← België

N.-B. M. bv contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 23 november 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231123.1N.1 Rolnummer: C.23.0023.N Zaak: N.-B. M. bv contra D. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2024-02-12 Raadplegingen: 1004 - laatst gezien 2026-06-18 20:18 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231123.1N.1 Fiche Een natuurlijke persoon kan slechts als onderneming in de zin van artikel I.1, eerste lid, 1°, WER worden gekwalificeerd, wanneer hij aantoont een organisatie te vormen, bestaande uit een geheel van eigen materiële, financiële of menselijke middelen samengebracht met het oog op het uitoefenen van een zelfstandige beroepsactiviteit

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - BEGRIP. VEREISTEN VAN HET FAILLISSEMENT Vrije woorden: Bestuurder van een rechtspersoon - Natuurlijke persoon - Onderneming - Organisatie - Begrip Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. I.1, eerste lid, 1° - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Annotaties Publicaties: TBH-Tijdschrift voor Belgisch handelsrecht - 2024, n° 3, p. 320-
  1. - DEVOLDER, Bram; DE MAREZ, Dominique; Noot'De bestuurder: onderneming mits organisatie' TRV-Tijdschrift voor rechtspersoon en vennootschap - 2024, nr. 3, p. 262-
  2. - VANWALLEGHEM, Isabelle; APPERMONT, Niels; Noot'De kwalificatie van bestuurders als onderneming: errare humanum est, sed perseverare' Tekst van de conclusie C.23.0023.N Conclusie van de advocaat-generaal Vanderlinden:
  3. Eiseres tot cassatie komt op tegen een arrest van het Hof van Beroep Antwerpen gewezen op 13 oktober
  4. Door eiseres wordt er één middel aangevoerd.
  5. Het middel. a. Probleemstelling. De problematiek die aan de orde is in het middel betreft de invulling van het begrip “onderneming” in artikel I.1, eerste lid 1° WER wanneer het gaat om een natuurlijke persoon bestuurder van een rechtspersoon, die buiten het mandaat van bestuurder dat hij vervult, geen andere zelfstandige beroepsactiviteit uitoefent. Inzonderheid betreft dit de vraag of het begrip “organisaties” dat aan te treffen is in het voormelde artikel een bijkomende voorwaarde vormt dan wel dat er slechts sprake is van twee voorwaarden, zijnde het uitoefenen van een professionele activiteit en dit als zelfstandige. De appelrechters waren van oordeel dat “organisaties” geen bijkomende voorwaarde vormt en oordeelden dat een natuurlijke persoon die op zelfstandige basis een beroepsactiviteit uitoefent een onderneming is in de zin van artikel I.1, eerste lid, 1° WER
(1). b. Beoordeling. Ik deel de opvatting van de appelrechters niet. Betreffende deze problematieke sluit ik mij aan bij de rechtspraak van Uw Hof. Dit betreft Uw arresten van 18 maart 2022 en 9 februari 2023
(2). Vooreerst moet opgemerkt worden dat de visie dat een begrip, die in een wettekst voorkomt, en een inhoudelijke betekenis heeft, bij de interpretatie van de desbetreffende wettekst terzijde moet worden gelaten wanneer de regelgever zich niet verder over de inhoud en/of de toepassing ervan heeft uitgesproken niet te onderschrijven is. Niet iedere term/woord van een wettekst wordt of moet immers door de wetgever gedefinieerd, of zijn toepassing geëxpliciteerd, worden. Tevens wordt in de voorbereidende werken van een wet door de wetgever niet aan ieder passage, of zelfs ieder artikel, tekst en uitleg gegeven over de strekking ervan. Dit vereisen zou inhouden dat talloze begrippen in wetteksten terzijde zouden moeten worden gelaten waardoor de desbetreffende bepalingen eventueel ontoepasbaar zouden worden. Bij het lezen van de ter debat staande wetsbepaling dient bovendien vastgesteld te worden dat indien men de passage “elk van volgende organisaties” uit het desbetreffende artikel wegdenkt de wettekst even betekenisvol is doch tevens, bij die lezing, een totaal andere strekking krijgt. Met de desbetreffende passage wordt derhalve aan de toepassing van deze bepaling een bijkomende connotatie gegeven. En wel in die zin dat “organisatie” een essentieel element is van de definitie van wat een onderneming is. De definitie “onderneming” zoals ze thans, met uitzondering van de kwestieuze passage, in het WER voorkomt, vindt haar origine in de wet van 11 augustus 2017
(3). Daar kan men in artikel 3, wanneer het gaat over boek XX “Insolventie van ondernemingen” lezen: "Titel 1. Algemene beginselen. Hoofdstuk 1. – Toepassingsgebied. Art. XX.1. § 1. Voor de toepassing van dit boek zijn ondernemingen: (
  1. a)iedere natuurlijke persoon die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent; (
  2. b)iedere rechtspersoon; (
  3. c)iedere andere organisatie zonder rechtspersoonlijkheid. …” Het is dus eigenlijk een identieke bepaling zoals die thans aan te treffen is in artikel I.1 WER zij het dat de zinsnede “elk van volgende organisaties” er niet in voorkomt
(4). Het aspect “organisaties” kwam evenwel reeds naar voor in de voorbereidende werken van de wet van 2017. In de Memorie van toelichting, wanneer het aspect “toepassingsgebied” aan bod komt, kan men lezen: “De overname van het algemeen begrip onderneming in boek XX impliceert een verruiming van het toepassingsgebied van de insolventieregeling. Deze is niet meer gericht op kooplieden en handelsvennootschappen, maar strekt ertoe alle mogelijke vormen van organisaties te omvatten, zodat zij én kunnen genieten van de mogelijkheden van een reorganisatie én onderworpen kunnen worden aan een faillissementsprocedure die leidt tot vereffening”
(5). Het artikel 3 van de wet van 2017 treedt nooit in werking. Ze wordt op de datum waarop de inwerkingtreding voorzien was, vervangen door artikel 215 van de wet van 15 april 2018
(6). Het artikel 35 van deze laatste wet voert de huidige tekst in, met de ter discussie staande passage. Hiermee wordt de omschrijving van het begrip onderneming die haar oorsprong vond in het insolventierecht, zij het met een toevoeging, gehanteerd als algemene definitie van het voormelde begrip. Het opzet van de regelgever met de nieuwe definitie van het begrip onderneming, zoals in aanmerking genomen in de wet van 2018 was om enerzijds komaf te maken met verouderde begrippen, zoals bijvoorbeeld handelaar, en anderzijds een oplossing te geven aan de problemen die de tot dan gehanteerde definitie van onderneming, namelijk het materieel criterium ”economisch doel nastreven”, in het leven had geroepen. Dit wordt bewerkstelligd door in de plaats van materiële criteria formele criteria in aanmerking te nemen. Eén en ander met als opzet om een ruime invulling te geven aan het begrip onderneming zodat alle actoren die economisch actief zijn hierin worden inbegrepen
(7). Door het hanteren van formele criteria zal het begrip “onderneming” zich niet karakteriseren door zijn activiteit of doel maar wel door de wijze waarop materiële, financiële en menselijke middelen worden aangewend
(8). In Boek XX van het WER “Insolventie van Ondernemingen” wordt de schuldenaar, op grond van wat te lezen is in artikel I.22, 7/1° en 8° WER, gedefinieerd als een onderneming in de zin van artikel I.1 WER
(9). Betreffende het insolventierecht komt de hoger gehanteerde omschrijving van wat begrepen dient te worden als “organisaties” en waarom dit onlosmakelijk deel uitmaakt van het begrip “onderneming” het duidelijkst naar voor. Eén van de krachtlijnen van het insolventierecht is door het creëren van een “tweede kans” het ondernemerschap te bevorderen en een nieuwe start mogelijk te maken
(10)
(11). Het insolventierecht is, in het kader van het ondernemingsrecht, een correctiemechanisme op het door het ondernemen gecreëerd ondernemingsrisico. Namelijk, door de inzet van materiële, financiële en menselijke middelen zich blootstellen aan risico’s die een niet-onderneming niet loopt, zoals er zijn debiteurenrisico, marktomstandigheden, reputatieschade, productiestoringen…. Het is duidelijk dat een bestuurder van een rechtspersoon die geen andere zelfstandige activiteit uitoefent buiten dit mandaat niet als een onderneming kan worden gedefinieerd indien er geen inzet is van eigen materiële, financiële en menselijke middelen waardoor er inderdaad geen sprake is van een ondernemingsrisico. Hieruit volgt dat de functie van bestuurder op zich niet uitsluit dat deze een onderneming vormt, en zodoende onder de toepassing van Boek XX WER valt, evenwel op voorwaarde dat er sprake is van een organisatie. Op deze wijze wordt er een duidelijke demarcatie gedaan voor de toepassing van, ofwel het insolventierecht, ex WER, ofwel de collectieve schuldenregeling voor wat betreft de bestuurder/zaakvoerder van een rechtspersoon. Het komt de feitenrechter toe om vast te stellen of er inderdaad sprake is van een zulkdanige organisatie. Uw Hof oefent hierop een marginale toetsing uit. Volledigheidshalve moet er onder de aandacht worden gebracht dat criteria uit de sociale zekerheidsreglementering
(12), alsook deze die voortvloeien uit fiscale regelgeving, niet kunnen in aanmerking genomen worden als elementen om te bepalen of er sprake is van een onderneming, in de zin van artikel I.1 WER. Deze regelgevingen hebben elk immers een eigen finaliteit
(13). De appelrechters verantwoorden dan ook niet naar recht hun beslissing dat de vereiste van een eigen organisatie geen autonome voorwaarde is om een natuurlijk persoon als onderneming te kunnen kwalificeren. Conclusie: Cassatie. ______________________________
(1)Bestreden beslissing pagina’s 7 en 8.
(2)Cass. 9 februari 2023, AR C.22.0264.F ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230209.1F.1, AC 2023, nr. 106 en Cass 18 maart 2022, AR C.21.0006.F ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220318.1F.9, AC 2022, nr. 203, met gelijkluidende concl. van advocaat-generaal de Koster op datum in Pas..
(3)Wet houdende invoeging van het Boek XX "Insolventie van ondernemingen", in het Wetboek van economisch recht, en houdende invoeging van de definities eigen aan Boek XX en van de rechtshandhavingsbepalingen eigen aan Boek XX in het Boek I van het Wetboek van economisch recht.
(4)Dat de definitie van “onderneming” die gehanteerd werd in de wet van 2017, dat betrekking heeft op boek XX WER, als basis zou kunnen dienen van de andere boeken van het WER werd reeds vooropgesteld in de voorbereidende werken van de wet van 2017 (Memorie van toelichting, Parl. St., Kamer, 2016-17, 54 2407/001, p. 32).
(5)Memorie van toelichting, Parl. St., Kamer, 2016-17, 54 2407/001, p. 24.
(6)Wet houdende hervorming van het ondernemingsrecht.
(7)Memorie van toelichting, Parl. St., Kamer, 2017-18, 54 2828/001, p. 5-6 en Memorie van toelichting, Parl. St., Kamer, 2016-17, 54 2407/001, p. 27.
(8)I. VEROUGSTRAETE, Manuel de l’insolvabilité de l’entreprise, Luik, Wolters-Kuwer 2019 p. 47 en A. AUTENNE en N. THIRION, “La nouvelle ‘définition générale’ de l’entreprise dans le Code de droit économique : deux pas en avant, trois pas en arrière”, JT 2018, p. 826.
(9)In het WER worden nog andere definities voor onderneming gehanteerd zo in de artikelen I.6, 12° en I.7, 2° waar nog gesproken wordt van het nastreven van een economisch doel.
(10)Memorie van toelichting, Parl. St., Kamer, 2016-17, 54 2407/001, p. 3.
(11)Zie tevens het standpunt van de minister van Justitie betreffende het gegeven dat de arresten van uw Hof van 2022 en 2023 geen afbreuk doen aan het tweedekansbeleid van boek XX WER, alsook de inzake de ongewenste effecten betreffende de toepassing van het insolventierecht door de kwalificatie van bestuurders als onderneming – Vr. en Antw., Kamer, 21 april 2023 (Vr. nr 1812 M. DEPRAETERE).
(12)Zo de toepassing van artikel 3 Sociaal Statuut Zelfstandigen.
(13)Y. GODFROID, “La liquidation des entreprises en difficulté”, in Les réformes du droit économique premières applications, Luik, CUP, 2019, p. 112 en I. VEROUGSTRAETE, o.c., p. 46. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231123.1N.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231123.1N.1 citeert: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220318.1F.9 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230209.1F.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.