← België

B. contra BELGISCHE STAAT

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 30 november 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231130.1N.1 Rolnummer: F.22.0008.N Zaak: B. contra BELGISCHE STAAT Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-03-07 Raadplegingen: 393 - laatst gezien 2026-06-18 16:59 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231130.1N.1 Fiche 1 Uit de wetsgeschiedenis van artikel 53, 15°, WIB92 blijkt dat onder het begrip “onherroepelijke en onvoorwaardelijk betaling” moet worden verstaan een definitieve storting in speciën, dit is elke verrichting, met inbegrip van stortingen of overschrijvingen langs post- of bankrekening, die een werkelijke betaling vanwege de bedrijfsleider inhoudt, en dat eenvoudige boekhoudkundige geschriften verricht in de vennootschap uitgesloten zijn; in deze interpretatie kan de debitering van een rekening-courant door een bedrijfsleider niet worden beschouwd als een “betaling” in de zin van artikel 53,15°, WIB92 aangezien deze geen storting in speciën inhoudt; de omstandigheid dat het gedebiteerde credit in rekening-courant werd opgebouwd door werkelijk aan de vennootschap ter beschikking gestelde gelden, doet hieraan geen afbreuk. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Beroepsinkomsten - Beroepskosten Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 53, 15° - 32 Link Justel databank 19920612-32 Fiche 2 De vraag rijst of het redelijk verantwoord is dat, enerzijds, een bedrijfsleider die gelden ter beschikking stelt van zijn vennootschap om vennootschapsverliezen aan te zuiveren zonder de ter beschikking gestelde som op zijn rekening-courant te boeken, deze wel als beroepskost in aftrek kan brengen, terwijl de bedrijfsleider die de ter beschikking gestelde gelden in eerste instantie op het credit van zijn rekening-courant boekt maar de rekening-courant nadien, in het bijzonder in een later belastbaar tijdperk, debiteert, de ter beschikking gestelde gelden niet als beroepskost kan aftrekken van zijn belastbaar inkomen in het belastbaar tijdperk van de debitering; er bestaat dan ook grond om het Grondwettelijk Hof de volgende vraag te stellen: “Schendt artikel 53, 15°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, in samenhang met artikel 49 van dit wetboek, de artikelen 10 en 11 en 170 en 172 van de Grondwet, in zoverre eruit volgt dat de aanzuivering van verliezen van de vennootschap door de bedrijfsleider door onherroepelijk afstand te doen van zijn schuldvordering op de vennootschap door middel van een debitering van zijn rekening-courant, niet als een betaling in de zin van artikel 53,15°, WIB92 en dus als een aftrekbare beroepskost wordt beschouwd, ook al werd de schuldvordering in rekening-courant opgebouwd door werkelijk aan de vennootschap ter beschikking gestelde gelden, terwijl de bedrijfsleider die gelden ter beschikking stelt van zijn vennootschap om vennootschapsverliezen aan te zuiveren zonder de ter beschikking gestelde som op zijn rekening-courant te boeken, deze wel als beroepskost in aftrek kan brengen”? Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 49 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 53, 15° - 32 Link Justel databank 19920612-32 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 170 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Annotaties Publicaties: Fisc.Act.-Fiscale actualiteit: wekelijkse nieuwsbrief - 2024, nr. 43, p. 5-11. - VANDEWEYER, Tim; Noot'Tenlasteneming vennootschapsverlies door bedrijfsleider: debitering rekeningcourant volstaat (niet) voor aftrek' Tekst van de conclusie F.22.0008.N Conclusie van advocaat-generaal Ravyse: Situering. 1. Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt dat de eisers beide bestuurders zijn van een vennootschap waarvan de overgedragen verliezen tussen 2007 en 2011 systematisch toenamen. Tijdens die jaren deden de eisers stortingen aan de vennootschap via rekening-courant. In 2011 namen ze de verliezen van de vennootschap persoonlijk ten laste door debitering van het creditsaldo op hun rekening-courant ten bedrage van € 70.825,55. De administratie weigerde deze tenlasteneming via debitering van de rekening-courant omdat er geen sprake was van een "onherroepelijke en onvoorwaardelijke betaling van een som" (art. 53, 15°, WIB92). De rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, oordeelde bij vonnis van 24 november 2017 dat de debitering van de rekening-courant in 2011 een definitieve kwijtschelding uitmaakt van hun schuldvordering op de vennootschap en dat wel aan de voorwaarden van art. 53, 15°, WIB92 is voldaan. De rechtbank verwijst hiervoor naar de ratio legis van artikel 53, 15° WIB92. Het hof van beroep Antwerpen verklaarde in het bestreden arrest van 15 oktober 2019 het beroep van de Belgische Staat gegrond. De eisers voeren in hun voorziening tegen dit arrest twee middelen tot cassatie aan. Bespreking van de middelen. Eerste middel. 2. Het eerste middel bestaat uit drie onderdelen die als volgt kunnen worden samengevat: - in het eerste onderdeel voeren de eisers aan dat het bestreden arrest niet wettig kon besluiten, op grond van een foutieve interpretatie van de artikelen 53, 15° en 49 WIB92, dat eisers zich niet op de tenlasteneming van de bedrijfsverliezen als beroepskosten konden beroepen omdat de betalingen gebeurden in een ander jaar dan het jaar waarin ze als een onvoorwaardelijke en onherroepelijke afstand van de schuldvordering werden beschouwd door de debitering van hun rekening-courant; - in het tweede onderdeel voeren de eisers aan dat het éénjarigheidsbeginsel niet kan gehanteerd worden om de in de tijd gespreide betalingen en het ogenblik van de uiteindelijke tenlasteneming van de verliezen door de bedrijfsleiders te beoordelen; - in het derde onderdeel voeren de eisers aan dat de appelrechters artikel 53, 15°, WIB92, ten onrechte in het nadeel van de eisers hebben geïnterpreteerd door de uitgaven van de bedrijfsleiders voor beroepsdoeleinden te belasten alhoewel ze tot gevolg hebben verliezen van hun vennootschap te dekken; ze wijzen op artikel 170 van de Grondwet op grond waarvan de belastbaarheid van de verliezen die effectief gedragen worden door de bedrijfsleiders zeker en duidelijk in de wet aanwezig moet zijn, wat onvoorzienbaar was en daarom strijdig met artikel 1 van het Eerste protocol van het EVRM, mede omdat de interpretatie van de appelrechters een onevenredige last oplegt in verhouding tot de door de wetgever nagestreefde doelstelling. Het eerste middel wordt hierna in zijn geheel besproken. 3. Artikel 53, 15°, WIB92 bepaalt dat als beroepskosten niet worden aangemerkt: verliezen van vennootschappen ten laste genomen door natuurlijke personen, behoudens indien het gaat om bedrijfsleiders die deze tenlasteneming verwezenlijken door de onherroepelijke en onvoorwaardelijke betaling van een som voor het behoud van beroepsinkomsten welke die leiders periodiek uit de vennootschap verkrijgen en de aldus betaalde som door de vennootschap volledig wordt gebruikt voor de aanzuivering van haar verliezen. 4. Uit de tekst van deze wetbepaling blijkt dat de volgende cumulatieve voorwaarden gelden voor de aftrekbaarheid van de tenlasteneming van verliezen door de bestuurder: 1. de tenlasteneming door de bedrijfsleider; 2. door een onherroepelijke en onvoorwaardelijke betaling van een som geld; 3. voor het behoud van beroepsinkomsten welke die leiders periodiek uit de vennootschap verkrijgen; 4. de betaalde som wordt volledig door de vennootschap gebruikt voor de aanzuivering van haar verliezen. De appelrechters hebben terecht aangegeven dat de bewijslast met betrekking tot deze voorwaarden om verliezen van de vennootschap fiscaal ten laste te nemen, berust bij de belastingplichtige. 5. De schending van artikel 53,15°, WIB92, bestaat er volgens het eerste onderdeel in dat de appelrechters ten onrechte vertrekken van het uitgangspunt dat er een wettelijk principieel aftrekverbod bestaat voor bedrijfsleiders die de verliezen van hun vennootschap aanzuiveren. Na het weergeven van een citaat uit de Memorie van Toelichting bij de wet die deze bepaling invoerde, overwegen de appelrechters dat het “immers de bedoeling [was] van de wetgever om de aftrekbaarheid van de tenlasteneming van vennootschapsverliezen door bedrijfsleiders in principe uit te sluiten, tenzij aan zeer strikte voorwaarden zou zijn voldaan”. Dit (sub)onderdeel berust m.i. op een verkeerde lezing van het arrest en mist daarom feitelijke grondslag. 6. De voormelde voorwaarden voor de persoonlijke aftrekbaarheid door een bedrijfsleider van vennootschapsverliezen zijn cumulatief. Indien aan één van de voorwaarden niet is voldaan, bestaat er geen recht op aftrek. De appelrechters stellen vast dat: - de eisers zelf stellen dat de in de vorige jaren gestorte gelden zijn aangewend ter ondersteuning van de noodlijdende onderneming, hetgeen de eisers afleiden uit een analyse van de overdraagbare verliezen sinds 2007 en van de liquide middelen sinds 2007; - nu de vennootschap de in de vorige jaren gestorte bedragen toen gebruikt heeft ter financiering van bepaalde kosten, deze bedragen in 2011 niet meer beschikbaar waren om verliezen van dat jaar aan te zuiveren; - ten overvloede dat de stortingen in de jaren 2008 tot en met 2010, in 2011 niet meer konden worden aangewend om verliezen van boekjaar 2011 aan te zuiveren. Met deze overwegingen stellen de appelrechters vast dat niet is voldaan aan de vierde voormelde voorwaarde, namelijk dat de door de eisers in de vorige jaren gestorte gelden echter niet volledig door de vennootschap worden gebruikt voor de aanzuivering van haar verliezen in 2011. Aldus verantwoorden de appelrechter m.i. naar recht dat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 53, 15°, WIB92. 7. Het middel (in zijn geheel) lijkt niet op te komen tegen die beslissing, maar wel tegen de beslissing dat bij de betaling van geldsommen en de debitering van de rekening-courant door de bedrijfsleider het annualiteitsbeginsel moet worden nageleefd, namelijk dat beide operaties zich moeten hebben voorgedaan binnen hetzelfde boekjaar. Het middel dat opkomt tegen een beslissing over (een interpretatie van) de tweede voorwaarde, doet geen afbreuk aan de beslissing over de vierde voorwaarde. Zelfs al zouden de appelrechters ten onrechte beslist hebben dat niet voldaan is aan de tweede voorwaarde over de onherroepelijke en onvoorwaardelijke betaling, hetzij ten onrechte hebben beslist om daaraan een bijkomende tijdsvoorwaarde te voegen door te eisen dat de betaling en de tenlasteneming in hetzelfde (boek)jaar zou moeten gebeuren, dan nog zouden die beslissingen geen afbreuk doen aan de vaststelling dat niet voldaan is aan de vierde voorwaarde over het (rechtstreekse) gebruik van de betaalde sommen. Het komt mij voor dat het bij de eisers ontbreekt aan het vereiste belang bij het inroepen van dit middel. Het middel lijkt mij dan ook niet tot cassatie te kunnen leiden. 8. Ook anders dan waar het middel van uitgaat, lijkt het mij niet tegenstrijdig te beslissen enerzijds dat niet voldaan is aan de voorwaarde van het gebruik van de betaalde som voor de aanzuivering van haar verliezen, anderzijds dat de vorm en de boekingswijze van de betaling van de geldsom niet nader zijn bepaald in de wet. Deze twee beslissingen hebben betrekking op verschillende aspecten van de betaling, namelijk enerzijds de bestemming ervan, anderzijds de vorm en de wijze waarop de betaling dient te gebeuren. In die zin komt het mij voor dat het middel feitelijke grondslag mist en derhalve onontvankelijk is. 9. Indien het middel in die zin dient te worden begrepen dat de appelrechters ten onrechte beslissen dat de tenlasteneming van verliezen via rekening-courant van in vorige jaren gestorte bedragen in strijd is met artikel 53, 15°, WIB92, berust het m.i. eveneens op een verkeerde lezing van het arrest. De appelrechters beslissen dat de stortingen in de jaren vóór 2011 in de desbetreffende jaren reeds werden aangewend voor het doen van betalingen, waardoor zij aldus in 2011 niet meer konden worden gebruikt voor de tenlasteneming van verliezen. Met die overweging hebben de appelrechters zich niet uitgesproken over een (“bijkomende”) voorwaarde dat de betaling en de tenlasteneming zich binnen hetzelfde belastbaar tijdperk zouden moeten voltrekken. 10. Bovendien, indien het middel zo dient te worden begrepen dat de appelrechters ten onrechte beslissen dat de verliezen moeten worden ten laste genomen door de betaling van liquiditeiten, berust het m.i. niet enkel op een verkeerde lezing van het arrest, maar ook op een verkeerde rechtsopvatting. Opnieuw kan worden verwezen naar de vaststelling van de appelrechters dat de stortingen in de vorige jaren voor iets anders werden gebruikt, terwijl artikel 53, 15°, WIB92 bepaalt dat de betalingen specifiek moeten worden gebruikt voor de tenlasteneming van de verliezen. In die zin lijkt het middel aan feitelijke grondslag te ontbreken en is het onontvankelijk. Zowel uit de voorbereidende werken, als uit de toelichtingen door de minister en door de administratie, blijkt dat de bedoeling van de wetsbepaling er bestond dat de bedrijfsleider liquiditeiten betaalt aan de vennootschap specifiek voor de tenlasteneming van de verliezen. Daaruit volgt dat de toepasselijke wetsbepaling met de betaling doelt op een (onherroepelijke en onvoorwaardelijke) overdracht van liquiditeiten door de bedrijfsleider waarvan het verband met de tenlasteneming van verliezen duidelijk moet vaststaan. In die zin lijkt het middel te berusten op een verkeerde rechtsopvatting en kan het niet worden aangenomen. Tweede middel. 11. In het eerste onderdeel van het tweede middel voeren eisers aan dat, vermits zij een schending door een nationale wetsbepaling van de artikelen 10, 11, 170 en 172 Gw. en van de artikelen 14 EVRM en 1 EP bij het EVRM hadden aangevoerd, het bestreden arrest artikel 53, 15° WIB92 niet kon toepassen zonder een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. In het tweede onderdeel van het tweede middel verzoeken de eisers, in subsidiaire orde, het Hof deze vraag voor te leggen aan het Grondwettelijk Hof. In de voorgestelde prejudiciële vraag zag de eiseres een niet verantwoord onderscheid tussen belastingplichtigen die vennootschapsverliezen ten laste nemen door de storting van een geldsom en zij die dat doen door een schuldvordering op de vennootschap kwijt te schelden. 12. De door de eisers voorgestelde prejudiciële vraag gaat voorbij aan de feitelijke vaststelling in het bestreden arrest dat de betalingen in de jaren 2008 tot en met 2010, in het boekjaar 2011 niet meer beschikbaar waren voor de aanzuivering van de verliezen van 2011. Op grond van deze vaststelling was er, bij gebrek aan belang, geen grond voor de appelrechters om nog een prejudiciële vraag voor te leggen aan het Grondwettelijk Hof. Om die reden komt het mij voor dat dit middel niet tot cassatie kan leiden en niet ontvankelijk is. De prejudiciële vraag dient m.i. niet te worden gesteld. Besluit: verwerping. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231130.1N.1 Gerelateerde publicatie(
  2. s)Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231130.1N.1 gevolgd door: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251120.1N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.