← België

L. contra AXA BELGIUM N.V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 28 november 2023

Art. 155

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 155

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Rechtspleging in hoger beroep Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 155

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: DESKUNDIGENONDERZOEK Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 155

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 5 - 8 Het appelgerecht, voor zover het op dezelfde wijze is samengesteld als op de rechtszitting waarop de deskundige werd gehoord, kan in de beslissing melding maken van de gezegdes van de deskundige op die rechtszitting, ook al werden die niet genoteerd op het proces-verbaal van de rechtszitting; de vaststelling in de beslissing dat de deskundige bepaalde verklaringen heeft afgelegd, geldt tot inschrijving wegens valsheid; dit alles houdt geen miskenning van het recht van verdediging in

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: GRIFFIE. GRIFFIER Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 155

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 155

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: DESKUNDIGENONDERZOEK Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 155

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Rechtspleging in hoger beroep Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 155

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 9 - 11 De omstandigheid dat een tegenexpertise op stalen niet meer mogelijk is omdat de stalen zijn vernietigd en een beklaagde niet in kennis werd gesteld van deze vernietiging, houdt niet in dat de bevindingen van het eenzijdig uitgevoerde deskundigenonderzoek steeds als bewijs moeten worden uitgesloten; het staat aan de rechter onaantastbaar te oordelen in welke mate die bevindingen nog dienstig kunnen zijn voor de waarheidsvinding, rekening houdende onder meer met de door de partijen gemaakte opmerkingen over de verrichtingen en de bevindingen van de deskundige, de mogelijkheid van partijen om in een eerdere fase van de rechtspleging een tegenexpertise te verzoeken, de afwezigheid van enige betwisting over de verrichtingen en de bevindingen van de deskundige tijdens een eerdere fase van de rechtspleging, de door de deskundige aan de rechter verstrekte en aan de tegenspraak van partijen onderworpen uitleg over zijn verrichtingen en bevindingen en de bevestiging van de bevindingen van de deskundige door andere gegevens van het strafdossier; dit houdt geen schending in van artikel 6 EVRM noch een miskenning van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces; het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek

Art. 43

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 44

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: DESKUNDIGENONDERZOEK Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek

Art. 43

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 44

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek

Art. 43

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 44

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de conclusie P.23.1104.N Conclusie van advocaat-generaal Bart DE SMET: “Het ontbreken van tegenspraak tijdens een deskundigenonderzoek bevolen tijdens het gerechtelijk onderzoek en de onmogelijkheid van een tegenexpertise”.

  1. Vooraf.
  2. Het hof van beroep te Brussel heeft eiser bij arrest van 26 juni 2023 schuldig bevonden aan het opstellen van een valse aangifte van brandstichting van zijn voertuig om de verzekering op te lichten (feit C en F), opzettelijke brandstichting bij nacht van een parasol van de gemeente Sint-Pieters-Leeuw met de bedoeling dat de brand zou overslaan op een gebouw van die gemeente (feit D), opzettelijke brandstichting van een parasol toebehorend aan BVBA P.R.O. Brussels en Mevr. M. (feit E) en opzettelijke brandstichting bij nacht van de eigen wagen Volkswagen Tiguan (feit H.).
  3. Voor zover gericht tegen de vrijspraak wegens feiten A, B en G, is het cassatieberoep niet-ontvankelijk, bij gebrek aan belang.
  4. De onmogelijkheid van een tegenexpertise in de fase ten gronde.
  5. In zijn eerste middel, eerste onderdeel, voert eiser tegen de veroordeling wegens feit H aan dat het autowrak reeds tijdens het gerechtelijk onderzoek is vernietigd, zonder enige verwittiging van eiser, zodat er geen tegenexpertise meer mogelijk is. Omdat er geen tegenspraak mogelijk is over een cruciaal bewijselement, is de schuldigverklaring in strijd met het recht op een eerlijk proces (art. 6.1 EVRM) en het recht van verdediging.
  6. Beoordeling. Het feit dat het voorwerp van het technisch onderzoek verricht door een gerechtsdeskundige aangesteld tijdens het vooronderzoek niet meer beschikbaar is voor een eventueel tegenonderzoek in een latere procesfase, op vraag van de beklaagde, houdt nog geen schending in van het recht op een eerlijk proces (art. 6.1 EVRM). In een zaak van 1997 over oordeelde het Hof: “ Het is niet omdat de deskundige alle stalen heeft ‘opgebruikt’ voor zijn technisch onderzoek, dat zijn methoden en besluiten onbetrouwbaar zijn, en de rechter om die reden het deskundig verslag als bewijs zou moeten uitsluiten”

(1). Vervolgens oordeelde het Hof op 12 januari 2012: “De omstandigheid dat een tijdens het gerechtelijk onderzoek aangestelde deskundige zijn verrichtingen eenzijdig heeft uitgevoerd, houdt op zich geen schending in van artikel 6 EVRM of een miskenning van het recht van verdediging of het recht op een eerlijk proces. Die rechten worden gewaarborgd door de mogelijkheid van partijen om de deskundige ter rechtszitting op te roepen en om het verslag van de deskundige tijdens het debat te bespreken en te bekritiseren…De omstandigheid dat in hoger beroep een tegenexpertise op stalen niet meer mogelijk is omdat de stalen zijn vernietigd, houdt niet in dat de bevindingen van het eenzijdig uitgevoerde deskundigenonderzoek steeds als bewijsgegeven moeten worden uitgesloten. Het staat aan de appelrechters om te oordelen in welke mate die bevindingen nog dienstig kunnen zijn voor de waarheidsvinding, rekening houdende onder meer met de door de partijen gemaakte opmerkingen omtrent de verrichtingen en de bevindingen van de deskundige, de mogelijkheid van partijen om in een eerdere fase van de rechtspleging een tegenexpertise te verzoeken, de afwezigheid van enige betwisting omtrent de verrichtingen en de bevindingen van de deskundige tijdens een eerdere fase van de rechtspleging, de door de deskundige aan de appelrechters verstrekte en aan de tegenspraak van partijen onderworpen uitleg omtrent zijn verrichtingen en bevindingen en de bevestiging van de bevindingen van de deskundige door andere gegevens van het strafdossier. Dit houdt geen schending in van artikel 6 EVRM noch een miskenning van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces”
(2). In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  1. Verder stelt eiser dat het arrest niet of onvoldoende heeft geantwoord op zijn verweer in beroepsconclusie dat zijn recht op tegenspraak onherroepelijk is geschonden wegens de teloorgang van het bewijsmateriaal (autowrak) en dat de bevindingen van de branddeskundige G. ‘volstrekt waardeloos zijn’, gelet op de talrijke tegenstrijdigheden en onjuistheden dienaangaande. Het bestreden arrest neemt aan dat: - hoewel in het grievenformulier voor de eiser wordt vermeld dat hij reeds meermaals verzocht om een tegenexpertise blijkt uit de gegevens van het strafdossier niet dat hij voor de regeling van de rechtspleging of zelfs voor de eerste rechter effectief gevraagd heeft dat een tegenexpertise zou worden uitgevoerd op het wrak van het in de nacht van 13 op 14 juli 2016 uitgebrande personenvoertuig VW Tiguan; - uit nazicht van de procedurestukken blijkt dat de eiser voor het eerst in zijn conclusie neergelegd ter griffie van het hof van beroep op 30 juli 2022 formeel een vraag tot het houden van een tegenexpertise met betrekking tot brand van zijn voertuig in de nacht van 13 op 14 juni 2016 heeft geformuleerd; - het staat vast dat tijdens het gerechtelijk onderzoek een eenzijdig deskundigenonderzoek naar de oorzaak van de brand van het voertuig van de eiser heeft plaatsgevonden; dergelijk eenzijdig onderzoek miskent op zich niet het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces (artikel 6 EVRM); deze rechten worden gewaarborgd door de mogelijkheid voor de partijen om de branddeskundige op de rechtszitting op te roepen en tijdens het debat zijn verslag te bespreken en te bekritiseren; - de branddeskundige werd op verzoek van de eiser gehoord als getuige tijdens de rechtszitting van het hof van beroep van 28 maart 2022; hij heeft de inhoud van zijn verslag toegelicht door de verkolingsgraad en de intensiteit van de temperatuur van het materiaal nader toe te lichten; de branddeskundige heeft daarbij verwezen naar de foto’s gevoegd in zijn verslag; de branddeskundige heeft verduidelijkt waarom de bevinding in het laboverslag van het labo FGP Asse van 14 juli 216 de brand overal even aanzienlijk was in het voertuig niet correct is en niet kan worden gehandhaafd (zie verder randnummer 7 van het bestreden arrest); - de eiser heeft gedurende de gehele procesgang op geen enkel ogenblik duidelijk gemaakt waarom de aanwezigheid van het autowrak nog vereist zou zijn voor het voeren van een tegenexpertise; het is volstrekt onduidelijk welke elementen van onderzoek volgens de eiser dienen te gebeuren op het autowrak zelf; - het autowrak werd volledig en accuraat gedocumenteerd aan de hand van de foto’s genomen door het labo FGP Asse en door de branddeskundige en door de geformuleerde toelichtingen van deze vaststellingen; deze foto’s en de toelichtingen hebben betrekking op de staat van het voertuig VW Tiguan na de brand aan de buitenzijden en binnenin, onder de motorkap, de zitruimte en de kofferruimte; niets heeft de eiser belet een tegenexpertise te laten uitvoeren door een zelfgekozen deskundige op basis van deze data.
  2. Met deze redenen verantwoorden m.i. de appelrechters naar recht de beslissing dat eisers recht van verdediging en zijn recht op een eerlijk proces niet zijn miskend doordat het wrak van het uitgebrande voertuig, als voorwerp voor het deskundigenonderzoek uitgevoerd tijdens het gerechtelijk onderzoek, werd vernietigd voorafgaand aan de regeling der rechtspleging. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  3. Voor zover eiser een miskenning aanvoert van ‘de bewijskracht van stukken’, zonder enige toelichting over het stuk in kwestie, is het onderdeel onduidelijk geformuleerd en aldus niet-ontvankelijk.
  4. Vermeldingen van een getuigenverklaring in het zittingsblad.
  5. Vervolgens stelt eiser in een tweede onderdeel dat zijn recht op verdediging niet werd gewaarborgd door het louter horen van de branddeskundige op de terechtzitting zonder dat van zijn gezegdes enige melding wordt gemaakt op het zittingsblad. Bij gebrek aan enige vermelding door de griffier kan niet worden nagegaan of de in het bestreden arrest aangehaalde toelichtingen wel degelijk overeenkomen met wat de branddeskundige daadwerkelijk heeft gezegd. De appelrechters motiveren hun beslissing op basis van elementen die geen deel uitmaken van het strafdossier, waardoor de schuldigverklaring aan feit H in strijd is met art. 6 EVRM, het recht op een eerlijk proces, het recht van verdediging, de bewijskracht van stukken en de algemene motiveringsverplichting.
  6. Beoordeling. Het is vaste rechtspraak dat een deskundigenonderzoek bevolen door de onderzoeksrechter waaraan de verdachte of de burgerlijke partij niet heeft kunnen deelnemen, als dusdanig geen afbreuk doet aan art. 6 EVRM of het recht van verdediging. De eerbiediging van die bepaling en dat recht kan in beginsel immers worden gewaarborgd bij de behandeling van de zaak voor de vonnisrechter, voor wie de partijen dat verslag vrij moeten kunnen betwisten en tegenspreken
(3). Bovendien kan de strafrechter het onderzoek ter terechtzitting met bijkomende waarborgen omringen, om het tekort aan tegenspraak tijdens de expertise weg te werken
(4). Het Hof oordeelde op 4 januari 2022: “De rechter oordeelt onaantastbaar of er voor het gebrek aan tegenspraak bij een deskundigenonderzoek voldoende compenserende factoren zijn waardoor de partijen het verslag en de bevindingen van de deskundige vrij hebben kunnen betwisten en tegenspreken. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen wettig heeft kunnen afleiden dat het recht van verdediging al dan niet werd gerespecteerd. Wanneer het oordeel van de rechter over de schuld aan een misdrijf op een doorslaggevende wijze op een niet op tegenspraak gevoerd deskundigenonderzoek is gebaseerd, dient de rechter na te gaan of het recht van verdediging van de partijen met betrekking tot dat deskundigenonderzoek daadwerkelijk werd gewaarborgd en er geen afbreuk werd gedaan aan hun recht op een eerlijk proces, met name of de partijen op een relevante wijze kritiek hebben kunnen formuleren op de inhoud van het deskundigenverslag. Bij die beoordeling kan de rechter rekening houden met de omstandigheid dat de partijen of hun technische raadslieden kennis konden nemen van de stukken waarop de deskundige zich heeft gebaseerd, alsook met de omstandigheid dat de deskundige als getuige op de rechtszitting werd gehoord en de partijen de mogelijkheid hadden om bij die gelegenheid aan de deskundige de vragen te stellen die zij nodig achtten”
(5). 10. Gerechtsdeskundigen die op de terechtzitting toelichting geven bij hun verslag, eerder ingediend ter griffie, zijn te beschouwen als getuigen
(6). Artikel 155 Wetboek van Strafvordering bepaalt: “De getuigen doen ter terechtzitting, op straffe van nietigheid, de eed dat zij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zullen zeggen; de griffier houdt daarvan aantekening, evenals van hun naam, voornamen, leeftijd, beroep en woonplaats, alsmede van hun voornaamste verklaringen”. Het proces-verbaal van de rechtszitting in strafzaken is een schriftelijk verslag van het verloop van de rechtszitting dat onder meer tot doel heeft de naleving vast te stellen van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen en de in het proces-verbaal van de rechtszitting opgenomen vermeldingen hebben bewijswaarde tot inschrijving wegens valsheid
(7). 11. De regel dat de griffier de voornaamste verklaringen van de getuige weergeeft in het proces-verbaal van de rechtszitting is niet voorgeschreven op straffe van nietigheid
(8). Verder oordeelde het Hof: “De griffier beoordeelt, onder het toezicht van de voorzitter, wat in het proces-verbaal moet worden opgetekend. Geen enkele wettelijke bepaling verplicht een strafgerecht dat in laatste aanleg uitspraak doet, om in dit stuk de gegevens te vermelden die het in de loop van het onderzoek heeft vergaard”
(9). In zoverre het onderdeel gesteund op art. 6.1 EVRM en het recht op verdediging uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 12. Het Hof nam eveneens aan: “De verplichting die artikel 155 Wetboek van Strafvordering aan de griffier oplegt om aantekening te houden van de voornaamste verklaringen van de ter rechtszitting gehoorde getuigen, geldt niet voor de strafrechtbanken die in hoger beroep uitspraak doen. Evenmin vereist die bepaling dat het vonnis of arrest de voornaamste inhoud van de getuigenverklaringen vermeldt. Het feit dat het proces-verbaal van de rechtszitting of het vonnis of arrest de voornaamste verklaringen van de ter rechtszitting gehoorde getuigen niet vermeldt, houdt geen schending in van artikel 149 Grondwet noch miskenning van enige motiveringsverplichting van de rechter. Evenmin wordt het Hof daardoor belet zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen. Het feit dat bij gebrek aan aantekening van de getuigenverklaringen geen controle kan worden uitgeoefend op de bewijswaardering of de eventuele miskenning van de bewijskracht van die verklaringen door de rechter, doet daaraan geen afbreuk”
(10). Voor zover het onderdeel over de motiveringsverplichting uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  1. Voor het overige lijkt mij het arrest met voldoende redenen te antwoorden op het verweer in conclusie dat het deskundigenonderzoek met als voorwerp het autowrak verricht zonder inspraak van de partijen en zonder mogelijkheid van een tegenexpertise (wegens vernietiging van het wrak) een schending inhoudt van art. 6 EVRM, en kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  2. Uit de stukken waarmee het Hof rekening mag houden blijkt niet dat eiser op de terechtzitting van het hof van beroep aan de voorzitter van de kamer of aan de griffier vroeg om de mondelinge verklaringen van de gerechtsdeskundige te vermelden op het proces-verbaal van de terechtzitting. In zoverre kan het onderdeel over de rechten van verdediging niet worden aangenomen.
  3. Tenslotte verduidelijkt het onderdeel niet hoe en waarom het bestreden arrest een miskenning inhoudt van de bewijskracht van akten en is het onderdeel op dit punt niet-ontvankelijk.
  4. Overige middelen.
  5. Als tweede middel stelt eiser dat het bestreden arrest op geen enkele wijze antwoordt op het verweer in beroepsconclusie dat ook voor de feiten D. en E het deskundigenonderzoek onvolledig is, onder meer wat het aspect van de brandtijd van een parasol, en daardoor de rechten van verdediging ernstig en onherstelbaar zijn miskend.
  6. Mij komt voor dat het bestreden arrest (blz. 21-22) met verwijzing naar getuigenverklaringen en met het oordeel dat de grieven van eiser niet van aard zijn enige twijfel over de schuld te doen ontstaan voldoende redenen bevat als antwoord op het verweer in conclusie, temeer daar de rechter niet verplicht is te antwoorden op elk argument dat geen zelfstandig verweer vormt en alleen ter ondersteuning van een verweer wordt aangevoerd
(11). Het tweede middel gesteund op art. 149 Grondwet mist bijgevolg feitelijke grondslag.
  1. Als derde middel, eerste onderdeel, komt eiser op tegen de motivering dat de uitleg van eiser dat “de rechterbanden van zijn wagen in een brandend benzinespoor stonden” niet strookt met de vaststellingen ter plaatse van de verbalisanten, waarbij de appelrechters uit het aanvankelijk PV-9650/16 (p. 2) volgende passage selecteren: “bij aankomst van de brandweer is er een brandende stof uit het voertuig gelopen dat zich over de rijbaan achter het voertuig heeft verspreid en dat eveneens vuur heeft gevat. De brandweermannen beginnen met het blussen van de oppervlakte van de rijbaan om verdere verspreiding en overslag naar woningen te voorkomen” (blz. 18 arrest). Eiser stelt dat deze vaststellingen “geenszins de mogelijkheid uitsluiten dat de brandende (benzine)stof onder en langs de rechter banden naar de achterkant van het voertuig liepen”, zodat het oordeel dat de uitleg van eiser niet strookt met de vaststellingen van de verbalisanten aan het aanvankelijk PV een lezing geeft die er niet in gelezen kan worden.
  2. Beoordeling. De bewijskracht van een akte (artikelen 8.17 en 8.18 B.W.) bestaat in de vereiste eerbiediging van hetgeen daarin schriftelijk is vastgelegd. De rechter miskent de bewijskracht van een akte indien hij aan een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een verklaring toeschrijft die het geschrift niet bevat dan wel stelt dat het geschrift geen verklaring bevat, terwijl die verklaring er wel in voorkomt (kortom, wanneer de rechter het geschrift doet liegen). De rechter die uit een akte louter een gevolg trekt, feitelijk of juridisch, zonder de bewoordingen van de akte te verdraaien, miskent de bewijskracht van die akte niet
(12). Mij komt voor dat het arrest aan het aanvankelijk proces-verbaal -9650/16 geen uitleg geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen van deze akte, zodat het onderdeel niet kan worden aangenomen.
  1. In een tweede onderdeel voert eiser aan dat het bestreden arrest (blz. 17) stelt dat uit het onderzoek van branddeskundige G. met zekerheid kan besloten worden dat de brand is ontstaan “vooraan links aan de passagierszijde” van het voertuig, terwijl het verslag van de deskundige op p. 14 vermeldt: “het vuur ontstond aan de passagierszijde vooraan rechts in het voertuig”.
  2. Mij komt voor dat de vermelding ‘vooraan links’ is op te vatten als een materiële vergissing, omdat het hof van beroep ook rekening houdt met de verklaringen van gerechtsdeskundige G. ter terechtzitting over een verkolingsgraad die het grootst is aan “de passagierszijde rechts vooraan het voertuig, gelet op het bijna volledig opgebrand zijn van de band” (blz. 17) en over “één brandhaard in het voertuig van eiser, en wel vooraan rechts aan de passagierszijde” (blz.18). Verder stelt het arrest dat de bevindingen van gerechtsdeskundige G. overeenstemmen met de brandschade die blijkt uit de kleurenfoto’s gehecht als bijlage van het verslag van deze deskundige. Die foto’s ondersteunen de visie van de branddeskundige G. dat de profieldiepte van de banden aan de linkerzijde (bestuurderszijde) goed te noemen is, anders dan aan de rechterzijde (passagierszijde) vooraan het voertuig waar de band quasi volledig is verbrand en achteraan waar enkel nog repen uitgebrande band overblijven (blz. 18). Het onderdeel dat miskenning van de bewijskracht van het verslag van gerechtsdeskundige G. aanvoert mist naar mijn mening feitelijke grondslag. Het ambtshalve onderzoek levert m.i. geen grond tot cassatie op en ik concludeer tot verwerping van het cassatieberoep. ______________________________
(1)Cass. 25 februari 1997, AR P.97.0001.N ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970225.11, AC 1997, nr. 110.
(2)Cass. 10 januari 2012, AR P.11.1117.N, arrest niet gepubliceerd, NC 2012, 383 noot L. HUYBRECHTS.
(3)Cass. 4 januari 2022, AR P.21.1017.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220104.2N.2, AC 2022, nr. 1, NC 2022, 63; Cass. 16 maart 2021, AR P.20.1170.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210316.2N.3, AC 2021, nr. 189, NC 2021, 270; Cass. 13 oktober 2015 AR P.15.0769.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151013.4, AC 2015, nr. 600; Cass. 13 november 2012, AR P.12.1082.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121113.1, AC 2012, nr. 610, met concl. van procureur-generaal P. DUINSLAEGER, toen advocaat-generaal; Cass. 26 oktober 2010, AR P.10.1029.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101026.6, AC 2010, nr. 637; Cass. 19 februari 2003, AR P.02.1400.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030219.12, AC 2003, nr. 118, RDP 2004, 126 noot A. FETTWEIS; P. TRAEST en P. VAN CAENEGEM, “De tegensprekelijkheid van het deskundigenonderzoek in strafzaken: een status questionis tenbehoeve van de praktijk”, T. Strafr. 2000, 45-53; P. TRAEST, “Enkele bedenkingen bij een wettelijke regeling van het deskundigenonderzoek in strafzaken”, in Het strafrecht bedreven. Liber amicorum Alain De Nauw, Die Keure 2011, 811-820; F. LUGENTZ, La preuve en matière pénale. Sanction des irréégularités, Anthemis 2017, 78, 82, 94 en 149; M.-A BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 846-848; F. DERUYCK, Overzicht van het Belgisch strafprocesrecht, Die Keure 2021, 157; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel&Svacina 2022, 1100-1101 en 1345; O. MICHIELS en G. FALCQUE, Principes de procédure pénale, Larcier 2023, 300-302.
(4)Cass. 16 maart 2021, AR P.20.1170.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210316.2N.3, AC 2021, nr. 189, NC 2021, 270; D. DE WOLF, Handboek correctioneel procesrecht, Intersentia 2013, 79 en 85.
(5)Cass. 4 januari 2022, AR P.21.1017.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220104.2N.2, AC 2022, nr. 1, NC 2022, 63.
(6)Cass. 16 december 2009, AR P.09.1157.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091216.3, AC 2009, nr. 754, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas.; Cass. 29 januari 1973, AC 1973, 547. Over de gerechtsdeskundige als getuige ter terechtzitting zie A. VANDEPLAS, “Over de rol van de deskundige ter terechtzitting”, RW 1996-97, 1134; F. VANNESTE, “Sancties en herstel van onregelmatigheden bij de eedaflegging van een deskundige in strafzaken”, RW 2005-06, 1262; D. DE WOLF, De rol van de rechter bij de waarheidsvinding in de correctionele procedure, Die Keure 2010, 236; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 1421-1422; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel&Svacina 2022, 1345; F. KUTY; Justice pénale et procès équitable, Larcier 2023, 2312-2319.
(7)Cass. 14 maart 2023, AR P.23.0047.N, AC 2023, nr. 197, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230314.2N.7. Over het proces-verbaal van de terechtzitting zie M.-A BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 1515-1517.
(8)R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, nr. 2388.
(9)Cass. 27 september 2006, AR P.06.1262.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060927.10, AC 2006, nr. 443; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, nr. 2388.
(10)Cass. 20 november 2018, AR P.18.0506.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181120.3, AC 2018, nr. 645.
(11)Cass. 24 mei 2023, AR P.21.1042.F ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230524.2F.4, AC 2023, nr. 375; Cass. 19 mei 2020, AR P.20.0159.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200519.2N.6, AC 2020, nr. 303; Cass. 12 november 2019, AR P.19.0594.N, AC 2019, nr. 585, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191112.2.
(12)Cass. 16 november 2021, AR P.21.1410.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211116.2N.18, AC 2021, nr. 726, RABG 2022, 615; Cass. 2 maart 2021, AR P.20.1234.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210302.2N.11, AC 2021, nr. 150, NC 2021, 345; Cass. 27 oktober 2020, AR P.20.0565.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201027.2N.4, AC 2020, nr. 659, T. Strafr. 2021, 35; Cass. 1 december 2020, AR P.20.0746.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.4, AC 2020, nr. 735; J. DE CODT, “La présentation des moyens de cassation”, in Procederen voor het Hof van Cassatie, Knops Publ. 2016, 170-171; F. VAN VOLSEM, “Enkele vuistregels bij het opstellen van cassatiemiddelen in strafzaken”, in Procederen voor het Hof van Cassatie, Knops Publ. 2016, 283; J. VERBIST en Ph. TRAEST, “Cassatiemiddelen in strafzaken”, in Cassatie in strafzaken, Intersentia 2014, 99-100; J. TANGHE, “De controle van het Hof van Cassatie op de interpretatie van geschriften in een nieuwe verpakking”, RW 2023-24, 122-141. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231128.2N.11 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231128.2N.11 citeert: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970225.11 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030219.12 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060927.10 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091216.3 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101026.6 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121113.1 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151013.4 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181120.3 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191112.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200519.2N.6 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201027.2N.4 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.4 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210302.2N.11 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210316.2N.3 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211116.2N.18 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220104.2N.2 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230314.2N.7 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230524.2F.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.