijk moet worden verantwoord door alle doelstellingen van het belastingreglement, faalt het naar recht. 4.3.2 Tweede onderdeel. 4.3.2.1 Eerste subonderdeel.
- Volgens de eiseres kan het onderscheid tussen verschillende categorieën (belast/niet-belast) niet rechtsgeldig worden afgeleid uit de aard van het onderscheid of uit de context ervan of nog uit de eenvoudige verwijzing naar teksten buiten het belastingreglement zelf en waarvan in het reglement de inhoud niet wordt weergegeven. De appelrechter zou die regel geschonden hebben en bij de verantwoording van de belasting elementen in aanmerking hebben genomen die zowel vreemd zijn aan het reglement zelf, als aan de voorafgaande procedure die leidde tot het aannemen van het litigieuze belastingreglement. Daardoor zou de appelrechter de artikelen 10, 11, 159 en 172 van de Grondwet hebben geschonden.
- Bij arrest van 3 september 2015 oordeelde het Hof dat de verantwoording van het doel van de belasting en de differentiaties als volgt kan worden achterhaald
(23): a. uit de vermeldingen in de aanhef of de tekst van het belastingreglement; b. uit de vermeldingen in de stukken van het dossier dat werd voorgelegd aan de provincieraad, c. kan worden afgeleid uit de aard van de gemaakte differentiatie; d. wordt gedragen wordt door de context van het belastingreglement of van het bijhorende dossier; e. zoals blijkt uit de aanhef, de tekst of het administratief dossier van de belasting, het dossier en de context; De onderdelen die ervan uitgaan dat de verantwoording van het doel en de differentiaties van de belasting niet rechtsgeldig kan worden afgeleid uit de aard van het onderscheid of uit de context ervan of nog uit de verwijzing naar teksten buiten het belastingreglement zelf en waarvan in het reglement de inhoud niet wordt weergegeven, falen naar recht.
- Op grond van artikel 170, § 4 van de Grondwet beschikken de gemeenten over de bevoegdheid belastingen te heffen. De fiscale bevoegdheid van de gemeenten houdt in dat zij autonoom de doelstellingen van de door hen ingevoerde belastingen bepalen. In zoverre de onderdelen ervan uitgaan dat alle doelstellingen van de belasting gelijkwaardig moeten zijn of gelijkwaardig moeten worden beoordeeld, kunnen zij niet worden aangenomen. 4.3.2.2 Tweede subonderdeel.
- In het tweede subonderdeel voert de eiseres aan dat het alleen belasten van masten en pylonen die een totale hoogte hebben van minstens 15 meter, staande in open lucht en zichtbaar zijn vanaf de openbare weg, niet verenigbaar is met die doelstelling nu bedoelde gezondheidsrisico's ook kunnen worden veroorzaakt door andere constructies.
- Het arrest stelt vast dat de belasting, naast een financieel doel, het doel heeft om een compensatie te bieden voor landschapsverstoring, visuele hinder en de perceptie van het bestaan van een gezondheidsrisico. In zoverre het onderdeel ervan uitgaan dat de belasting enkel wordt verantwoord door gezondheidsrisico’s, berust het op een verkeerde lezing en mist het feitelijke grondslag.
- De appelrechter oordeelt dat de verweerster zonder schending van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel de belasting kon beperken tot constructies zoals in het betreffende reglement beschreven, en motiveert die beslissing in het bijzonder als volgt: “Door de belastbaarheid in te stellen vanaf een hoogte van 15 meter en staande in open lucht, heeft de geïntimeerde een voldoende objectief criterium toegepast met het oog op het doel, de aard en de gevolgen van de belasting. Waar de belasting een compensatie moet bieden voor aanzienlijke landschapsvervuiling en visuele hinder in de open ruimte, is de hoogte wel degelijk relevant. Het behoort tot de autonome bevoegdheidssfeer van de gemeente om in te vullen waar de grens van de aanvaardbare hinder ligt. Door die hoogte op 15 meter te bepalen, heeft de gemeenteraad van de geïntimeerde alvast een redelijke invulling gegeven aan de norm in het licht van het doel, de aard en de gevolgen van de belasting. Ook de beperking tot de beschreven constructies is objectief en voldoende relevant ten aanzien van het na te streven doel, de aard en de gevolgen van de belasting (…)”. Met die motivering verantwoordt de appelrechter naar recht zijn beslissing dat het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden. Het onderdeel kan mijns inziens niet worden aangenomen.
- In het voormelde arrest van 3 september 2015 overweegt het Hof dat de rechter een belastingverordening die in een verminderd tarief voorziet voor een bepaalde categorie van belastingplichtigen niet buiten toepassing kan laten omdat de overheid niet aantoont dat de verantwoording voor de toepassing van het verminderd tarief niet zou kunnen van toepassing zijn op een andere categorie van belastingplichtigen die onderworpen is aan het standaardtarief, maar moet onderzoeken of de belastingplichtige, die de strijdigheid van de tariefstructuur met het gelijkheidsbeginsel aanvoert, in concreto wordt gediscrimineerd door de toepassing van het standaardtarief omdat hij deel uitmaakt van een categorie die op gelijke gronden de toepassing van het verminderd tarief kan eisen. Net zoals het voor een schending van het gelijkheidsbeginsel niet volstaat dat de belastingplichtige inroept dat een vermindering of vrijstelling ook toepasselijk kan zijn voor andere niet vrijgestelde belastingplichtigen, volstaat het in dezelfde logica evenmin dat een belastingplichtige inroept dat de belasting ook toepasselijk kan zijn op andere niet-voorziene rechtsonderhorigen. De grief van de schending van het gelijkheidsbeginsel kan niet slagen om de enkele reden dat de belasting ook van toepassing zou kunnen zijn op een andere categorie van niet-belastingplichtigen, zonder dat de belastingplichtige aantoont dat hij in concreto wordt gediscrimineerd. In zoverre het onderdeel uitgaat van het tegendeel, faalt het naar recht. Besluit: Verwerping. ____________________________
(1)CDLD, Code de la démocratie en de la décentralisation.
(2)Betreffende de aantekeningen in het register voor de bekendmaking van de reglementen en verordeningen van de gemeenteoverheden, BS 29 januari 2018, 5120.
(3)Betreffende de aantekeningen in het register voor de bekendmaking van de reglementen en verordeningen van de gemeenteoverheden, BS 29 oktober 1991, 24234.
(4)RvS 2 april 2009, nr. 192.140, T.Gem. 2010, afl. 1, 35.
(5)Over de doelstelling: advies Raad van State bij het ontwerp van decreet tot wijziging van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005, Parl. St., 2011-2012, nr. 1467/1, 207, nr. 16: ““waarbij erover moet gewaakt worden dat de burgers op de hoogte kunnen zijn van de juiste datum van bekendmaking van de gemeentelijke reglementen en verordeningen"; Gwh., arrestnr. 165/22: “B.15: beogen de in het geding zijnde bepalingen niet de organisatie en de werking van het bestuur maar de bescherming van de bestuurde, en van de belastingplichtige in het kader van een belastingreglement. Op die manier kan het in artikel 190 van de Grondwet beoogde algemene doel worden versterkt.”; Gwh. 30 maart 2023, arrestnr. 58/23, r.o. B.5: “De gedateerde en ondertekende aantekening van de bekendmaking in een register beoogt de bekendmaking van het reglement met zekerheid vast te stellen.”; GwH 15 december 2022, nr. 164/2022, RFRL 2022, 426, RW 2022-23, 960, TVW 2023, 61 (r.o. B.8.4: “Die administratieve verplichtingen houden geen onevenredig zware last in voor de gemeentelijke administratie. De aanplakking dient immers enkel melding te maken van het onderwerp van het reglement of de verordening, de datum van de beslissing waarbij de goedkeuring ervan geschiedde, en, in voorkomend geval, de beslissing van de toezichthoudende overheid en de plaats(en) waar de tekst van het reglement of de verordening door het publiek kan worden ingezien. Het is niet langer vereist dat de gehele tekst van het reglement of de verordening wordt bekendgemaakt. De aantekening dient enkel te worden gedagtekend, ondertekend en genummerd”; Concl. van eerste advocaat-generaal HENKES bij Cass. 8 november 2018, AR C.17.0604, AC 2018, nr. 619, ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181108.10, p.6, Henkes schreef dat het bewijs met alle middelen zou moeten kunnen worden geleverd. Hij zag geen reden om de aantekening als enige bewijsmiddel te beschouwen. Dat toch doen, zou betekenen dat een voorwaarde aan de wet wordt toegevoegd. “En conclusion, il nous paraît que l’interprétation de la règlementation, qui consiste à y voir la consécration de la prééminence d’un mode de preuve plutôt que la consécration de son caractère exclusif, présente l’avantage de respecter l’objectif du législateur tout en ménageant le droit commun de la preuve” Zie: Cass. 21 mei 2015, AR F.14.0143.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150521.16, AC 2015, nr. 331, APT 2015, 524, JLMB 2016, 1640, Cass. 21 mei 2015, AR F.14.0098.F, AC 2015, nr. 330, met concl. van eerste advocaat-generaal HENKES, op datum in Pas., RFRL 2015, 353.GwH 30 maart 2023, nr. 58/2023, r.o. B.9.
(6)Concl. van procureur-generaal HENKES bij Cass. 27 september 2019, p. 3. Ook: A. SCHEYVAERTS, “L’obligation de réaliser l’annotation de la publication d’un règlement-taxe dans le registre communal le premier jour de sa publication est-elle une formalité substantielle?” (noot onder Cass. 13 maart 2020), RFRL 2020, 150.
(7)Gent 21 april 2020, LRB 2020, 107, TFR 2020, 981, noot T. DE JONCKHEERE en M. DE JONCKHEERE; Rb. Leuven 14 februari 2020, Fisc.Koer. 2020, 167.
(8)Antwerpen 15 juni 2021, LRB 2021, 125; Gent 21 april 2020, LRB 2020, 107, TFR 2020, 981, noot T. DE JONCKHEERE en M. DE JONCKHEERE; M. DE JONCKHEERE en T. DE JONCKHEERE, “De bekendmaking van de bekendmaking: formalistische machtsstrijd of een betekenisvolle invulling” (noot onder Gent 21 april 2020 en Gent 21 april 2020), TFR 2020, 985-986 (met verwijzing naar de geannoteerde arresten); A. SCHEYVAERTS, “L’obligation de réaliser l’annotation de la publication d’un règlement-taxe dans le registre communal le premier jour de sa publication est-elle une formalité substantielle?” (noot onder Cass. 13 maart 2020), RFRL 2020, 153.
(9)Cass. 22 juni 2023, AR F.22.0045.F, AC 2023, nr. 475 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230622.1F.6.
(10)Met concl. van eerste advocaat-generaal HENKES, op datum in Pas., bij Cass. 21 mei 2015, AR F.13.0158.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150521.14, AC 2015, nr. 328, ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150521.14, en bij Cass. 21 mei 2015, AR F.14.0098.F AC 2015, nr. 328, ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150521.15, op datum in Pas.. HENKES heeft in zijn conclusies in de zaken die aanleiding gaven tot de cassatiearresten van 21 mei 2015, op basis van een rechtshistorisch overzicht aangetoond dat een vrij bewijs niet ingaat tegen de ontstaansreden van het register van bekendmakingen (nl. een onbetwistbaar bewijs van de bekendmaking van de gemeentelijke reglementen en verordeningen bieden), omdat een geldige bekendmaking in het register nog steeds voorrang zal hebben op alle andere bewijsmiddelen. Er dient volgens hem bijgevolg, conform de oudere rechtspraak van het Hof van Cassatie , te worden aangesloten bij het gemeen recht, waar het bewijs van een rechtsfeit eveneens met alle middelen kan gebeuren (O.m. Cass. 28 mei 1849, Pas. 1849, I, 243; Cass. 28 januari 1889, Pas. 1889, I, 100; Cass. 20 juli 1951, Pas. 1951, I, 794; Cass. 14 januari 1952, Pas. 1952, I, 256; Cass. 16 mei 1961, Pas. 1961, I, 998; Cass. 11 juni 1979, Pas. 1979, I, 1161; Cass. 4 december 1990, AR 3889, Pas. 1990, I, nr. 177).
(11)Cass. 8 november 2018, AR C.17.0604.F, AC 2018, nr. 319, met concl. van eerste advocaat-generaal HENKES, ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181108.10, op datum in Pas..
(12)Cass. 27 september 2019, AR F.18.0056.F, AC 2019, nr. 483, met concl. van procureur-generaal HENKES, ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190927.3, op datum in Pas..
(13)Cass. 10 oktober 2019, AR F.18.0384.N, AC 2019, nr. 512, met concl. van advocaat-generaal VAN DER FRAENEN, ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191010.9.
(14)C. PARMENTIER, “La publication d’un règlement-taxe communal” (noot onder Cass. 13 maart 2020), JLMB 2020,
(1221)1223, nr. 5.
(15)Cass. 20 oktober 2022, AR F.21.0066.F, AC 2022, nr. 662, met concl. van advocaat-generaal INGHELS, ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221020.1F.5, op datum in Pas..
(16)B. LOMBAERT en M. NIHOUL, “Tous les moyens sont-ils bons pour s’exonérer d’une taxe en matière d’immeubles abandonnés? Politique fiscale, proportionnalité du taux, preuve de la publication d’un règlement et force majeure exonératoire” (noot onder Rb. Brussel 16 januari 2003), Rev.dr.commun. 2003/3, 51-54; J. MAGREMANNE en A. SCHEYVAERTS, “La publication d’un règlement-taxe communal”, RGF 2010, 8-9.
(17)Gwh. 15 december 2022, arrestnr. 165/22, overweging B.12.4.
(18)RvS 20 april 1990, nr. 34.779; RvS 2 april 2009, nr. 192.140, T.Gem. 2010, afl. 1, 35; RvS 13 juni 2003, FJF 2004, nr. 3, 291; RvS 13 juni 2003, nr. 120.603, FJF 2004/89, 291;RvS 10 juni 2010, nr. 204.999, T.Gem., 2011/1, 49, noot P. DE SOMERE, “De bekendmaking van gemeentelijke reglementen door aanplakking: een onvervalst anachronisme”, T.Gem., 2011/1, 51; T. DE JONCKHEERE en M. DE JONCKHEERE, “De bekendmaking van de bekendmaking: formalistische machtsstrijd of een betekenisvolle invulling”, TFR 2020, 972.
(19)B. LOMBAERT en M. NIHOUL, “Tous les moyens sont-ils bons pour s’exonérer d’une taxe en matière d’immeubles abandonnés? Politique fiscale, proportionnalité du taux, preuve de la publication d’un règlement et force majeure exonératoire” (noot onder Rb. Brussel 16 januari 2003), Rev.dr.commun. 2003/3, 51-54; J. MAGREMANNE en A. SCHEYVAERTS, “La publication d’un règlement-taxe communal”, RGF 2010, 8-9.
(20)RvS 20 april 1990, nr. 34.779.
(21)Gent, 21 april 202; LRB, 2020, afl. 2-3, 108.
(22)RvS, 2 april 2009, nr. 192.140, randnr. 6.
(23)Cass. 3 september 2015, AR C.13.0247.N, AC 2015, nr. 479, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150903.1, r.o. 5. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231109.1N.5 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231109.1N.5 citeert: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150521.14 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150521.15 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150521.16 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150903.1 ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150521.14 ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150521.15 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180112.3 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181108.10 ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181108.10 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190927.3 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191010.9 ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190927.3 ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191010.9 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200313.1F.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200319.1N.1 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211203.1F.3 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221020.1F.5 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221020.1F.5 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230622.1F.6 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241115.1N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div