id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 09 november 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231109.1N.6 Rolnummer: F.20.0163.N Zaak: ORANGE BELGIUM nv contra GEMEENTE ZWEVEGEM Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2024-02-15 Raadplegingen: 742 - laatst gezien 2026-06-18 23:07 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231109.1N.6 Fiche Bij de toetsing van een gemeentelijk belastingreglement aan het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel moet de rechter onderzoeken of de belastingplichtige, die de strijdigheid van de vrijstelling met dat beginsel aanvoert, in concreto wordt gediscrimineerd door de toepassing van de belasting omdat hij deel uitmaakt van een categorie die op gelijke gronden de toepassing van de vrijstelling kan inroepen; de enkele reden dat de belastingplichtige die aanvoert dat er sprake is van een discriminatoire vrijstelling geen deel uitmaakt van de categorie die van de belasting is vrijgesteld, volstaat niet om te kunnen besluiten dat het gelijkheidsbeginsel niet is miskend
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - GEMEENTEBELASTINGEN Tekst van de conclusie F.20.0163.N Conclusie van advocaat-generaal Ravyse: De toepassing van het gelijkheidsbeginsel in lokale belastingreglementen - Inhoud - 1 Situering 1 - 2 De toepassing van het gelijkheidsbeginsel in lokale belastingreglementen 2 - 2.1 Analyse van de rechtspraak & concept van leidraad 2 - 2.2 De (vindplaats van de) motivering van de doelstelling en de uitzonderingen 4 - 2.3 De doelstellingen van de belasting en de doelstellingen van de vrijstellingen 5 - 2.4 De ‘in concreto-toets’ 7 - 2.5 De gevolgen van een onverantwoorde of niet te verantwoorden differentiatie 9 - 2.6 Bespreking van het middel 11 - 3 Besluit: verwerping 14
- Situering - Het geschil heeft betrekking op een gemeentebelasting op masten en pylonen. De gemeenteraad van verweerster heeft op 30 september 2013 een belastingreglement op masten en pylonen goedgekeurd voor de aanslagjaren 2013 tot en met
- Op 22 juni 2015 nam de gemeenteraad van de verweerster een besluit tot aanpassing van het gemeentelijk reglement voor het heffen van een belasting op masten en pylonen. Door die aanpassing zijn de volgende constructies vrijgesteld van de belasting: - constructies voor de productie van windenergie of andere vormen van groene stroom; - masten en pylonen geplaatst door diensten van openbare besturen en andere openbare inrichtingen en instellingen. - De eiseres ontving van de verweerder drie aanslagen in deze gemeentebelasting met betrekking tot het aanslagjaar
- Het bezwaar van de eiseres tegen deze belasting werd afgewezen door zowel de eerste rechter als het bestreden arrest van het hof van beroep te Gent van 13 december
- - Het enig middel van de eiseres voert de schending aan van het gelijkheidsbeginsel (artikelen 10, 11, 159 en 172 van de Grondwet), dat als volgt kan worden samengevat: door te beslissen dat de eiseres zich niet kan beroepen op een schending van het gelijkheidsbeginsel op de enkele grond dat zij niet te beschouwen is als een openbaar bestuur, inrichting of instelling en dus niet onder de toepassing van de vrijstelling kan ressorteren, en door op grond daarvan te weigeren het belastingreglement buiten toepassing te laten en de aanslag te vernietigen, schendt de appelrechter alle in het middel genoemde bepalingen.
- De toepassing van het gelijkheidsbeginsel in lokale belastingreglementen. 2.1 Analyse van de rechtspraak & concept van leidraad. - Het Hof heeft zich over de problematiek van de toepassing van het gelijkheidsbeginsel in lokale belastingreglementen reeds meermaals uitgesproken. De klassieke regel is dat de grondwettelijke regels inzake de gelijkheid en de niet-discriminatie niet uitsluiten dat een verschillende behandeling wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel
(1). - Op basis van de rechtspraak van het Hof wordt hierna gepoogd een overzicht en leidraad te geven van het redeneerproces of stappenplan dat bij de beoordeling van een ingeroepen schending van het gelijkheidsbeginsel kan worden toegepast: 1. In eerste instantie dient de aard en het doel of de bedoeling van de belasting te worden achterhaald
(2): a. die is vermeld in de aanhef of de tekst van het belastingreglement; b. die is vermeld in de stukken van het dossier dat werd voorgelegd aan de provincieraad, c. of kan worden afgeleid uit de aard van de gemaakte differentiatie; d. of wordt gedragen wordt door de context van het belastingreglement of van het bijhorende dossier
(3); e. die blijkt uit de aanhef, de tekst of het administratief dossier van de belasting, het dossier en de context
(4); 2. Indien het doel (en de verantwoording) van het onderscheid niet kan worden achterhaald, mag de rechter de schending niet vaststellen “zonder vooreerst” na te gaan of de eiser zich in een voldoende vergelijkbare situatie bevindt als de categorie van belastingplichtigen die kunnen genieten van het gunstigere regime;
(5)3. Is er sprake van een onderscheiden behandeling in het licht van de aard en het doel van de belasting?
(6)a. hoe is de verhouding van de belastingplichtige die de schending inroept ten aanzien van de andere belastingplichtige die niet aan de belasting is onderworpen – bevindt die zich in een zelfde categorie als de gunstiger behandelde belastingplichtige, in het licht van de aard en het doel van de belasting; b. wanneer de belastingplichtigen die door het belastingreglement verschillend worden behandeld, onvoldoende vergelijkbaar zijn in het licht van de aard en het doel van het belastingreglement, is er geen miskenning van het gelijkheidsbeginsel; 4. Kan de differentiatie in redelijkheid worden verantwoord door het doel van de belasting, zonder daarbij de wenselijkheid of opportuniteit van de tariefstructuur van de belasting te beoordelen; a. objectieve en redelijke verantwoording houdt niet in dat de overheid het bewijs moet leveren dat dit onderscheid of de afwezigheid ervan noodzakelijk bepaalde gevolgen zou hebben
(7); het volstaat om te kunnen beslissen of het maken van categorieën objectief en redelijk is, dat in redelijkheid blijkt dat er een objectieve verantwoording bestaat voor de (betwiste) differentiatie; b. het volstaat niet of er is met andere woorden geen schending indien de overheid die het belastingreglement heeft uitgevaardigd niet aantoont dat de verantwoording voor de toepassing van de vrijstelling niet geldt voor een andere categorie van belastingplichtigen die onderworpen is aan het standaardtarief; 5. Indien er geen redelijke verantwoording bestaat en de belastingplichtige in concreto en op gelijke gronden discriminatoir wordt behandeld, stelt zich de vraag naar de gevolgen daarvan
(8): op grond van artikel 159 van de Grondwet dient het belastingreglement buiten toepassing te worden gelaten en de aanslag in hoofde van de gediscrimineerde belastingplichtige wordt vernietigd; Hierna wordt ook gepoogd een antwoord te bieden op een kritiek in de rechtsleer over de gevolgen van een onverantwoorde differentiatie, ongeacht of de belastingplichtige slaagt in de zogenaamde ‘in concreto-toets’. De vraag stelt zich of een vastgestelde onwettigheid of met het gelijkheidsbeginsel strijdige bepaling al dan niet “onlosmakelijk” of “onsplitsbaar” is met (de overige of het geheel van de bepalingen van) het belastingreglement
(9). 2.2. De (vindplaats van de) motivering van de doelstelling en de uitzonderingen. - In het voormelde arrest van 3 september 2015 oordeelde het Hof dat de motivering of verantwoording van de doelstelling en de vrijstellingen of verminderingen kan blijken uit de gemaakte differentiatie zelf en de (ruime) context van het belastingreglement. Die verantwoording kan door de overheid nog tijdens de procedure worden aangevoerd.
(10)- In zijn conclusie bij het arrest van 3 september 2015 gaat advocaat-generaal THIJS een stap verder. Hij stelde dat er geen redelijke verantwoording is om ten aanzien van de lokale wetgever een strengere houding aan te nemen dan ten aanzien van de nationale belastingwetgever
(11): “Het Grondwettelijk Hof besliste wat die laatste betreft dat het niet zou kunnen besluiten tot de schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie om de enkele reden dat uit de parlementaire voorbereiding niet de redelijke verantwoording van een verschil in behandeling blijkt. De vaststelling dat een dergelijke verantwoording niet in de parlementaire voorbereiding is vermeld, sluit immers niet uit dat aan een maatregel een legitieme doelstelling ten grondslag ligt die het eruit voortvloeiende verschil in behandeling in redelijkheid kan verantwoorden
(12). Een strengere houding ten aanzien van gemeenten of provincies werd in de rechtsleer reeds als 'discriminerend' omschreven
(13)”. Hoewel het Hof de vindplaats van die verantwoording heeft verruimd naar de (ruime) context van het belastingreglement en kan blijken uit het gemaakte onderscheid zelf, blijft de door advocaat-generaal THIJS opgemerkte ongelijkheid bestaan. - Anderzijds moet worden opgemerkt dat het Grondwettelijk Hof in zijn arrest van 5 november 2003 de volgende overweging maakte: “B.10.1. De fiscale bevoegdheid die bij artikel 170, §§ 3 en 4, van de Grondwet aan de provincies en de gemeenten wordt toegekend, kan niet zinvol worden vergeleken met de fiscale bevoegdheid van de federale Staat of van de gewesten: enerzijds, blijkt uit de voormelde grondwetsbepaling dat de bevoegdheid van de provincies en de gemeenten in die aangelegenheid ondergeschikt is aan die van de federale Staat, waarbij hun bevoegdheid om bepaalde belastingen op te leggen bij wet kan worden beperkt; anderzijds, brengt het statuut van de gewesten als deelentiteit specifieke gevolgen met zich mee op het vlak van hun fiscale bevoegdheid die hen, wat dat betreft, in een situatie plaatst die essentieel verschilt van die van de provincies en de gemeenten, die gedecentraliseerde entiteiten zijn”. Het Grondwettelijk Hof heeft zich in deze overweging niet uitgesproken over de beoordeling van het gelijkheidsbeginsel waardoor deze overweging geen rechtsgrond verstrekt aan de voormelde strengere houding ten aanzien van de motivering van de fiscale wetgeving van de lokale overheden. De door het Grondwettelijk Hof aangehaalde beperkingen op de fiscale autonomie van de lokale overheden verantwoordt niet dat de fiscale autonomie waarover ze (dan wel) beschikken aan andere motiveringsvereisten zou moeten voldoen. Verder stelt zich de vraag of ingevolge de toenemende decentralisatie en autonomie van de lokale besturen deze overweging uit 2003 thans nog draagkrachtig is
(14). - De lokale wetgever dient mijn inziens net zoals de nationale wetgever over de mogelijkheid te kunnen beschikken om ook tijdens de geschillenprocedure argumenten aan te voeren om het objectieve en redelijke karakter van de differentiatie te rechtvaardigen, ook al worden deze argumenten niet gedragen door de vermeldingen in het initiële belastingdossier of het belastingreglement zelf. - Gelet op het grondwettelijk statuut van het gelijkheidsbeginsel lijkt de verschillende wijze waarop dit grondrecht mag worden getoetst, afhankelijk van de overheid die de maatregel uitvaardigde, geen pertinent criterium van onderscheid. De essentie bij de beoordeling van een ingeroepen schending van het gelijkheidsbeginsel is het antwoord op de vraag of het gemaakte onderscheid naar redelijkheid kan worden verantwoord. Het volstaat dat er een redelijke verantwoording voor het onderscheid bestaat of kan bestaan. - Wanneer een norm die de belasting invoert, belastingplichtigen beoogt die zich in een verschillende toestand bevinden, moet zij die verscheidenheid noodzakelijkerwijze opvangen in vereenvoudigde categorieën; de regels van gelijkheid en discriminatie vereisen niet dat de norm de belasting aanpast naargelang de eigenheid van elk geval
(15). 2.3. De doelstellingen van de belasting en de doelstellingen van de vrijstellingen. - Waar de hoger gemaakte leidraad uitwijst dat de doelstelling van het belastingreglement essentieel is voor de verantwoording van de belasting en haar uitzonderingen, past het om daarbij een nuance te maken, die ook in deze zaak relevant is
(16). - Bij arrest van 29 januari 2021 oordeelde het Hof dat “een vrijstelling die duidelijk niet verenigbaar is met de doelstelling van de belasting niet wettelijk [is] en de omstandigheid dat de vrijstelling berust op sociale overwegingen kan daaraan in beginsel geen afbreuk doen”
(17). Deze overweging van het Hof wijst op het groot belang van de verantwoording van het doel van de belasting, in het bijzonder omdat (ook) de vrijstelling moet worden verantwoord in het licht van die doelstelling. - Een al te strikte interpretatie van deze overweging zou afbreuk kunnen doen aan de fiscale autonomie en beleidsvrijheid van de lokale overheden. De in de belastingreglementen voorziene vrijstellingen zijn veelal een uiting van een politiek compromis en beleidskeuze. Een vrijstelling kan blijk geven van een andere doelstelling of een ander (hoger) belang dat de overheid wil nastreven en een uitzondering vormt op de doelstelling van het belastingreglement. Daarmee kan de lokale wetgever te kennen geven dat de doelstelling van de belasting niet absoluut is en het aanvaardt dat die doelstelling niet volledig kan worden bereikt omdat die moet gedeeltelijk wijken voor andere (hogere) belangen en doelstellingen. Om die reden meen ik dat de hoger weergegeven overweging van het arrest van 29 januari 2021 nuancering verdient in de situatie waarin de gemaakte differentiatie kan worden verantwoord door het nastreven van een andere doelstelling, een (hoger) belang of beleidskeuze, anders dan het (eigen) belang dat doelstelling van het belastingreglement nastreeft. - Uiteraard laat dit geen willekeur toe en dient de vrijstelling, die een uitzondering voorziet op de belasting, redelijk te worden verantwoord. Die verantwoording dient echter niet enkel worden beoordeeld in het licht van de doelstelling van de belasting zelf, maar ook in het licht van een eventuele eigen doelstelling van de vrijstelling die op dezelfde (hoger vermelde) wijze kan worden verantwoord als de (eigen) doelstelling van het belastingreglement. - Het vaste rechtspraak van het Grondwettelijk Hof dat de fiscale wetgever over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt. De maatschappelijke keuzen die bij het inzamelen en het inzetten van middelen moeten worden gemaakt, behoren tot de beoordelingsbevoegdheid van de bevoegde wetgever. Het Grondwettelijk Hof en de hoven en rechtbanken, in toepassing van artikel 159 van de Grondwet, vermogen een dergelijke beleidskeuze, alsook de motieven die daaraan ten grondslag liggen, slechts af te keuren indien zij op een manifeste vergissing zouden berusten of indien zij kennelijk onredelijk zouden zijn
(18). Die overwegingen van het Grondwettelijk Hof gelden m.i. onverminderd voor lokale besturen. 2.4. De ‘in concreto-toets’. - Het is van belang te herhalen dat het niet volstaat vast te stellen dat de verantwoording van de gunstige regeling ook geldt voor andere belastingplichtigen die niet kunnen genieten van de gunstige regeling. Het Hof maakte die overweging in het belangrijke arrest van 3 september 2015, meer bepaald in de context van het verlaagde tarief in de algemene provinciebelasting voor agrarische bedrijven. Louter het gegeven dat bijvoorbeeld ook de uitbater van een zonnepark behoefte heeft aan grote oppervlakten grond om voldoende rendabel te zijn zoals agrarische bedrijven, volstaat niet om een schending van het gelijkheidsbeginsel vast te stellen en het belastingreglement buiten toepassing te laten
(19). - De zogenaamde ‘in concreto-toets’ dient in elk geval te worden gemaakt
(20). De toets houdt in dat de rechter moet onderzoeken of de belastingplichtige die de schending aanvoert in concreto wordt gediscrimineerd door de toepassing van het standaardtarief omdat hij deel uitmaakt van een categorie die op gelijke gronden de toepassing van de vrijstelling kan inroepen
(21). Dit houdt in dat er alleen sprake kan zijn van een schending van het gelijkheidsbeginsel als de belastingplichtige die van de gunstregeling is uitgesloten, concreet en op gelijke gronden vergelijkbaar is met de categorie die wel de gunstregeling geniet
(22). - In de voorliggende zaak stelt de eiseres dat de vrijstelling voor openbare besturen niet kan worden verantwoord in het licht van de doestelling van het belastingreglement. Die redenering kan worden gevolgd gelet op het doel van de belasting op de masten in pylonen, namelijk wegens “een substantiële invloed op de aantrekkingskracht van de gemeente [X] als woonomgeving. Naast de visuele hinder van de masten en pylonen is er ook de perceptie van het bestaan van een gezondheidsrisico wat tot gevolg heeft dat natuurlijke en rechtspersonen minder geneigd zijn zich te vestigen in de gemeente [X], hetgeen negatieve financiële consequenties voor de gemeente met zich meebrengt”. - Ten aanzien van deze motivering kan meteen worden opgemerkt dat, zoals blijkt uit de (hoger gemaakte) analyse, dat de gemeente de juistheid van deze motivering niet concreet moet bewijzen. - Evenwel kan niet ernstig worden betwist dat de doelstelling evenzeer geldt voor de masten en pylonen geplaatst door openbare diensten. In het licht van de doelstelling is er op zich geen redelijke verantwoording voor de vrijstelling van de masten en pylonen van openbare diensten: ze zijn even visueel en psychisch storend als de masten en pylonen van de eiseres. Volgens de analyse volstaat dit op zich niet om tot een schending van het gelijkheidsbeginsel te kunnen besluiten. De ‘in concreto-toets’ moet nog worden gemaakt (zie verder bij de bespreking van het middel). - Thomas DE JONCKHEERE stelt zich de vraag of de ‘in concreto-toets’ inhoudt dat de belastingplichtige moet bewijzen dat zijn situatie feitelijk identiek is aan de situatie van de vrijstelling. Volgens deze auteur kan de vrijstelling zodanig uniek zijn zodat ze niet meer zou moeten worden gemotiveerd en belastingplichtigen die zich toch in een gelijkaardige situatie bevinden, alsnog ongelijk zouden worden behandeld. Hij vreest dat een onverantwoorde ongelijke behandeling (“onwettige vrijstellingen”) niet meer zal leiden tot een strijdigheid van het gelijkheidsbeginsel omdat de ‘in concreto-toets’ te streng wordt toegepast
(23). - Zoals hoger vermeld, is het vaste rechtspraak van het Grondwettelijk Hof dat de fiscale wetgever over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt
(24). Het Grondwettelijk Hof en de hoven en rechtbanken mogen in toepassing van artikel 159 van de Grondwet een dergelijke beleidskeuze, alsook de motieven die daaraan ten grondslag liggen, slechts af te keuren indien zij op een manifeste vergissing zouden berusten of indien zij kennelijk onredelijk zouden zijn. Mijns inziens sluit een behoorlijke beoordeling door de rechter over de verantwoordingen van de doelstellingen en de uitzonderingen van de belasting de door de auteurs DE JONCKHEERE gevreesde situaties uit. Het komt het Hof toe het wettigheidstoezicht uit te oefenen en na te gaan of de rechter op basis van de vastgestelde feiten de gevolgen afleidt die naar recht zijn verantwoord
(25). 2.5. De gevolgen van een onverantwoorde of niet te verantwoorden differentiatie. - Indien de verschillende behandeling niet naar redelijkheid kan worden verantwoord, stelt zich de vraag naar de gevolgen daarvan
(26). - Er kan worden overwogen of het de rechter niet zou toekomen om de belastingplichtige op een grondwetsconforme wijze te behandelen. Het zonder meer buiten toepassing laten van het belastingreglement kan er immers toe leiden dat de gediscrimineerde belastingplichtige geen belasting meer verschuldigd is in vergelijking met zijn zelfde categorie van belastingplichtigen voor wie de differentiatie zich uit in een belastingvermindering of verlaagd tarief. Door in die situatie zonder meer het belastingreglement buiten toepassing te laten, wordt de gediscrimineerde beter behandeld. Het verder onderzoek van die vraag overstijgt echter het voorwerp van deze bespreking en houdt verband met de taak, rechtsmacht en bevoegdheid van de rechter. - Indien enkel voor de onderscheiden behandeling geen verantwoording blijkt
(27), maar de belastingschuldige niet slaagt in de ‘in concreto-toets’, bevat het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 5 juni 2018 de volgende interessante afwegingen: - ofwel de onwettige vrijstelling buiten toepassing laten, maar daarmee zou het toepassingsgebied van het reglement worden uitgebreid en zou de rechter zou zich op de stoel van het bestuur plaatsen;
(28)- ofwel een uitbreiding van de vrijstelling naar alle belastingplichtigen, maar daarmee zou het reglement zinledig worden; - ofwel het reglement buiten toepassing laten: enkel indien het reglement onbestaanbaar is zonder de vrijstelling, kan gesproken worden van onsplitsbaarheid en kan het geheel buiten toepassing worden gelaten
(29). - Met betrekking tot de afweging van de al dan niet onsplitsbaarheid van het belastingreglement verwijst het hof van beroep te Antwerpen naar het arrest van het Hof van 18 november 2005. In dat arrest oordeelde het Hof dat het betrokken belastingreglement een ondeelbaar geheel vormt en het gebrek van grondwettigheid het reglement in zijn geheel nietig maakt
(30). Het hof van beroep te Antwerpen overweegt mijns inziens terecht dat “met deze oplossing dient voorzichtig te worden omgesprongen, gelet op de fiscale autonomie van de gemeenten (artikel 170, § 4 Grondwet). Enkel indien het reglement onbestaanbaar is zonder de vrijstelling, kan gesproken worden van onsplitsbaarheid en kan het geheel buiten toepassing worden gelaten.”. Ook uit deze overwegingen kan worden afgeleid dat er geen redelijke verantwoording is om bij de beoordeling van het gelijkheidsbeginsel ten aanzien van wetgeving van lokale overheden een strengere houding aan te nemen dan ten aanzien van nationale wetgeving
(31). - Het hof van beroep te Antwerpen oordeelt in het arrest van 5 juni 2018 dat de vrijstelling geen essentieel onderdeel uitmaakt van het reglement, zodat er van onsplitsbaarheid geen sprake kan zijn. Het hof van beroep maakte deze overwegingen in een zaak gelijkaardig aan de huidige zaak. Net zoals in het bestreden arrest oordeelde het hof van beroep te Antwerpen dat de belastingplichtige niet concreet wordt gediscrimineerd omdat ze geen gemeente, OCMW of sociale woonorganisatie is, die (wel) is vrijgesteld van de leegstandsheffing. Het hof van beroep te Antwerpen oordeelt dat zelfs indien er geen verantwoording is voor de vrijstelling, de belastingplichtige niet concreet en op gelijke gronden wordt gediscrimineerd en zich dus niet op de schending van het gelijkheidsbeginsel kan beroepen. - Bij arrest van 28 juni 2001 oordeelde het Hof dat wanneer een bepaling van een gemeentelijke verordening niet conform de wetten is, de rechter niet mag weigeren de andere bepalingen van die verordening toe te passen
(32). Bij het hoger vermelde arrest van 18 november 2005 oordeelde het hof dat de bepalingen van het betrokken belastingreglement één en ondeelbaar zijn. Inmiddels heeft het Hof in zijn arrest van 31 januari 2021 als volgt geoordeeld over een niet verantwoorde vrijstelling
(33): “c’est à la condition que ces exonérations ne soient pas à ce point indissociables des autres dispositions du règlement que leur annulation commanderait celle du règlement en son intégralité » vrije vertaling: “het is op voorwaarde dat deze vrijstellingen zo onlosmakelijk met de andere bepalingen van de verordening zijn te scheiden dat de intrekking ervan die van de verordening in haar geheel zou vereisen”. Enkel indien de strijdige bepalingen onlosmakelijk verbonden zijn met de andere bepalingen van het belastingreglement leidt de strijdigheid tot het buiten toepassing verklaren van het gehele belastingreglement. - De vraag stelt zich hoe dit dient te worden beoordeeld. Wanneer is er sprake van “onlosmakelijk” of “onsplitsbaar” of is een onwettigheid dermate essentieel dat het gehele reglement erdoor wordt aangetast
(34)? Zowel Miguel als Thomas DE JONCKHEERE menen dat het zonder redelijke verantwoording niet belasten of vrijstellen van een bepaalde categorie belastingplichtigen wel degelijk de belastingheffing in haar geheel kan aantasten, maar dat dit niet betekent dat om het even welke vrijstelling of vermindering waaromtrent mogelijk vragen kunnen worden gesteld de belastingverordening steeds in haar geheel onbruikbaar maakt. Thomas DE JONCKHEERE stelt een kwantitatief en een kwalitatief criterium voor. Het kwantitatief criterium zou slaan op “hoeveel belastingplichtigen worden geïmpacteerd door de (onwettige) vrijstelling”
(35). Het kwalitatief criterium omvat een belangenafweging van de diverse actoren of afweging van de verschillende doelstellingen en de impact van de strijdige bepaling op het (gehele) belastingreglement. Een gelijkaardig inzicht is terug te vinden bij VAN HAEGHENBORG die voorstelt om gebruik te maken van het criterium “essentiële impact op de belastingheffing". Heeft de onrechtmatige vrijstelling een essentiële impact, dan moet aangenomen worden dat de belastingheffing zelf de wet schendt. Indien de onwettige vrijstelling slechts een geringe impact heeft op het doel van de belasting, kan het belastingreglement voor het overige overeind blijven
(36). Deze criteria lijken mij zinvol. Het staat aan de rechter de beoordeling over de al dan niet afsplitsbaarheid van een onwettigheid te motiveren. - Thomas DE JONKHEERE meent dat in de volgorde van het redeneerproces men eerst moet nagaan of de betwiste bepaling over de (beweerde) ongelijke behandeling al dan niet essentieel is, alvorens de verantwoordingen en ‘in concreto-toets’ te onderzoeken
(37). Nochtans lijkt het erop dat het onderzoek over de onsplitsbaarheid of het essentieel karakter van de eventuele vrijstelling op zich onvermijdelijk het voormeld kwantitatief en kwalitatief onderzoek inhoudt van de belangen, de doelstellingen, hun verantwoordingen en de impact of relevantie ervan. Zelfs al wordt volgens het standpunt van Thomas DE JONCKHEERE vooraf een vrijstelling als essentieel aangemerkt, dient in elk geval de verantwoording ervan te worden nagegaan alvorens kan worden besloten dat er een strijdigheid van het gelijkheidsbeginsel voorligt. 2.6. Bespreking van het middel. In toepassing van de ‘in concreto-toets’ stelt de appelrechter vast dat de eiseres zich niet in een vergelijkbare categorie bevindt als een openbaar bestuur, namelijk omdat de eiseres “immers geen openbaar bestuur” is
(38). De appelrechter motiveert het onderscheid verder als volgt: “[Eiseres] toont verder niet aan dat zij door de in het algemeen geformuleerde vrijstelling voor openbare besturen en andere openbare inrichtingen en instellingen gediscrimineerd wordt". De appelrechter motiveert de verschillende categorieën met het pertinente criterium van het al dan niet commercieel karakter van de dienst, namelijk: - enerzijds de categorie: uitsluitend voor “diensten van openbare besturen en andere openbare inrichtingen en instellingen”; - anderzijds hetzij deze met een “(minstens deels) commercieel karakter”; - De appelrechter stelt vast dat het verschil in behandeling (evident) wordt verantwoord door het al dan niet commercieel karakter van de dienst. Daaruit blijkt dat de eiseres niet anders wordt behandeld louter om de enkele vaststelling dat ze tot een andere categorie behoort. Met deze redenen beantwoordt en verantwoordt de appelrechter de beslissing dat de eiseres niet aantoont dat ze op gelijke gronden als de openbare besturen en openbare instellingen aanspraak kan maken op een vrijstelling. Anders dan waar het middel van uitgaat, beantwoordt de appelrechter wel het verweer. Het middel, dat niet gelijkstaat aan een gebrek aan redenen, houdt geen verband met artikel 149 van de Grondwet. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. In zoverre het middel ervan uitgaat dat de appelrechter de rechtvaardiging van het verschil in behandeling niet uit de bestreden reglement zelf afleidt en niet aangeeft uit welk stuk van het dossier hij de rechtvaardiging afleidt, berust het op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag. In zoverre het middel ervan uitgaat dat de appelrechter de verschillende behandeling van de eiseres verantwoordt met de enkele vaststelling dat de eiseres tot een andere categorie behoort, berust het op een onvolledige lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. In zoverre het middel ervan uitgaat dat de rechter de verantwoording voor de verschillende behandeling niet mag afleiden uit de aard van de gemaakte differentiatie, faalt het naar recht. - De door de appelrechter vastgestelde verantwoording voor de verschillende behandeling lijkt mij duidelijk en evident of vanzelfsprekend te volgen uit de differentiatie zelf. De vrijstelling geldt voor openbare besturen en de eiseres is geen openbaar bestuur. De vraag stelt zich of dit objectief verschil op zich een pertinent criterium is in het licht van de aard en het doel van de belasting. Zoals hoger opgemerkt, is de stelling verdedigbaar dat louter dit criterium van onderscheid als niet pertinent wordt aangemerkt omdat ook de masten en pylonen van openbare diensten visueel en psychisch storend zijn. De vrijstelling voor openbare diensten beoogt een eigen doelstelling die een afwijkt van de doelstelling van de belasting, zoals hoger toegelicht. - In gelijkaardige zaken van lokale belastingen op masten en pylonen die een gelijkaardige vrijstelling voorzien voor openbare besturen oordeelde ook het hof van beroep te Antwerpen dat telecomoperatoren zich niet op een schending van het gelijkheidsbeginsel kan beroepen ze geen openbaar bestuur zijn en dat die vrijstelling, zelfs indien niet redelijk verantwoord, niet essentieel is
(39). - De stelling dat de vrijstelling voor niet-commerciële openbare diensten niet verenigbaar is met het sturend doel van de belasting zou eveneens kunnen worden aangenomen ten aanzien van de vrijgestelde windmolens voor groene stroom. Ook windmolens kunnen worden geacht visueel en psychisch storend te zijn. Van de windmolens wordt wel (evident) de vrijstelling aanvaard omdat de vrijstelling een andere doelstelling nastreeft en een belang dient dat als hoger wordt aangemerkt dan het belang van de met de belasting te bereiken doelstelling. Zoals hoger opgemerkt mag het belang van de doelstelling van de belasting voor haar verantwoording en voor de verantwoording van de vrijstellingen niet uitsluiten dat afwijkende regelingen redelijk kunnen worden verantwoord door andere doelstellingen en beleidskeuzes. Een te groot belang hechten aan het sturend doel van de belasting kan leiden tot een aantasting van de fiscale autonomie van de lokale besturen die immers geen uitzonderingen meer zouden kunnen voorzien op een doelstelling. - Voor zoveel als nodig kan (hier) de belastingvrijstelling voor openbare diensten evident worden verantwoord met de volgende redenen: - de openbare dienst heeft geen commercieel karakter
(40); - de openbare dienst vervult een taak voor het algemeen belang; - een belasting opleggen aan de overheid is een nuloperatie of “broekzak-vestzak” verrichting
(41); - met het belasten van openbare diensten ondermijnt en bemoeilijkt de overheid haar (of verschillende overheden hun) eigen werking en ontneemt ze haarzelf de middelen ten behoeve van het algemeen belang; - de ingevolge de belasting (bijkomend) ontstane administratieve lasten en kosten kunnen niet meer voor het algemeen belang worden ingezet; - de noodzaak van de mast/pyloon voor de openbare dienst en het algemeen belang overstijgt het doel van de visuele en psychische hinder; de masten en pylonen zijn bijvoorbeeld noodzakelijk voor de radiocommunicatie van de hulp- en veiligheidsdiensten
(42); - de vrijstelling werkt niet concurrentieverstorend; - het doel van de vrijstelling, namelijk het onbelast toelaten van de uitoefening van het algemeen belang van de openbare dienst, primeert of is een aannemelijk hoger belang waarvoor het doel of het belang van de belasting (de hinder) moet wijken; - Hoewel niet vergelijkbaar met openbare diensten, dient erop te worden gewezen dat er ook rechtspraak is over lokale belastingen, waarbij veelal enkel wordt verwezen naar de financiële toestand van de gemeente, en de niet gemotiveerde vrijstelling voor publiekrechtelijke rechtspersonen of autonome gemeentebedrijven en sociale woonorganisaties strijdig werd bevonden met het gelijkheidsbeginsel
(43). In die rechtspraak werd de ‘in concreto-toets’ (nog) niet toegepast. - Zelfs indien in de thans voorliggende zaak wordt aangenomen dat de vrijstelling voor openbare besturen niet redelijk kan worden verantwoord, blijkt niet dat deze vrijstelling onsplitsbaar, ondeelbaar of onlosmakelijk is verbonden met de andere bepalingen van het belastingreglement, waardoor de eventueel onverantwoorde vrijstelling voor openbare diensten niet noodzakelijk leidt tot het buiten toepassing (moeten) laten van het gehele belastingreglement. In zoverre het middel ervan uitgaat dat een niet verantwoorde vrijstelling [noodzakelijk] een schending inhoudt van het gelijkheidsbeginsel, faalt het naar recht. In zoverre het middel ervan uitgaat dat een niet verantwoorde vrijstelling [noodzakelijk] ertoe leidt dat het belastingreglement in zijn geheel buiten toepassing dient te worden gelaten, faalt het naar recht. - De appelrechter oordeelt dat het verschil in behandeling tussen masten en pylonen, geplaatst door diensten van openbare besturen en andere openbare inrichtingen en instellingen enerzijds en masten en pylonen geplaatst door andere belastingplichtigen anderzijds, verantwoord is. In zoverre het onderdeel gericht is tegen het oordeel van de appelrechter over de gevolgen van een niet verantwoorde ongelijke behandeling tussen openbare besturen en andere openbare inrichtingen en instellingen enerzijds en andere belastingplichtigen anderzijds, komt op tegen een ten overvloede gegeven reden en is het, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. 3. Besluit: verwerping. _____________________________________
(1)E. VAN DOOREN, “Gemeentebelastingen en het gelijkheidsbeginsel” in M. De Jonckheere (ed.), Topics lokale bedrijfsbelastingen, Antwerpen, Intersentia 2008,
(25), 35 e.v.; J. BOURTEMBOURG, N. FORTEMPS, C. MOLITOR et F. BELLEFLAMME, “Fiscalité communale et principe d’égalité. Des différences de traitement établies par les règlements-taxes et de leur justification”, RGCF, 2016, p. 65.
(2)Cass. 3 september 2015, AR C.13.0247.N, AC 2015, nr. 479, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150903.1, r.o. 1; M. DE JONCKHEERE, “Het wie, wat en wanneer van de verantwoording van differentiaties”, TFR 2016, nr. 494, 97; P. VAN DER STRATEN en P. BORMS, “Nieuwe wending inzake het gelijkheidsbeginsel in lokale belastingen?”, noot onder Cass. 3 september 2015, LRB 2016, nr. 1, 38.
(3)Een interessante invulling van het begrip “context” en de relevantie ervan is te vinden het arrest van het hof van beroep te Gent van 4 februari 2020, 2018/AR/2184: “De ‘context’ waarvan sprake, omvat in wezen een geheel van relevante (feitelijke en juridische) gegevens waarvan men kan aannemen dat ze in het belastingreglement niet expliciet moeten genoemd worden. Reden om dat aan te nemen kan onder andere zijn dat het onbegonnen werk is om alle ‘omgevende’ factoren die tot het nemen van bepaalde beslissingen doen beslissen, te vermelden. Ook een reden daarvoor kan zijn dat het ‘nogal vanzelfsprekend’ is (vanuit een soort onderliggende, verzwegen logica en/of kennis) dat de gemeenteraadsleden ermee rekening gehouden hebben of geacht mogen worden ermee rekening te hebben gehouden. Aannemen dat de ‘context’ niet in aanmerking mag genomen worden bij de vraag of een verschillende behandeling van vergelijkbare situaties door een belastingreglement redelijk verantwoord is getoetst aan het doel en de gevolgen van de ingestelde belasting en aan de redelijkheid van de verhouding tussen de aangewende middelen en het beoogde doel, zou een miskenning inhouden van de werkelijkheid waarin de wetgever zijn taak moet vervullen”.
(4)Cass. 3 september 2015, AR C.13.0247.N, AC 2015, nr. 479, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150903.1, r.o. 5.
(5)Cass. 25 juni 2021, AR F.20.0024.N, r.o. 5, echter niet gepubliceerd op juportal, LRB, 2021 (samenvatting), afl. 3-4, 103.
(6)Deze stap houdt (meteen) de zogenaamde ‘in concreto-toets’ in die het Hof introduceerde in het arrest van 3 september 2015.
(7)Cass. 1 oktober 1999, AR F.98.0111.N, AC 1999, nr. 496, ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19991001.5, TFR 2000, nr. 174, 80.
(8)Hierbij kan worden opgemerkt dat de Raad van State een gedeeltelijke vernietiging van het belastingreglement mogelijk acht, R.v.St. 24 december 2013 nr. 225.950. Dit doet de vraag rijzen of de rechter (bijvoorbeeld) het belastingreglement gedeeltelijk buiten toepassing kan laten op grond van artikel 159 GW. Op die vraag wordt verder gepoogd een antwoord te geven.
(9)Waar het Hof bij arrest van 18 november 2005 (JLMB 2007, afl. 3, 101; RGCF 2005, nr. 5, p. 338 met noot H. LOUVEAUX) oordeelde dat de bepalingen van een belastingverordening een onsplitsbaar geheel uitmaken, daar zij alle betrekking hebben op een belasting die in strijd met het gelijkheidsbeginsel is ingevoerd, en dat de ongrondwettigheid van één bepaling van het belastingreglement, maakt het gehele belastingreglement nietig, oordeelde het bij arrest van 31 januari 2020 dat is zulks enkel het geval is voor zover en in de mate dat die vrijstellingen “onlosmakelijk met de verordening verbonden zijn dat de nietigverklaring van die vrijstellingen de nietigverklaring van de gehele verordening zou vereisen”, Cass. 31 januari 2020, AR F.18.0054.F, AC 2020, nr. 91, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200131.1F.3.; G. VAN HAEGENBORGH, “De door een hogere rechtsnorm veroorzaakte onmogelijkheid om een belasting te heffen bij een bepaalde categorie van belastingplichtigen kan uitzonderlijk de rechtsgeldigheid van de gehele gemeentebelasting aantasten”, T.Gem., 2014/4, 272, nr. 6; T. DE JONCKHEERE, “Afsplitsbaar als synoniem voor niet essentieel: naar een gelijkheidsbeginsel zonder inhoud”, LRB, 2020/1, 19.
(10)Cass. 3 september 2015, AR C.13.0247.N, AC 2015, nr. 479, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150903.1, r.o. 5.
(11)Concl. van advocaat-generaal THIJS bij Cass. 3 september 2015, AR C.13.0247.N, AC 2015, nr. 479, ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150903.1.
(12)GwH nr. 81/ 2011, 18 mei 2011, A.GrwH. 2011, afl. 3, 1461.
(13)L. VANDENBERGHE, “De motivering van gemeentebelastingen in het kader van de toetsing van de eerbiediging van het non-discriminatiebeginsel: naar een niet-discriminerende behandeling van de gemeenten?”, TFR, 2011, afl. 411 , 917.
(14)Zoals blijkt uit het Decreet Lokaal Bestuur van 22 december 2017; WINDEY J., “Inleiding: de krachtlijnen van het Decreet Lokaal Bestuur”, T.Gem. 2018, afl. 3-4, 170-174; zie ook de Beleidsnota 2019-2024 Binnenlands Bestuur en Stedenbeleid, ingediend door Bart Somers, viceminister-president van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van Binnenlands Bestuur, Bestuurszaken, Inburgering en Gelijke Kansen, Binnenlands Bestuur en Stedenbeleid, https://publicaties.vlaanderen.be/view-file/32209 .
(15)Cass. 16 juni 2016, AR F.15.0089.N, AC 2016, nr. 408, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160616.7, met gelijkluidende concl. van advocaat-generaal THIJS, ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160616.7.
(16)Zie hierna onderaan de ‘in concreto-toets’, samengevat: het volstaat mijns inziens niet om vast te stellen dat de vrijstelling voor openbare diensten onverenigbaar is met het sturend doel van de belasting, namelijk de compensatie voor de visuele en de psychische hinder die er evenzeer is bij die masten en pylonen, om daaruit te besluiten van de vrijstelling niet wordt verantwoord en het gelijkheidsbeginsel is geschonden.
(17)Cass. 21 oktober 2022, AR F.21.0108.N, AC 2022, nr. 669, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221021.1N.8; Cass. 29 januari 2021, AR F.19.0064.N, AC 2021, nr. 88, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210129.1N.21.
(18)Gwh. 21 september 2023, arrestnr. 124/2023, ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.124, r.o. B.4.3.
(19)Cass. 3 september 2015, AR C.13.0247.N, AC 2015, nr. 479, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150903.1, r.o. 1.
(20)Door die toets niet te hebben gemaakt, oordeelde het Hof in zijn arrest van 3 september 2015 dat het eerste onderdeel gegrond was. Op basis van die overwegingen kan worden aangenomen dat de toepassing van de ‘in concreto-toets’ in het voorbeeld van het zonnepark, geen schending zou worden vastgesteld aangezien een zonnepark geen agrarisch bedrijf is.
(21)Hoewel de Franstalige kamer van het Hof de woorden “in concreto” nog niet lijkt te hebben gebruikt, blijkt uit de volgende arresten en bewoordingen dat ook de Franstalige kamer een gelijkaardige afweging toepast: Cass. 8 april 2011, AR F.10.0045.N, AC 2011, nr. 258, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110408.5: namelijk dat de belastingschuldige een eigen belang moet hebben omdat het reglement «impose de manière discriminatoire une catégorie de personnes à laquelle il appartient et que sans aucune justification légale il n’impose pas une autre catégorie de personnes»; zie ook Mons, 4 septembre 2019, RFRL, 2020/1, p. 66.
(22)Cass. 25 juni 2021, AR F.20.0024.N, (niet gepubliceerd op Juportal), LRB, 2021 (samenvatting), afl. 3-4, 103; T. DE JONCKHEERE, “Cassatie bevestigt: belastingplichtige kan enkel schending gelijkheidsbeginsel inroepen als situatie in concreto vergelijkbaar is”, Fisc. Act., nr. 2021/26, 13. Dit cassatiearrest van 25 juni 2021 was gericht tegen een arrest van het hof van beroep te Gent van 23 april 2019 met rolnummer 2017/AR/2113, in de zaak van de telecomoperator Orange nv tegen de gemeente Kluisbergen. Het hof van beroep achtte de vrijstelling voor “constructies die dienen voor louter recreatief gebruik en voor openbare hulpverlenings- en veiligheidsdiensten” wel strijdig met het gelijkheidsbeginsel. Het hof van beroep laat uitschijnen dat omdat ze ook gold voor recreatiebedrijven, zonder dat die vrijstelling werd verantwoord. Bij arrest van 25 juni 2020 verbrak het Hof dit arrest opdat de appelrechter had nagelaten de ‘in concreto-toets’ toe te passen.
(23)DE JONCKHEERE T., “Het fiscale gelijkheidsbeginsel: hof van beroep Antwerpen geeft invulling aan Cass. 3 september 2015, nieuwe vragen ontstaan”, LRB, 2018/4, 19; T. DE JONCKHEERE, “Afsplitsbaar als synoniem voor niet essentieel: naar een gelijkheidsbeginsel zonder inhoud”, LRB, 2020/1, 10. Deze bespreking is een noot bij het arrest van het hof van beroep te Gent van 11 februari 2020, 2019/AR/458, LBR, 2020/1, 5: Hoewel de vrijstelling voor lokale handelaren die reclame maken voor de eigen zaak in de belasting op niet-geadresseerd drukwerk niet verantwoord is, leidt dit niet tot een schending van het gelijkheidsbeginsel omdat de betrokken belastingplichtige zich niet concreet in dezelfde categorie bevindt, namelijk omdat hij is gevestigd buiten de gemeente en reclame maakt voor meerdere handelszaken.
(24)Gwh. 21 september 2023, arrestnr. 124/2023, ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.124, r.o. B.4.3.: “(…) Fiscale maatregelen maken immers een wezenlijk onderdeel uit van het sociaal-economische beleid. Zij zorgen niet alleen voor een substantieel deel van de inkomsten die de verwezenlijking van dat beleid mogelijk moeten maken, maar zij laten de bevoegde wetgever ook toe om sturend en corrigerend op te treden en op die manier het sociale en economische beleid vorm te geven”.
(25)Zonder dat het bestuur het onderscheidcriterium moet bewijzen, moeten de redenen wel redelijk aannemelijk zijn. Zo is bijvoorbeeld de verschillende behandeling van ‘bars, privéclubs en rendez-vous huizen’ of van ‘bank- en financiële instellingen’, zonder enige aanduiding te geven van de voorgehouden verschillende hinder en overlast, niet redelijk verantwoord. Cass. 15 februari 2013, AR F.12.0042.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130215.4, AC 2013, nr. 113; Gent 23 april 2019, 2018/AR/558, (samenvatting DE JONCKHEERE, M.), LRB, 2019/2, 57. Ook de mediagevoelige problematiek van de zogenaamde tweedeverblijftaks van kustgemeenten die geen aanvullende gemeentebelasting heffen, is een voorbeeld waarin het hof van beroep te Gent vaststelt dat er geen redelijke verantwoording bestaat om bepaalde kosten (voorzieningen, inrichting, veiligheid, …) enkel ten laste te leggen van de tweedeverblijvers en niet van de eigen inwoners: Gent, 12 maart 2013, 2012/AR/1006 (inzake Koksijde), TFR 2016 (samenvatting), afl. 498, 305; Gent 21 december 2021, 2020/AR/1311 (De Panne), niet gepubl. (waartegen de cassatievoorziening F.22.0138.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231221.1N.2); Gent 2 mei 2023, 2022/AR/134 (Knokke-Heist), besproken door JANSSENS K., Heffing tweede verblijven lijkt niet meer te redden in kustgemeenten zonder aanvullende belasting op personenbelasting, Fisc.Act., 2023, nr. 22, 4; L. MAES, Belasting op tweede verblijven ter ontmoediging van tweede verblijven?, Fisc., 14.06.2023, nr. 1795, 7.
(26)Hoewel (enkel wat betreft het gelijkheidsbeginsel?) de ‘in concreto-toets’ steeds moet worden gemaakt, stelt zich deze vraag indien het reglement een (andere?) onwettigheid bevat.
(27)Het hof van beroep stelt in het arrest van 5 juni 2018 vast dat er voor de vrijstelling geen verantwoording is volgens de criteria van het arrest van het Hof van 3 september 2015, zonder zelf verder na te gaan of die verantwoording naar redelijkheid bestaat of kan bestaan.
(28)De gediscrimineerde belastingschuldige heeft bij deze optie weinig belang aangezien zijn (fiscale) situatie daarmee niet zal verbeteren.
(29)Antw. 5 juni 2018, 2007/AR/600, LRB, 2018, afl. 4, 4, met noot DE JONCKHEERE T., “Het fiscale gelijkheidsbeginsel: hof van beroep Antwerpen geeft invulling aan Cass. 3 september 2015, nieuwe vragen ontstaan”.
(30)Cass. 18 november 2005, AR F.04.0053.F, AC 2005, nr. 609, ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051118.22, JLMB, 2007, afl. 3, p. 101 en RGCF, 2005, nr. 5, p.338 met noot H. LOUVEAUX. Waar het Hof hier stelt dat het belastingreglement in zijn geheel nietig is (“nul en son entier”), meen ik dat in toepassing van artikel 159 van de Grondwet voorkeur kan worden gegeven aan de bewoordingen dat het belastingreglement in zijn geheel buiten toepassing dient te worden gelaten.
(31)Zie hoger onder de rubriek ‘de vindplaats van de motivering van de doelstellingen en de uitzonderingen’.
(32)Cass. 28 juni 2001, AR F.00.0024.F, AC 2001, nr. 410, ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010628.18.
(33)Cass. 31 januari 2020, AR F.18.0054.F, AC 2020, nr. 91, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200131.1F.3, met concl. van procureur generaal HENKES, ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200131.2
(34)Gent 11 februari 2020, 2019/AR/458, LBR, 2020/1, 5, met kritische noot van T. DE JONCKHEERE. Opmerkelijk in dit arrest is de overweging dat de ongelijke behandeling niet wordt gemotiveerd maar er wel een verantwoording voor kan bestaan, doch het niet de rechter toekomt die zelf te geven.
(35)DE JONCKHEERE T., “Het fiscale gelijkheidsbeginsel: hof van beroep Antwerpen geeft invulling aan Cass. 3 september 2015, nieuwe vragen ontstaan”, LRB, 2018/4, 20.
(36)G. VAN HAEGENBORGH, “De door een hogere rechtsnorm veroorzaakte onmogelijkheid om een belasting te heffen bij een bepaalde categorie van belastingplichtigen kan uitzonderlijk de rechtsgeldigheid van de gehele gemeentebelasting aantasten”, T.Gem., 2014/4, 272, nr. 6
(37)T. DE JONCKHEERE, “Afsplitsbaar als synoniem voor niet essentieel: naar een gelijkheidsbeginsel zonder inhoud”, LRB, 2020/1, 19.
(38)Ook het hof van beroep te Antwerpen oordeelde in die zin. In zijn arrest van 5 juni 2018 oordeelt het hof van beroep te Antwerpen dat er geen verantwoording is voor de vrijstelling van de leegstandsheffing voor gemeenten, OCMW’s en sociale woonorganisaties maar dat de belastingplichtige niet concreet gediscrimineerd wordt omdat het geen gemeente, OCMW of sociale woonorganisatie is: Antw. 5 juni 2018, 2007/AR/600, LRB, 2018/4, 4, met noot DE JONCKHEERE, T., “Het fiscale gelijkheidsbeginsel: hof van beroep Antwerpen geeft invulling aan Cass. 3 september 2015, nieuwe vragen ontstaan”.
(39)Antw. 29 mei 2018, LRB 2018, nr. 4, 23; Antw. 27 november 2018, LRB 2018/4, 64; Antw. 4 december 2018, LRB 2019/1, 54; Antw. 9 april 2019, LRB 2019/3, 21; Antw. 16 september 2019, LRB 2019/4, 33; zie ook Gent 12 maart 2019, LRB 2019/1, 98; Gent 26 november 2019, LRB 2019/4, 62.
(40)K. ROSSIGNOL, “Subjectgerichte vrijstellingen ten aanzien van lokale belastingen: op zoek naar een hedendaagse verantwoording voor de fiscale vrijstelling ten gunste van publiekrechtelijke instellingen”, LRB, 2010/2-3, 109.
(41)Gent, 12 maart 2019, 2018/AR/40, (samenvatting DE JONCKHEERE, M.), LRB 2019/1, 98.
(42)De appelrechter merkt (logisch) op dat de vrijstelling niet geldt indien een openbare inrichting tegelijk (minstens deels) commerciële diensten toelaat.
(43)Luik 11 mei 2007, FJF 2009, afl. 3, 339; Cass. 11 september 2014, AR F.13.0175.F, arrest niet gepubliceerd, RFRL 2015, afl. 1, 52; Antwerpen, 6 oktober 2015, 2014/AR/2640, (samenvatting DE JONCKHEERE, M.), LRB 2015/3, 33; TBO 2016, afl. 5, 448; Brussel, 14 maart 2017, 2014/AF/88, Fisc., 2017, afl. 1517, 12; LRB 2017/4, 35, noot BORMS, P. VAN DER STRATEN. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231109.1N.6 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231109.1N.6 citeert: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19991001.5 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010628.18 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051118.22 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110408.5 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130215.4 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150903.1 ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150903.1 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160616.7 ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160616.7 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200131.1F.3 ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200131.2 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210129.1N.21 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221021.1N.8 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231221.1N.2 ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.124 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div