← België

RIJSCHOLEN SECURA bv c. BELGISCHE STAAT, MIN FIN

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 23 november 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231123.1N.6 Rolnummer: F.21.0094.N Zaak: RIJSCHOLEN SECURA bv c. BELGISCHE STAAT, MIN FIN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2024-03-05 Raadplegingen: 325 - laatst gezien 2026-06-15 13:18 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231123.1N.6 Fiche Het belasten van een handeling die is vrijgesteld van belasting, moet worden beschouwd als een vergissing in de factuur in de zin van artikel 79, § 1, eerste lid, Btw-wetboek, waarvoor de leverancier of de dienstverrichter aan de medecontractant een verbeterend stuk moet uitreiken, opdat die leverancier of die dienstverrichter met toepassing van artikel 77, § 1, 1°, Btw-wetboek op een teruggaaf van belasting aanspraak zou kunnen maken, ook wanneer die heffing te wijten is aan een vergissing in rechte omtrent het belastbaar of vrijgesteld karakter van de desbetreffende handeling

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Wettelijke bepalingen: Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 77 - 32 Link Justel databank 19690703-32 Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 79 - 32 Link Justel databank 19690703-32 Tekst van de conclusie F.21.0094.N Conclusie van advocaat-generaal Van der Fraenen:
  1. Situering. Aan de basis van het geschil ligt de vrijstelling van BTW voor het verstrekken van school- of universitair onderwijs, beroepsopleiding en -herscholing zoals voorzien in artikel 44, § 2, 4° WBTW. In een arrest van de Raad van State van 30 mei 2005 werd geoordeeld dat de Aanschrijving nr. 25 van 14 december 1993 van de administratie een niet in de wet omschreven beperking van deze vrijstelling invoerde, met name een beperking tegenover commerciële ondernemingen, waardoor het gelijkheidsbeginsel werd geschonden. De minister van Financiën heeft ingevolge dit arrest kenbaar gemaakt dat commerciële ondernemingen zich (met ingang van 1 juli 2005) kunnen beroepen op dit arrest om de vrijstelling toe te passen. Anderzijds werd ook duidelijk kenbaar gemaakt dat de fiscale administratie geen kritiek zal uiten wanneer zij bij hun onderwijs, beroepsopleiding en -herscholing blijven werken met toepassing van BTW. Dit hield aldus in dat rijscholen, zoals eiseres, die een opleiding aanbieden voor het behalen van een rijbewijs van categorie C (vrachtwagens) en D (autobussen) zelf konden kiezen om al dan niet voor deze activiteiten een beroep te doen op de vrijstelling van BTW voor beroepsonderwijs. Eiseres heeft er na het voornoemde arrest van de Raad van State in eerste fase voor gekozen haar diensten verder aan de BTW te onderwerpen. In de periodieke BTW-aangifte voor de maand januari 2007 vroeg eiseres evenwel de teruggave van de BTW gefactureerd naar aanleiding van het door haar in 2004 en 2005 verrichte beroepsonderwijs. Het geschil tussen de partijen betreft de al dan niet terechte aanspraak van eiseres op deze teruggave van de BTW die ze voor die activiteiten heeft aangerekend. Bij arrest van 16 februari 2021 van het hof van beroep te Gent werd eiseres in het ongelijk gesteld. Eiseres komt op tegen dit arrest met twee middelen tot cassatie. (…)
  2. Bespreking van het tweede middel. 3.
  3. Eiseres voert de schending aan van de artikelen 77, § 1, 1°, en 79, § 1, WBTW. De appelrechter oordeelde dat de feiten uitwijzen dat de aanname dat meer belasting werd geheven dan verschuldigd was, te wijten is aan een vergissing van eiseres. Eiseres wijst er op dat het feit dat de fiscale administratie bepaalde richtlijnen uitvaardigt die contra legem zijn geen vergissing in haar hoofde kan uitmaken, nu zij de richtlijnen van de administratie heeft gevolgd. Het feit dat zij achteraf de teruggaaf vroeg, maakt evenmin een vergissing uit, aangezien zij hiertoe gerechtigd was. Volgens eiseres diende zij dan ook geen verbeterend stuk op te maken overeenkomstig artikel 79, § 1 WBTW. 3.
  4. Krachtens artikel 77, § 1, 1°, WBTW wordt, onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004, de belasting die geheven werd van een levering van goederen, van een dienst of van een intracommunautaire verwerving van een goed tot beloop van het passende bedrag teruggegeven wanneer ze het bedrag te boven gaat dat wettelijk verschuldigd is. Krachtens artikel 79, § 1, eerste en tweede lid, WBTW moet, wanneer de teruggaaf verleend wordt op grond van een vergissing in de factuur of van het bepaalde in artikel 77, § 1, 2° tot 7°, de leverancier of de dienstverrichter aan de medecontractant een verbeterend stuk uitreiken met vermelding van het bedrag van de hem teruggegeven belasting. Heeft de medecontractant deze belasting in aftrek gebracht, dan moet hij ze aan de Staat terugstorten door ze op te nemen in het bedrag van de verschuldigde belasting met betrekking tot de periode waarin hij het verbeterend stuk heeft ontvangen. 3.
  5. De kern van het middel betreft de vraag naar de verhouding tussen artikel 77, § 1, 1°, en artikel 79, § 1, eerste lid, WBTW en meer bepaald de vraag wat moet worden verstaan onder het begrip ‘vergissing in de factuur’ van artikel 79, § 1, eerste lid WBTW: kan er sprake zijn van een ‘vergissing’ in de zin van die wetsbepaling wanneer de belastingplichtige een handeling als belast heeft aangemerkt, terwijl zij uit hoofde van de wet is vrijgesteld (geval bedoeld in artikel 77, § 1, 1°, WBTW), doch die verkeerde inaanmerkingneming te wijten is aan het standpunt van de fiscale administratie met betrekking tot de interpretatie van de relevante wetsbepalingen? 3.
  6. Uit de parlementaire voorbereidingen van artikel 77, § 1, 1°, WBTW blijkt dat de wetgever met deze wetsbepaling alle gevallen voor ogen had waarin een vergissing is begaan bij het factureren of bij het opmaken van de aangifte: in alle gevallen waarin een vergissing werd begaan bij het factureren of bij het opmaken van de aangifte, kan de belastingplichtige aanspraak maken op een teruggaaf van de onterecht betaalde BTW
(1). De parlementaire voorbereidingen van artikel 77, § 1, 1°, WBTW maken daarbij geen enkel onderscheid naargelang wie aan de oorsprong van de desbetreffende vergissing ligt (de belastingplichtige zelf, een derde of de overheid) of naargelang het een materiële vergissing dan wel een vergissing in rechte betreft. 3.5. De ratio achter artikel 79, § 1, eerste en tweede lid, WBTW
(2)wijst er op dat het begrip ‘vergissing’ in de factuur ruim moet worden geïnterpreteerd en niet louter die gevallen omvat waarin het de belastingplichtige zelf is die een vergissing (die louter aan hem te wijten is) heeft begaan of louter die gevallen waarin hij een materiële vergissing heeft begaan, nu artikel 79, § 1, WBTW ertoe strekt het neutraliteitsbeginsel inzake BTW te waarborgen. Het Hof bevestigde die strekking in een arrest van 31 oktober 2014: “Het geheel van deze formaliteiten en voorwaarden bij de facturatie aan btw-belastingplichtigen strekt tot de eerbiediging van het neutraliteitsbeginsel. De gestelde formaliteiten en voorwaarden gaan mitsdien niet verder dan voor het bereiken van de doelstellingen van de wet noodzakelijk is”
(3). Wanneer BTW is gefactureerd aan BTW-plichtigen die de aftrek van de nadien door eiseres teruggevorderde BTW al hebben uitgeoefend, maar er geen creditnota wordt uitgereikt aan die BTW-plichtige medecontractanten zodat die klanten de teveel aangerekende en betaalde BTW derhalve niet terugstorten aan de Schatkist, komt het neutraliteitsbeginsel in het gedrang. In dergelijke gevallen zou de teruggaaf resulteren in een uitzonderlijke winst in hoofde van eiseres en in een tekort voor de Schatkist. Vanuit dat oogpunt lijkt het mij dat het belasten van een handeling die is vrijgesteld van belasting, moet worden beschouwd als een vergissing in de factuur in de zin van artikel 79, § 1, eerste lid, WBTW, waarvoor de leverancier of de dienstverrichter aan de medecontractant een verbeterend stuk moet uitreiken, opdat die leverancier of die dienstverrichter met toepassing van artikel 77, § 1, 1°, WBTW op een teruggaaf van belasting aanspraak zou kunnen maken. 3.6. Volledigheidshalve kan worden opgemerkt dat het standpunt dat wanneer er BTW geheven wordt die het bedrag te boven gaat dat wettelijk verschuldigd is, dit beschouwd kan worden als een vergissing in de facturen, zodat er verbeterende stukken uitgereikt moeten worden overeenkomstig artikel 79, § 1, WBTW, in lijn ligt met eerdere rechtspraak van de hoven van beroep van Antwerpen en Mons. Auteur LEWANDOWSKI merkt in een bespreking van het bestreden arrest nog op dat de hoven en rechtbanken bovendien eensgezind van oordeel zijn dat het uitreiken van verbeterende stukken noodzakelijk is voor het waarborgen van het neutraliteitsbeginsel en niet verder gaat dan noodzakelijk is voor het bereiken van de doelstellingen van de wet
(4). 3.
  1. Met de overwegingen op p. 7, laatste alinea, tot en met p. 9, eerste alinea, van het bestreden arrest, verantwoordt de appelrechter m.i. zijn beslissing naar recht dat eiseres een recht op teruggaaf van BTW kon laten gelden op grond van artikel 77, § 1, WBTW maar de modaliteiten niet uitvoerde om haar vordering tot teruggaaf van belasting te doen toekennen zoals voorzien in artikel 79, § 1, WBTW en artikel 4 van het K.B. nr.
  2. Het middel kan derhalve niet worden aangenomen.
  3. Besluit: Verwerping. _________________________________
(1)Zie de Memorie van Toelichting bij het Wetsontwerp van 15 oktober 1968 tot invoering van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, Parl.St. Kamer, buitengewone zitting 1968, nr. 88/1, p. 67: “Artikel 77, 1°, staat teruggaaf toe tot het passende beloop, wanneer de betaalde belasting de wettelijke verschuldigde belasting overtreft. Hiermee zijn onder meer bedoeld, alle gevallen waarin een vergissing is begaan bij het factureren of bij het opmaken van de aangifte die door de belastingplichtige moet worden ingediend: heffing op een handeling die niet belastbaar is of vrijgesteld is van de belasting, toepassing van een onjuist tarief, berekening van de belasting over een maatstaf van heffing die hoger is dan de som van zijn bestanddelen, misslag in de optelling van de aan de Schatkist te storten belasting of in de berekening van de belasting die mag worden afgetrokken.” (eigen onderlijning)
(2)De artikelsgewijze bespreking van artikel 79 in de Memorie van Toelichting bij het Wetsontwerp van 15 oktober 1968 tot invoering van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, Parl.St. Kamer, buitengewone zitting 1968, nr. 88/1, p. 69, geeft omtrent dat artikel de volgende toelichting mee: “De belastingplichtige aan wie een leverancier goederen geleverd of diensten verstrekt heeft, mag de wegens die levering of dienst verschuldigde belasting in aftrek brengen. Het hoeft geen betoog dat hij die belasting aan de Schatkist moet terugstorten wanneer zijn leverancier de teruggaaf ervan verkrijgt. Opdat hij in staat zou zijn die verplichting na te komen moet zijn leverancier hem een stuk uitreiken waarbij de oorspronkelijke factuur wordt verbeterd”.
(3)Cass. 31 oktober 2014, AR F.13.0031.N, AC 2014, nr. 652 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141031.2, met gelijkluidende concl. van advocaat-generaal D. THIJS, ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20141031.2.
(4)LEWANDOWSKI A., “Het verzoek tot teruggaaf van btw op grond van artikel 77, § 1, 1° WBTW en het uitreiken van verbeterende stukken aan de medecontractant”, noot onder Gent, 16 februari 2021, TFR, 607, oktober 2021, p. 824. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231123.1N.6 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231123.1N.6 citeert: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141031.2 ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20141031.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.