id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 23 november 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231123.1N.11 Rolnummer: F.22.0034.N Zaak: D. contra BELGISCHE STAAT Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Overige Invoerdatum: 2024-03-06 Raadplegingen: 494 - laatst gezien 2026-06-15 11:17 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231123.1N.11 Fiche 1 Uit de samenhang van artikel 15, §§ 1 en 2, en artikel 19.A.1, tweede lid, Belgisch-Frans dubbelbelastingverdrag volgt dat België aan natuurlijke personen die verblijfhouder van België zijn en die dividenden ontvangen die hun bron in Frankrijk hebben en in Frankrijk een inhouding bij de bron werkelijk hebben ondergaan, op de belasting verschuldigd in België een vermindering met het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting moet verlenen waarvan het tarief minstens gelijk is aan 15 procent van het netto bedrag van de roerende inkomsten
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - INTERNATIONALE VERDRAGEN Wettelijke bepalingen: Overeenkomst van 10 maart 1964 tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbel belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen - 10-03-1964 - Art. 15 - 30 Link Justel databank 19640310-30 Overeenkomst van 10 maart 1964 tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbel belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen - 10-03-1964 - Art. 19 - 30 Link Justel databank 19640310-30 Fiche 2 Artikel 19.A.1, tweede lid, Belgisch-Frans dubbelbelastingverdrag verplicht België tot het in mindering brengen van een minimum verrekenbaar bedrag aan forfaitaire buitenlandse belasting op de belasting verschuldigd in België, ongeacht de wijze van heffing van de in België verschuldigde belasting; aldus is België ook wanneer de belasting op roerende inkomsten en opbrengsten van Franse oorsprong die door verblijfhouders van België zijn verkregen, uitsluitend door middel van roerende voorheffing wordt geïnd, verplicht een minimum verrekenbaar bedrag aan forfaitaire buitenlandse belasting te verlenen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Wettelijke bepalingen: Overeenkomst van 10 maart 1964 tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbel belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen - 10-03-1964 - Art. 19 - 30 Link Justel databank 19640310-30 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 313 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Tekst van de conclusie F.22.0034.N Conclusie van advocaat-generaal Van der Fraenen:
- Situering. Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt dat eerste eiser in de inkomstenjaren 2012 tot en met 2017 dividenden van Franse oorsprong ontving waarop Franse bronbelasting aan een tarief van 15% werd ingehouden. Door de Belgische financiële instelling werd het nettobedrag van de dividenden bij uitkering aan eerste eiser aan een Belgische roerende voorheffing van 25% onderworpen. De dividenden werden door eerste eiser niet aangegeven in de aangifte in de personenbelasting. Bij brief van 28 december 2017 diende de eerste eiser een verzoek tot ontheffing van ambtswege (artikel 376 WIB92) dan wel terugbetaling (artikel 368 WIB92) in voor de teveel ingehouden roerende voorheffing op de dividenden van Franse oorsprong ontvangen in de aanslagjaren 2012 tot en met
- Hij verzocht in essentie om het FBB te verrekenen. Bij administratieve beslissing verstuurd op 22 juni 2018 werd dit bezwaar wat betreft de inkomsten van het jaar 2012 afgewezen als onontvankelijk wegens laattijdigheid en als ongegrond wat betreft de inkomsten van de jaren 2013 tot en met
- De administratie stelde dat de toepassing van artikel 313 WIB92 (de mogelijkheid van bevrijdende roerende voorheffing) tot gevolg heeft dat de belastingplichtige de roerende voorheffing niet kan terugeisen en dat de wetgeving geen enkele mogelijkheid voorziet voor een eventuele verrekening (of teruggave) van het FBB met de roerende voorheffing, als gevolg waarvan het wettelijk niet mogelijk is om de verschuldigde roerende voorheffing te verminderen met een FBB. Bij verzoekschrift neergelegd op 24 september 2018 stelden eisers hun vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge. Deze verklaarde bij vonnis van 25 november 2019 de eis ontoelaatbaar wat betreft aanslagjaar 2012 in de roerende voorheffing en de eis toelaatbaar doch ongegrond wat betreft de aanslagjaren 2013 tot en met 2017 in de roerende voorheffing. Bij arrest van 5 oktober 2021 bevestigde het hof van beroep te Gent het vonnis van de eerste rechter
(1). Eisers komen op tegen dit arrest met één middel tot cassatie. 2. Bespreking van het enig middel. 2.1. Eisers voeren de schending aan van artikel 313, 2de lid, WIB92, artikel 19.A.1 Belgisch-Frans dubbelbelastingverdrag van 10 maart 1964, artikel 27 Verdrag van Wenen van 23 mei 1969 inzake het verdragenrecht, en van het algemeen rechtsbeginsel inzake de primauteit van het internationaal recht op het nationaal recht. Eisers wijzen er op dat het Belgisch-Frans dubbelbelastingverdrag België verplicht tot het verlenen van een minimum verrekenbaar bedrag aan forfaitaire buitenlandse belasting, zodat geen gevolg kan worden gegeven aan interne Belgische regels die deze vermindering aan bijkomende voorwaarden onderwerpen. Verder voeren eisers aan “dat artikel 313, tweede lid, WIB92 enkel de keuze voor taxatie op basis van het lager progressief tarief of op basis van het gewoon tarief definitief wenst te maken, en dat deze wetsbepaling niet toepasselijk is op een situatie waarin de belastingplichtige een beroep doet op de mogelijkheid van de bevrijdende roerende voorheffing zoals voorzien in artikel 313, eerste lid, WIB92 om de toegekende dividenden van Franse oorsprong waarop Belgische roerende voorheffing was ingehouden, niet aan te geven in de aangifte in de personenbelasting. Die belastingplichtige waarvoor een Belgische roerende voorheffing was ingehouden op de toegekende dividenden van Franse oorsprong, wordt niet verhinderd om de terugbetaling te vorderen van de roerende voorheffing vermits deze voorheffing geheel of gedeeltelijk ten onrechte werd ingehouden en doorgestort aan de Schatkist”. 2.2. Artikel 15 Dubbelbelastingverdrag België-Frankrijk dient in samenhang te worden gelezen met het artikel 19, A.1 Dubbelbelastingverdrag België-Frankrijk. Artikel 15, §§ 1 en 2, luidt als volgt: “1. Dividenden die hun bron in een overeenkomstsluitende Staat hebben en aan een verblijfhouder van de andere Staat worden betaald zijn in die andere Staat belastbaar. 2. Deze dividenden mogen evenwel, onder voorbehoud van de bepalingen van paragraaf 3, in de overeenkomstsluitende Staat, waarvan de vennootschap die de dividenden betaalt verblijfhouder is, overeenkomstig de wetgeving van die Staat worden belast, maar de aldus geheven belasting mag niet hoger zijn dan:
- a)10% van het brutobedrag van de dividenden indien de genieter een vennootschap is, die ten minste 10% van het kapitaal van de uitdelende vennootschap sedert het begin van het laatste, voor de uitkering afgesloten, boekjaar van deze vennootschap in uitsluitende eigendom heeft;
- b)15% van het brutobedrag van de dividenden in andere gevallen. Deze paragraaf laat onverlet de belastingheffing van de vennootschap ter zake van de winsten waaruit de dividenden worden betaald”. Artikel 19.A.1, eerste en tweede lid, bepaalt: “Dubbele belasting wordt op de volgende wijze voorkomen: A. Met betrekking tot België: De inkomsten en opbrengsten uit roerende kapitalen ressorterend onder het in artikel 15, § 2 en 4, omschreven regime, die in Frankrijk werkelijk de inhouding bij de bron hebben ondergaan en die worden verkregen door vennootschappen, verblijfhouders van België, onderhevig uit dien hoofde aan de vennootschapsbelasting, worden, mits de roerende voorheffing wordt geïnd tegen het normale tarief op hun bedrag netto van Franse belasting, vrijgesteld van de vennootschapsbelasting en van de belasting bij de uitkering, onder voorwaarden bepaald bij de Belgische interne wetgeving. Voor de in vorenstaand lid bedoelde inkomsten en opbrengsten, die door andere verblijfhouders van België worden verkregen, alsmede voor de inkomsten en opbrengsten uit roerende kapitalen, die onder het in artikel 16, paragraaf 1, omschreven regime ressorteren en die in Frankrijk de inhouding bij de bron werkelijk hebben ondergaan, wordt de belasting in België verschuldigd op hun bedrag netto van Franse inhouding, verminderd, eensdeels, met de tegen het gewone tarief geïnde roerende voorheffing en, anderdeels, met het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting dat onder de door de Belgische wetgeving vastgestelde voorwaarden aftrekbaar is, zonder dat bedoeld gedeelte minder dan 15 pct. van het evenvermelde nettobedrag mag belopen”. 2.3. Uit artikel 19.A.1, tweede lid, van het Dubbelbelastingverdrag België-Frankrijk volgt dat in België de verschuldigde belasting wordt verminderd met een forfaitair gedeelte van de buitenlandse belasting waarvan het tarief minstens gelijk is aan 15 pct. van het nettobedrag van de roerende inkomsten. Het Hof oordeelde in een arrest van 16 juni 2017 dat krachtens het algemeen rechtsbeginsel inzake de primauteit van het internationale recht op het nationale recht, het Dubbelbelastingverdrag België-Frankrijk voorrang heeft op de bepalingen van het nationale recht en dat hieruit volgt dat aangezien dit Dubbelbelastingverdrag België-Frankrijk, België verplicht tot het verlenen van een minimum verrekenbaar bedrag aan FBB, geen gevolg kan gegeven worden aan interne Belgische regels die deze vermindering aan bijkomende voorwaarden onderwerpen
(2). Het Hof oordeelde aldus impliciet maar zeker dat België zich middels deze bepaling wel het recht heeft voorbehouden om de voorwaarden voor aftrek van het FBB te regelen en desgevallend te wijzigen, maar zich er in elk geval toe verbonden heeft om minstens een verrekening van het FBB ten belope 15 pct. toe te staan aan o.a. natuurlijke personen. Het artikel 19.A.1, tweede lid, van het Dubbelbelastingverdrag België-Frankrijk verplicht België dus tot het in mindering brengen van een minimum verrekenbaar bedrag aan FBB op de belasting verschuldigd in België. Dit lijkt mij te gelden ongeacht de wijze van heffing van de in België verschuldigde belasting. Ook wanneer de belasting op roerende inkomsten en opbrengsten van Franse oorsprong die door verblijfhouders van België zijn verkregen uitsluitend door middel van roerende voorheffing wordt geïnd, is België m.i. derhalve verplicht een minimum bedrag aan forfaitaire buitenlandse belasting te laten verrekenen of terug te betalen. 2.4. In de memorie van antwoord verwijst verweerder naar het voormeld arrest van het Hof dd. 16 juni 2017 en voert aan dat in dit arrest “evenwel niet de vraag aan bod (kwam) of interne procedure- of aangifteregels, zoals artikel 313, tweede lid WIB92, die de wijze bepalen waarop het recht op vermindering concreet moet worden uitgeoefend, de verrekening van het FBB niet in de weg kunnen staan” (memorie van antwoord, p. 3, 4de alinea). Inzake de verhouding tussen de verrekening van het FBB en artikel 313 WIB92 stelt verweerder: “Uit deze interne procedureregels volgt dat, ingeval de belastingplichtige kiest voor de toepassing van de bevrijdende roerende voorheffing en geen aangifte doet in de personenbelasting van de dividenden van Franse oorsprong, hij aldus het forfaitair gedeelte van de in Frankrijk op de litigieuze dividenden betaalde belasting, niet meer kan verrekenen met de definitief ingehouden roerende voorheffing” (memorie van antwoord, p. 5, 5de alinea). De verweerder besluit: “Anders dan het enig middel stelt, druist de toepassing van artikel 313, tweede lid WIB92 derhalve niet in tegen artikel 19.A.1 van het Belgisch-Frans DBV, noch tegen het Verdrag van Wenen” (memorie van antwoord, p. 5, laatste alinea). In dat verband kan evenwel worden gewezen op het arrest van het Hof dd. 14 januari 2016
(3). Auteurs NIESTEN en SMET trekken volgde conclusie uit de in het arrest gestelde rechtsregel: “Met andere woorden, de belasting die in het kader van de bevrijdende roerende voorheffing – bij niet-aangifte – definitief door de Schatkist is verworven, kan niet hoger zijn dan de belasting die krachtens de wet verschuldigd is. Dit arrest kan inspiratie bieden voor die gevallen waarin een dubbele belasting optreedt voor dividenden van Franse oorsprong die reeds een bronheffing hebben ondergaan”
(4). ANSEEUW vindt de uitspraak van het Hof dd. 14 januari 2016 logisch: "Het is immers in sommige gevallen fiscaal voordeliger om de inkomsten waarop de roerende voorheffing al werd ingehouden door de bank, toch aan te geven in de personenbelasting. Dit is het geval wanneer er maar weinig belastbare inkomsten zijn. Als roerende inkomsten worden aangegeven, worden ze immers samengevoegd met de andere inkomsten. Als het progressieve belastingtarief met schijven lager ligt dan de afzonderlijke aanslagvoet van 25% of 30% die in principe op de roerende inkomsten van toepassing is, wordt in geval van aangifte de lagere aanslagvoet toegepast en moet er dus minder roerende voorheffing worden betaald. Het is enkel deze keuze voor taxatie
(1)op basis van het lager progressief tarief of
(2)op basis van het gewoon tarief, die artikel 313, tweede lid WIB 1992 definitief wenst te maken. Anders oordelen zou er immers op neerkomen dat artikel 368 WIB 1992, dat de terugvorderingstermijn bepaalt voor roerende voorheffing die niet wordt ingekohierd via de personenbelasting, in ons wetboek geen enkele reden van bestaan heeft
(5). 2.
- In het licht van de aangehaalde rechtspraak van het Hof komt het mij voor dat artikel 313, tweede lid, WIB92 dus niet gelezen mag worden als zijnde toepasselijk op een situatie waarin een beroep werd gedaan op de mogelijkheid van de bevrijdende roerende voorheffing zoals voorzien in artikel 313, eerste lid, WIB92 en waarin de toegekende dividenden van Franse oorsprong waarop Belgische roerende voorheffing was ingehouden niet werden aangegeven in de aangifte in de personenbelasting. Een tegenstelde interpretatie geven aan artikel 313 WIB92 lijkt mij afbreuk te doen aan de door artikel 19.A.1, tweede lid, Dubbelbelastingverdrag België-Frankrijk opgelegde verplichting om minstens een verrekening van het FBB ten belope 15 pct. toe te staan en zou er toe leiden dat ten onrechte een hogere belasting wordt betaald dan deze verschuldigd in gevolge het vigerend nationaal en internationaal wetgevend kader. 2.
- Met de redenen vermeld op blz. 7, laatste alinea, tot en met blz.8, tweede alinea van het arrest verantwoordt de appelrechter m.i. zijn beslissing niet naar recht. Het middel komt mij gegrond voor.
- Besluit: Vernietiging van het bestreden arrest in zoverre geoordeeld wordt over de aanslagjaren 2013 tot en met
- _____________________________
(1)Zie voor een bespreking van dit arrest NIESTEN H., en SMET G., “Geen recht op verdragsautonome verrekeningsverplichting bij niet-aangifte van Franse dividenden”, noot onder Gent, 5 oktober 2021, TFR, januari 2023, nr. 634, p. 88 e.v.
(2)Cass. 16 juni 2017, AR F.15.0102.N, AC 2017, nr. 393, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170616.3.
(3)Cass. 14 januari 2016, AR F.14.0016.N, AC 2016, nr. 29, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160114.10, waarin werd geoordeeld dat artikel 313, tweede lid, WIB92 verhindert dat de belastingplichtige die gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om de bedoelde inkomsten niet te vermelden in zijn aangifte in de personenbelasting, alsnog terugbetaling zou vragen van de roerende voorheffing waarvan hij, in geval van aangifte, na verrekening terugbetaling had kunnen verkrijgen; deze bepaling verhindert echter niet dat de belastingplichtige die ervoor heeft geopteerd om de roerende inkomsten niet aan te geven, terugbetaling vordert van de roerende voorheffing die geheel of gedeeltelijk ten onrechte werd ingehouden en doorgestort aan de Schatkist.
(4)NIESTEN H., en SMET G., i.c., p. 92.
(5)ANSEEUW A., “Verrekening FBB Franse dividenden: fiscus gooit de handdoek nog steeds niet in de ring”, RABG, 2021/7, 643-646. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231123.1N.11 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231123.1N.11 citeert: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160114.10 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170616.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div