id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 23 november 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231123.1N.7 Rolnummer: F.21.0088.N Zaak: BELGISCHE STAAT fod Financiën c. Wolters Kluwer Irela Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Belastingrecht Invoerdatum: 2024-03-05 Raadplegingen: 741 - laatst gezien 2026-06-19 02:58 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231123.1N.7 Fiche 1 Inzake inkomstenbelastingen mag het verzoekschrift in cassatie van de Belgische Staat door een ambtenaar van een belastingadministratie worden ondertekend en neergelegd, zonder dat hij daartoe enige andere opdracht dan die welke voortvloeit uit zijn eigen hoedanigheid dient te vermelden
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - BELASTINGZAKEN - Vormen - Vorm van het cassatieberoep en vermeldingen Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 703 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 379 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Fiche 2 Uit de wordingsgeschiedenis van artikel 37, derde lid, WIB92 blijkt dat het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting dat ingevolge die wetsbepaling bij het netto-inkomen van roerende goederen en kapitalen moet worden gevoegd, moet worden bepaald overeenkomstig de artikelen 286 en 287 WIB92
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VOORHEFFINGEN EN BELASTINGKREDIET - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 37 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 286 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 287 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Fiche 3 Artikel 24, paragraaf
(2), b), 2), DBV België-Australië, heeft uitsluitend betrekking op de verrekening van het forfaitair gedeelte van de buitenlandse belasting en beïnvloedt aldus de vaststelling van de grondslag van die belasting niet; het in artikel 37, derde lid, WIB92 bedoelde forfaitair gedeelte wordt enkel door de regels van het nationaal recht beheerst
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - INTERNATIONALE VERDRAGEN Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 37 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 286 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 287 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en Australië tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, ondertekend te Canberra op 13 oktober 1977 - 13-10-1977 - Art. 24 Tekst van de conclusie F.21.0088.N Conclusie van advocaat-generaal Van der Fraenen:
- Situering. 1.
- De betwisting betreft een aanslag in de vennootschapsbelasting voor het aanslagjaar 2014 en meer bepaald de vraag welk bedrag aan forfaitair gedeelte der buitenlandse belasting (hierna FBB) moet worden toegevoegd aan de verworpen uitgaven. Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt dat verweerster met ingang van 31 december 2008 tot 31 december 2013 een bedrag van 50.000.000,00 Australische Dollar had uitgeleend aan Wolters Kluwer Australia Pty Ltd. In de loop van 2013 ontving verweerster van de Australische vennootschap interesten ten belope van 3.087.199,00 EUR bruto. Overeenkomstig het dubbelbelastingverdrag (hierna DBV), gesloten tussen Australië en België werd op dit bedrag een bronheffing ingehouden van 10%, hetzij, afgerond, 308.720,00 EUR. Het nettobedrag van 2.778.479,00 EUR aan interesten werd opgenomen in de resultatenrekening van verweerster. Verder werd de volledige Australische bronheffing (308.720,00 EUR) in de aangifte verrekend als FBB en werd een bedrag van 19.153,00 EUR (zijnde het overeenkomstig artikel 287 WIB92 berekende FBB) opgenomen onder de verworpen uitgaven. 1.
- De fiscale administratie stelt evenwel dat het in gevolge artikel 37, derde lid, WIB92 aan de verworpen uitgaven toe te voegen bedrag 308.720,00 EUR bedraagt en dat m.a.w. het te bruteren bedrag van het FBB gelijk is aan het verrekenbaar bedrag aan FBB. De betwisting leidde tot een arrest van het hof van beroep te Antwerpen dd. 28 april
- Het appelgerecht oordeelde dat er geen rechtsgrond is om het FBB, dat overeenkomstig artikel 37, derde lid, WIB92 moet worden toegevoegd aan de belastbare grondslag, te bepalen overeenkomstig het DBV, en dat het gegeven dat er aldus geen parallellisme is tussen het verrekenbare FBB en het gebruteerde FBB louter het gevolg is van de draagwijdte van het DBV en van het feit dat voor het begrip 'forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting' van artikel 37, derde lid WIB92 geen omschrijving wordt gegeven die afwijkt van de artikelen 286 en 287 WIB
- Eiser komt op tegen dit arrest met één middel tot cassatie.
- Inzake de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. 2.
- Verweerster voert een middel van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep aan. Het cassatieberoep zou niet ontvankelijk zijn aangezien de voorziening niet werd ondertekend door een orgaan van de Staat die de bevoegdheid heeft om de Belgische Staat te kunnen vertegenwoordigen. De bevoegdheid van de Adviseur-generaal van het Centrum Grote Ondernemingen Antwerpen om de cassatievoorziening in te dienen namens de Belgische Staat zou niet zijn aangetoond en evenmin zou zijn aangetoond dat deze Adviseur-generaal zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid rechtsgeldig aan de adviseur die de voorziening ondertekende, zou hebben gedelegeerd. Aldus zou niet voldaan zijn aan de voorwaarden van artikel 703, § 1, Ger.W. 2.
- Het middel van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep kan m.i. niet worden aangenomen. Krachtens artikel 703, eerste lid, Ger. W. treden rechtspersonen in rechte op door tussenkomst van hun bevoegde organen. Artikel 379 WIB92 bepaalt dat inzake de geschillen betreffende de toepassing van de belastingwet, de verschijning in persoon in naam van de Staat kan gedaan worden door elke ambtenaar van de belastingadministratie. Het Hof oordeelde in een arrest 22 november 2007 met betrekking tot de vertegenwoordigingsbevoegdheid van belastingambtenaren van de directe belastingen, zoals voorzien in artikel 379 WIB92, als volgt: “Uit deze wetsbepaling volgt dat de Belgische Staat in elke fase van een geschil betreffende de toepassing van een belastingwet rechtsgeldig wordt vertegenwoordigd door een ambtenaar van de belastingadministratie. Bijgevolg mag inzake inkomstenbelastingen het verzoekschrift in cassatie van de Belgische Staat door een ambtenaar van een belastingadministratie worden ondertekend en neergelegd”
(1). Uit dit arrest volgt m.i. dat de bevoegdheid voorzien in artikel 379 WIB92 voor een ambtenaar van de belastingadministratie om in rechte te verschijnen, ook de bevoegdheid omvat om een cassatievoorziening te ondertekenen en neer te leggen en dat elke ambtenaar van de belastingadministratie op basis van dat artikel over die bevoegdheid beschikt. 2.3. Verweerster houdt voor dat uit het arrest van Uw Hof van 21 maart 2019
(2)volgt dat nog een tweede voorwaarde vervuld moet zijn opdat een ambtenaar van de belastingadministratie de Belgische Staat kan vertegenwoordigen in een geschil betreffende de toepassing van een belastingwet. De ondertekenende ambtenaar zou, volgens verweerster, uitdrukkelijk door de Minister van Financiën gedelegeerd moeten zijn om de rechtsvordering in te dienen. 2.4. Eiser laat m.i. terecht gelden in zijn memorie van wederantwoord dat het Hof in voormeld arrest geen uitspraak heeft gedaan over een vereiste tot uitdrukkelijke delegatie. Uit dit arrest volgt m.i. enkel dat in geval het verzoekschrift door een ambtenaar van de belastingadministratie werd ondertekend niet alleen diens hoedanigheid van orgaan van de Staat moet worden vastgesteld, maar tevens dat de rechter dient vast te stellen dat de betrokken ambtenaar bevoegd is om de rechtsvordering in te stellen. Wat o.a. kan blijken uit de vaststelling dat de ondertekenende ambtenaar een ambtenaar is van de belastingadministratie en tevens de vaststelling dat het geschil de toepassing van een belastingwet betreft in de zin van artikel 379 WIB92, met name een betwisting waarbij de rechter ten gronde oordeelt over een belastingschuld
(3). De conclusie bij dit arrest van Proc.-gen. HENKES lijkt dit standpunt te ondersteunen: "Il ne saurait donc être admis que le pouvoir d'un fonctionnaire de former une action au nom de l'Etat soit déduit de sa simple qualité d'organe de l'Etat. Il faut indiquer ce qui permet, compte tenu de l'objet du litige et de l'acte posé, d'établir que le fonctionnaire était en l'occurrence l'organe compétent". Vrij vertaald: "Er kan dus niet worden aangenomen dat de bevoegdheid van een ambtenaar om een vordering in te stellen namens de Staat wordt afgeleid van zijn loutere hoedanigheid van orgaan van de Staat. Men moet aangeven waarom de ambtenaar in voorliggend geval het bevoegde orgaan was, rekening houdend met het voorwerp van het geschil en de gestelde handeling". De stelling van verweerster valt m.i. daarenboven moeilijk te verzoenen met artikel 379 WIB92. Dit artikel verleent de ambtenaren van de belastingadministraties de hoedanigheid van orgaan van de Staat in de zin van artikel 703, § 1 Ger. W
(4). SOBRIE merkt op: “Er dient te worden benadrukt dat wanneer de fiscale ambtenaar optreedt in rechte, hij dat niet doet als procesvertegenwoordiger van de Belgische Staat, doch wel als de Belgische Staat zelf. Dit brengt onder andere met zich mee dat de ambtenaar in kwestie geen volmacht moet kunnen voorleggen bij het stellen van proceshandelingen”
(5). Uit oudere rechtspraak van het Hof volgt eveneens inzake inkomstenbelastingen het verzoekschrift in cassatie van de Belgische Staat door een ambtenaar van een belastingadministratie kan worden ondertekend en neergelegd, zonder dat hij daartoe enige andere opdracht dan die welke voortvloeit uit zijn eigen hoedanigheid dient te vermelden
(6). 2.5. In zoverre het middel van niet-ontvankelijkheid zou kunnen gelezen worden in de zin dat het aanvoert dat de ambtenaar in kwestie niet de bevoegdheid had om te beslissen cassatieberoep aan te tekenen, meen ik dat de voorziening er geen twijfel laat over bestaan dat het cassatie beroep werd ingesteld door de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën als bevoegd orgaan en ook vanuit die lezing de grond van niet-ontvankelijkheid dient te worden verworpen
(7).
- Bespreking van het enig middel. 3.
- Eiser voert in het enig middel in essentie aan dat voor de toepassing van artikel 37, derde lid WIB92 rekening moet worden gehouden met artikel 24, lid 2, b) Belgisch-Australisch DBV en dat voor zover hiermee geen rekening wordt gehouden, het Belgisch-Australisch dubbelbelastingverdrag en het beginsel van primauteit van het internationaal recht worden geschonden. 3.
- Krachtens artikel 37, derde lid, WIB92 omvatten de netto-inkomsten van roerende goederen en kapitalen de werkelijke of fictieve roerende voorheffing, alsmede het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting en, in voorkomend geval, de woonstaatheffing. 3.
- Om de aan de orde zijnde rechtsvraag te beantwoorden, moet vooreerst worden beklemtoond dat de draagwijdte van het begrip ‘forfaitair gedeelte van de buitenlandse belasting’ van artikel 37, derde lid, WIB92 uitsluitend op basis van interne recht moet worden bepaald en dat het Belgisch-Australisch DBV er op zich niet toe noopt artikel 37, derde lid, WIB92 aldus te interpreteren dat het integrale bedrag van de Australische bronbelasting bij de netto-inkomsten moet worden gevoegd. Artikel 24, paragraaf
(2), b), 2), Belgisch-Australisch DBV heeft immers uitsluitend betrekking op de verrekening van het FBB en beïnvloedt aldus de vaststelling van de grondslag van de vennootschapsbelasting in België niet
(8). Met andere woorden, België is er op basis van het Belgisch-Australisch DBV enkel toe verplicht het FBB te verrekenen, maar is er niet toe verplicht voor de toepassing van artikel 37, derde lid, WIB92 de Australische bronbelasting in aanmerking te nemen (i.e. te bruteren). De enige vraag die bijgevolg aan de orde is, is of de Belgische wetgever met het begrip ‘forfaitair gedeelte van de buitenlandse belasting’ in artikel 37, derde lid, WIB92 uitsluitend heeft willen verwijzen naar het FBB zoals berekend overeenkomstig de artikelen 286 en 287 WIB92, dan wel naar het FBB berekend, naargelang het geval, hetzij overeenkomstig de artikelen 286 en 287 WIB92 hetzij overeenkomstig internationale bepalingen. Zowel de appelrechters als eiser houden voor dat het Hof reeds over deze vraag zou hebben beslist, m.n. in het voormeld arrest van 9 januari
- Het Hof besliste hierin als volgt: “(…) Overwegende dat voornoemd artikel 22 van de Belgisch-Koreaanse Overeenkomst alleen betrekking heeft op het verrekenen van een gedeelte van de inkomsten op de Belgische belasting en de vaststelling van de grondslag van die belasting niet beïnvloedt; dat het in voormelde artikel 37, tweede lid, bedoelde forfaitair gedeelte enkel door de regels van het nationaal recht wordt beheerst en overeenkomstig de artikelen 286 en 287 van hetzelfde wetboek moet worden bepaald; Dat die artikelen noodzakelijk impliceren dat de litigieuze inkomsten werkelijk in het buitenland zijn belast, zodat een forfaitair gedeelte van een buitenlandse belasting, dat onbestaande is aangezien er geen inkomsten in het buitenland belast zijn, niet opgenomen dient te worden in de inkomsten van kapitalen en roerende goederen, als bedoeld in voornoemd artikel 37, tweede lid;(…)”. Deze uitspraak moet evenwel in zijn context worden gezien. De zaak betrof een geval waarin de fiscale administratie een FBB aan de netto-inkomsten van de belastingplichtige wou toevoegen, niettegenstaande in het land van herkomst (Korea) helemaal geen bronbelasting werd geheven. In die casus betrof de overweging van Uw Hof dat “het FBB overeenkomstig de artikelen 286 en 287 WIB92 moet worden bepaald”, niet de kern van de rechtsvraag, zodat het m.i. niet zeker is dat dit arrest ook de thans voorliggende rechtsvraag beantwoordt. 3.
- Om de rechtsvraag in deze zaak te beantwoorden, dient men oog te hebben voor de wetsgeschiedenis van artikel 37, derde lid, WIB
- Artikel 37 WIB92 vindt zijn oorsprong in artikel 29 Wet van 7 december 1988 houdende hervorming van de inkomstenbelasting en wijziging van de met zegel gelijkgestelde taksen. Dat artikel luidde aanvankelijk als volgt: “§
- De netto-inkomsten en opbrengsten van roerende goederen en kapitalen die voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt omvatten de werkelijke of fictieve roerende voorheffing bepaald in de artikelen 174, 191, 3°, en 193 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, het belastingkrediet bedoeld in artikel 135, § 1, tweede lid, 1°; van hetzelfde Wetboek, alsmede het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting bedoeld in artikel 187 van hetzelfde Wetboek maar berekend overeenkomstig § 3 van dit artikel, doch niet met de innings- en bewaringskosten en de andere soortgelijke kosten of lasten. (…) §
- Het krachtens artikel 187 van hetzelfde Wetboek aftrekbare forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting wordt bepaald op vijftien vijfentachtigste van het bedrag van de geïnde of verkregen inkomsten, vóór aftrek van de roerende voorheffing”. Tijdens de parlementaire debatten over het nieuwe artikel werd door de Minister van Financiën het volgende verklaard: “Beroepsmatig belegde roerende inkomsten De desbetreffende inkomsten kunnen niet genieten van de bevrijdende roerende voorheffing; zij worden trouwen niet als dusdanig aangegeven maar zijn begrepen in de belastbare bedrijfsinkomsten. Daar zij aan de progressieve tarieven van de P.B. of aan de Ven.B. worden onderworpen, geven zij bijgevolg recht op de eventuele verrekening van de roerende voorheffing, alsook van het belastingkrediet en de F.B.B. Thans zijn zowel de roerende voorheffing als het belastingkrediet opgenomen in de belastbare grondslag krachtens het principe dat het aan de belasting te onderwerpen inkomen gelijk is aan het bruto-bedrag vóór de heffing aan de bron van de verrekenbare voorheffing, daar de belasting geen aftrekbare last is. De F.B.B. vormt een uitzondering op deze regel daar hij wordt verrekend zonder dat hij in het belastbare inkomen is opgenomen; de buitenlandse belastingen zijn dus aftrekbare lasten. Het betreft een afwijking die artikel 29 van het ontwerp wil verbeteren door de F.B.B. aan de netto-belastbare roerende inkomsten toe te voegen. (…) Paragraaf 3 van artikel 29 bepaalt dat de toe te voegen en de te verrekenen F.B.B. wordt vastgesteld op 15/85 vóór aftrek van de roerende voorheffing, hetgeen 15 pct. vertegenwoordigt van het belastbaar inkomen na toevoeging van gezegd F.B.B.”
(9)(eigen onderlijning). De neiging kan bestaan om uit de onderlijnde zinsneden af te leiden dat het verrekenbare bedrag van het FBB moet worden gebruteerd en dat er dus een parallel moet bestaan tussen het te verrekenen en het te bruteren FBB (zoals eiser aanvoert), maar dat lijkt mij evenwel uitdrukkelijk te worden tegengesproken door § 3 van voormeld artikel 29. De duidelijke tekst van artikel 29, § 3, legde op om het te bruteren FBB forfaitair volgens het interne Belgische recht te bepalen en deze heeft voorrang op de parlementaire voorbereidingen. Voormeld artikel 29, § 3, werd specifiek voor wat betreft inkomsten uit interesten aangepast bij artikel 23 van de Programmawet van 28 december 1990: “Artikel 29, § 3, van dezelfde wet wordt aangevuld met het volgende lid: ‘Met betrekking tot inkomsten en opbrengsten van roerende goederen en kapitalen, andere dan inkomsten van aandelen of delen van belegde kapitalen en opbrengsten vermeld in artikel 11, 5°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, die de schuldeiser in België gebruikt voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid, wordt het voormeld aftrekbaar gedeelte evenwel bepaald volgens een breuk waarvan de teller gelijk is aan de werkelijk ingehouden buitenlandse belasting uitgedrukt in een percentage van het inkomen waarop die belasting betrekking heeft, beperkt tot vijftien, en de noemer gelijk is aan honderd verminderd met het cijfer van de teller. Wanneer de buitenlandse belasting ten last van de schuldenaar valt ter ontlasting van de verkrijger van het inkomen, blijft de noemer vastgesteld op honderd’”. Deze toevoeging werd als volgt toegelicht: “Het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting (F.B.B.) strekt ertoe de internationale dubbele belasting te vermijden van in het buitenland belaste en door Belgische verblijfhouders ontvangen interesten, retributies of dividenden wanneer die niet als voorkomend van vaste deelnemingen kunnen beschouwd worden en dus niet als definitief belaste inkomsten (D.B.I.) in aftrek kunnen komen. In het begrotingsconclaaf van juli 1990 heeft de Regering de principiële beslissing genomen om het F.B.B. te vervangen door de verrekening van de werkelijk ingehouden buitenlandse belasting. Er wordt voorgesteld dit thans te doen doch enkel met betrekking tot de interesten. Voor deze zal voortaan alleen de werkelijk ingehouden buitenlandse belasting in aanmerking worden genomen, met een maximum van 15 pct. van het inkomen. (…) Tenslotte wordt niets gewijzigd aan de bestaande principes, met name: - dat voor het vaststellen van het belastbaar inkomen, de werkelijk ingehouden belasting (doch eventueel beperkt tot 15 pct.) aan het netto-inkomen moet worden toegevoegd; - Dat de werkelijk ingehouden belasting wel wordt verrekend (in voorkomend geval beperkt tot 15 pct.) maar het niet verrekende gedeelte niet wordt terugbetaald; - Inzake de wijze van verrekening. (…)”
(10). Tijdens de parlementaire besprekingen werd ook het volgende overwogen: “Een lid erkent de gegrondheid van de bepaling die ertoe strekt het forfaitaire gedeelte van de buitenlandse belasting (FBB) te vervangen door de verrekening van de werkelijk ingehouden buitenlandse belasting (…). Hij vraagt zich echter af waarom beslist is het verrekenbare bedrag van het forfaitair gedeelte van de buitenlandse belasting tot 15% te beperken. De Staatssecretaris voor Financiën verklaart dat het forfaitaire gedeelte van de buitenlandse belasting zowel wordt toegepast op inkomsten uit landen die met België een bilaterale overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting hebben gesloten, als op inkomsten uit landen waarmee geen overeenkomst bestaat. In die overeenkomsten worden de inhoudingen aan de bron gewoonlijk tot 15 pct. beperkt om de belastingdruk tussen beide landen – het “bron-land” en het land waar de gerechtigde verblijft – te verdelen. Bij ontstentenis van een overeenkomst bedraagt de inhouding, de roerende voorheffing volgens Belgisch recht, gewoonlijk meer dan 15% en kan zij tot 25 en zelfs 30% oplopen. Het eenzijdige aanvaarden van een volledige verrekening van een belasting van dat niveau zou er voor België op neerkomen dat het de in het buitenland geïnde belasting volledig in aanmerking neemt, terwijl die last volgens de overeenkomsten gedeeld wordt. Bij internationale onderhandelingen kan onder bepaalde voorwaarden en voor ontwikkelingslanden worden aanvaard dat meer dan 15% wordt verrekend, maar België kan niet eenzijdig afzien van de mogelijkheid om over de verdeling van de last tussen beide landen te onderhandelen. Daarom is in het ontwerp voorzien in een beperking van het FGBB tot 15%, die in feite alleen op de landen zonder overeenkomst zal worden toegepast. (…)”
(11). De wetswijziging van 1990 wijzigde het bedrag van het te verrekenen en het te bruteren FBB, maar deed geen afbreuk aan voormeld uitgangspunt dat, gelet op de duidelijke wettekst van voormeld artikel 29, in de context van dubbelbelastingverdragen, niet noodzakelijk een link bestaat tussen het te verrekenen FBB (volgens het verdrag) en het te bruteren FBB (volgens artikel 29). Het is evenwel naar aanleiding van die wetswijziging dat administratie zijn eerder standpunt wijzigde en voorhield dat er een link moet bestaan tussen verrekening en brutering, en dat brutering aldus, wanneer een dubbelbelastingverdrag geldt, net als verrekening, overeenkomstig dat verdrag moet gebeuren, in weerwil van de wettekst
(12). De wettekst laat die link echter niet toe: indien een verdrag geldt, moet een eventueel hogere verrekening voorzien in het verdrag worden toegestaan, dat moet worden gerespecteerd, maar dit doet geen afbreuk aan de nationale regels inzake brutering. Naar aanleiding van de inkanteling van voornoemd artikel 29 in (artikel 37 van) het WIB92 werd in artikel 37 enkel de eerste paragraaf van artikel 29 hernomen, maar niet de derde paragraaf van artikel
- De derde paragraaf werd hernomen in artikel 287 WIB92 (alwaar het bedrag van het te verrekenen FBB wordt bepaald). Echter blijkt nergens uit de parlementaire voorbereidingen van het WIB92 de bedoeling van de wetgever om op dat moment een link te creëren tussen het verrekenen en het te bruteren FBB en een situatie te willen creëren waarbij, in zoverre het bedrag van het te verrekenen FBB door een DBV wordt bepaald, ook het bedrag van het te bruteren FBB overeenkomstig dat verdrag te bepalen. De opsplitsing van voormeld artikel 29 over de artikelen 37 en 286-287 WIB92 was een loutere tekstuele/structurele beslissing, zonder dat daarachter enige inhoudelijke reden schuil lijkt te gaan. Op basis van de wetgeschiedenis van artikel 37, derde lid, WIB92 moet aldus worden besloten dat het bedrag van het te bruteren FBB overeenkomstig de artikelen 286 en 287 WIB92 moet worden bepaald en niet in functie van een eventueel in het geding zijnde dubbelbelastingverdrag. Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt m.i. naar recht.
- Besluit: Verwerping. ________________________________
(1)Cass. 22 november 2007, AR F.06.0028.N, AC 2007, nr. 575, ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071122.6, met gelijkluidende concl. van advocaat-generaal THIJS, ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20071122.6.
(2)Cass. 21 maart 2019, AR F.18.0115.F, AC 2019, nr. 173, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190321.1.
(3)Cass. 25 juni 2021, AR F.18.0083.N, AC 2021, nr. 479, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210625.1N.13.
(4)Verslag namens de commissie, Parl.St. Kamer 2000-01, 50, nr. 176/3, 4.
(5)SOBRIE S., “De overheid als procespartij in fiscale zaken”, TFR, nr. 406, september 2001, p .635.
(6)Zie Cass. 21 juni 1999, AR F.99.0049.N, AC 1999, nr. 381, ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990621.10.
(7)Zie het onderscheid dat auteur VAN BRUSTEM maakt, onder verwijzing naar SOBRIE, tussen het verschijningsrecht en het initiatiefrecht in VAN BRUSTEM E., “Wie mag hoger beroep instellen namens de Belgische Staat?”, noot bij Cass. 21 maart 2019, TFR, nr. 602, mei 2021, p. 516, randnummer 6.
(8)Vgl. Cass. 9 januari 2003, AR F.00.0109.F, AC 2003, nr. 17, ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030109.21, met gelijkluidende concl. van procureur-generaal HENKES, op datum in Pas., ECLI:BE:CASS:2003:CONC.20030109.21; Cass. 16 oktober 1997, AR F.95.0034.N, AC 1997, nr. 410, ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971016.3; Cass. 29 juni 1984, AR F.11.0055.N, AC 1984, nr. 621, ECLI:BE:CASS:1984:ARR.19840629.14.
(9)Verslag van 21 oktober 1988 namens de Commissie voor de Financiën uitgebracht door de heren Weyts en Moens bij het Ontwerp van wet houdende hervorming van de inkomstenbelasting en wijziging van de met het zegel gelijkgestelde taksen, Parl.St. Senaat, bijzondere zitting 1988, nr. 440-2, p. 158.
(10)Memorie van Toelichting bij het Ontwerp van Programmawet van 23 november 1990 betreffende verscheidenen fiscale en niet-fiscale bepalingen, Parl.St. Kamer, zitting 1990-1991, nr. 1366/1, p. 13-14.
(11)Verslag namens de Commissie voor de Financiën van 13 december 1990 bij het Ontwerp van Programmawet betreffende verscheiden fiscale en niet-fiscale bepalingen, Parl.St. Kamer, zitting 1990-1991, nr. 1366/6, p. 49.
(12)Zie Circ. R
- Div./449.830 van 8 april
- Zie ook Parl.Vr. nr. 582, Bull.Bel., nr. 733, p. 3496; Parl.Vr. nr. 242, Bull.Bel., nr. 725, p.
- PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231123.1N.7 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231123.1N.7 citeert: ECLI:BE:CASS:1984:ARR.19840629.14 ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971016.3 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990621.10 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030109.21 ECLI:BE:CASS:2003:CONC.20030109.21 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071122.6 ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20071122.6 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190321.1 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210625.1N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div