← België

BESTLEASE bv contra WEST-LEASE nv

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 30 november 2023

Art. 1382

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1383- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art.

XI.335, §§ 1 en 2, eerste lid - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2004/48/EEG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten - 29-04-2004 - Art. 13.1 oud

Art. 1382

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1383- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art.

XI.335, §§ 1 en 2, eerste lid - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2004/48/EEG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten - 29-04-2004 - Art. 13.1 oud

Art. 1382

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1383- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art.

XI.335, §§ 1 en 2, eerste lid - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiches 4 - 5 Uit de bepalingen van artikel 13.1. Richtlijn 2004/48/EG, de artikelen. 1382 en 1383 Oud BW en de artikelen XI.335, §§1 en 2, eerste lid WER volgt niet dat, indien de rechter de schadevergoeding wegens inbreuk op een intellectueel eigendomsrecht in redelijkheid en billijkheid vaststelt op een forfaitair bedrag, deze schadevergoeding ten minste het bedrag aan royalty's of vergoedingen moet dekken dat verschuldigd zou zijn indien de inbreukmaker toestemming had gevraagd om het bedoelde intellectuele eigendomsrecht te gebruiken, nu dit bedrag slechts een van de elementen is die de rechter in zijn beoordeling kan betrekken

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: AUTEURSRECHT Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2004/48/EEG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten - 29-04-2004 - Art. 13.1 oud

Art. 1382

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1383- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art.

XI.335, §§ 1 en 2, eerste lid - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2004/48/EEG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten - 29-04-2004 - Art. 13.1 oud

Art. 1382

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1383- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art.

XI.335, §§ 1 en 2, eerste lid - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Tekst van de conclusie C.22.0383.N Conclusie van advocaat-generaal Els Herregodts: (...) Tweede onderdeel.

  1. Eiseressen verwijten de appelrechters de aan eiseressen toekomende schadevergoeding te begroten op 200% van het verschil tussen de in de overeenkomst overeengekomen licentievergoeding en de in de loop van de overeenkomst betaalde licentievergoeding, dit is 200% van € 44.388,40, meer interesten. Eiseressen voeren aan dat door aldus de schadevergoeding wegens inbreuk op de intellectuele eigendomsrechten van eiseressen na het beëindigen van de overeenkomst enkel en alleen te begroten op basis van de tussen partijen overeengekomen bedingen in de ontbonden overeenkomst en de uitvoering die partijen hieraan hebben gegeven, zonder rekening te houden met de door eiseressen aangevoerde concrete omstandigheden van de zaak, zoals het feit dat verweerster onrechtmatig gebruik heeft kunnen maken van de broncode van de door eiseressen ontwikkelde software en hierdoor belangrijke besparingen heeft kunnen doen, de appelrechters aan eiseressen geen passende schadevergoeding toekennen in de zin van de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek, artikel 13 van de Handhavingsrichtlijn en artikel XI.335, § 1 WER (schending van deze bepalingen en van artikel 288, derde lid VWEU). Verder schenden de appelrechters, nog steeds volgens eiseressen, artikel 1184 Oud Burgerlijk Wetboek, door de schadevergoeding louter op grond van de bepalingen van de ontbonden overeenkomst te begroten, terwijl de ontbinding van de overeenkomst ertoe leidt dat de partijen in dezelfde toestand moeten worden teruggeplaatst als die waarin zij zich zouden bevinden als zij geen overeenkomst hadden gesloten.
  2. Ik meen dat, anders dan eiseressen aanvoeren, uit de bepalingen van de artikelen 1382 en 1383 Oud Burgerlijk Wetboek, artikel 13.1 Handhavingsrichtlijn en de artikelen XI.335, § 1 en XI.335, §2, eerste lid WER, niet volgt dat de houder van een intellectueel eigendomsrecht waarop inbreuk is gemaakt, zonder dat hij feitelijke schade dient aan te tonen, betaling kan vorderen van een bedrag ten belope van tweemaal de passende vergoeding die verschuldigd zou zijn geweest indien toestemming was verleend om het bedoelde werk te gebruiken. Artikel 13.1 van de Handhavingsrichtlijn, met het opschrift “Schadevergoeding”, bepaalt: “De lidstaten dragen er zorg voor dat de bevoegde rechterlijke instanties op verzoek van de benadeelde partij de inbreukmaker die wist of redelijkerwijs had moeten weten dat hij inbreuk pleegde, gelasten de rechthebbende een passende vergoeding te betalen tot herstel van de schade die deze wegens de inbreuk heeft geleden. De rechterlijke instanties die de schadevergoeding vaststellen: a) houden rekening met alle passende aspecten, zoals de negatieve economische gevolgen, waaronder winstderving, die de benadeelde partij heeft ondervonden, de onrechtmatige winst die de inbreukmaker heeft genoten en, in passende gevallen, andere elementen dan economische factoren, onder meer de morele schade die de rechthebbende door de inbreuk heeft geleden, of b) kunnen, als alternatief voor het bepaalde onder a), in passende gevallen de schadevergoeding vaststellen als een forfaitair bedrag, op basis van elementen zoals ten minste het bedrag aan royalty’s of vergoedingen dat verschuldigd was geweest indien de inbreukmaker toestemming had gevraagd om het desbetreffende intellectuele-eigendomsrecht te gebruiken.” In België werd de Handhavingsrichtlijn omgezet door de wet van 10 mei 2007

(1). Deze wet verving de corresponderende bepalingen in de verschillende deelwetgevingen omtrent intellectuele eigendom (bv. octrooiwet, auteurswet, …) en voegde nieuwe artikelen aan deze wetten toe. Met betrekking tot artikel 13.1 van de richtlijn bepaalt de Memorie van Toelichting dat “het niet nuttig [werd] geacht om de tekst van de richtlijn letterlijk over te nemen in de wet omdat andere elementen dan die welke in de richtlijn worden beoogd, mogelijk in aanmerking zouden kunnen komen om een forfaitair bedrag als schadevergoeding vast te stellen”
(2). Er werd daarom telkens (enkel) wettelijk bepaald dat wanneer de omvang van de schade op geen andere wijze kan worden bepaald, de rechter de schadevergoeding in redelijkheid en billijkheid kan vaststellen op een forfaitair bedrag. De verschillende deelwetgevingen over intellectuele eigendomsrechten werden samengevoegd in boek XI van het Wetboek Economisch Recht van 28 februari 2013 (hierna WER). Krachtens artikel XI.335, § 1 WER heeft de benadeelde partij recht op de vergoeding van elke schade die hij door de inbreuk op een in artikel XI.334, § 1, eerste lid bepaald recht (zijnde “een uitvindingsoctrooi, een aanvullend beschermingscertificaat, een kwekersrecht, een auteursrecht, een naburig recht, het recht van een producent van databanken of het recht op een topografie van halfgeleiderproducten”) lijdt. Wanneer de omvang van de schade op geen andere wijze kan bepaald worden, kan de rechter volgens § 2 van dat artikel de schadevergoeding in redelijkheid en billijkheid vaststellen op een forfaitair bedrag. De parlementaire voorbereiding bepaalt met betrekking tot dit artikel XI.335 WER dan ook het volgende: “Artikel XI.335 is een weergave in één enkel artikel van artikel 52, paragraaf 4 tot 6, van de BOW
(3), artikel 57 van de wet ter bescherming van kweekproducten, artikel 13 van de wet betreffende topografieën van halfgeleiderproducten, artikel 86bis van de Auteurswet en artikel 12quater van de databankenwet”
(4). Artikel XI.335 WER is in essentie een bijzondere toepassing van artikel 1382 oud BW bij een inbreuk op intellectuele eigendomsrechten
(5). Het artikel gaat dan ook uit van het principe van een integrale schadeloosstelling van de benadeelde houder van het intellectuele eigendomsrecht
(6). De regel onder artikel XI.335 WER is nog steeds dat de werkelijke schade van de benadeelde partij bij de inbreuk moet worden vergoed. Slechts wanneer de omvang van de schade niet kan worden bepaald, kan de rechter de schadevergoeding forfaitair vaststellen. De criteria bepaald in artikel 13.1 van de richtlijn 2004/48/EG kunnen daarbij van belang zijn, maar ook andere criteria
(7). Als richtinggevend criterium voor het vaststellen van een forfaitaire schadevergoeding, past bepaalde rechtspraak de zogenaamde 200%-regel of regel van double damages toe
(8). Die regel houdt in dat de schadevergoeding gelijkgeschakeld wordt aan tweemaal de waarde van het gebruiksrecht van het betrokken intellectuele eigendomsrecht op de reguliere markt, d.i. alsof de vereiste toestemming voor het gebruik zou zijn gegeven. De licentievergoeding die aan een derde aangerekend zou worden voor het gebruik van het intellectuele eigendomsrecht, moet bijgevolg verdubbeld worden om tot het bedrag van de schadevergoeding te komen. De redenering is dat een inbreuk op het intellectuele eigendomsrecht niet mag lonen; de schadevergoeding moet ook een voldoende ontradend effect hebben
(9). Ook de SOFAM
(10)-tarieven gaan daarom uit van de 200%-regel bij een reproductie zonder voorafgaande toestemming
(11). In een eerste ontwerp van de Handhavingsrichtlijn werd de 200%-regel tevens ingeschreven in de ontworpen tekst, waarbij de rechter de keuze zou krijgen tussen deze (forfaitaire) 200%-regel of een schadeloosstelling volgens de werkelijk geleden schade “Member States shall lay down that the judicial authorities shall order an infringer to pay the right holder adequate damages in reparation of the damage incurred by the latter as a result of his intellectual property right being infringed through the infringer having engaged in an activity in the knowledge, or with reasonable grounds for knowing, that it would give rise to such an infringement. To this end, the competent authorities shall award, at the request of the prejudiced party: (
  1. a)either damages set at double the royalties or fees which would have been due if the infringer had requested authorisation to use the intellectual property right in question; (
  2. b)or compensatory damages corresponding to the actual prejudice (including lost profits) suffered by the right holder as a result of the infringement. In appropriate cases, Member States shall lay down that the prejudice suffered can also be deemed to include elements other than economic factors, such as the moral prejudice caused to the right holder by the infringement”
(12). Die bepaling heeft evenwel niet de definitieve versie van de richtlijn, zoals gestemd door het Europees Parlement, gehaald
(13). In de Belgische rechtspraak weigert een andere strekking om die reden dan ook om de 200%-regel zomaar toe te passen
(14). Bovendien moet de schadevergoeding een vergoedend effect hebben; het ontradend effect moet via wettelijke (straf)bepalingen worden nagestreefd
(15). Met het (foutieve) gedrag van de inbreukmaker en de ernst van de inbreuk kan dan ook enkel rekening worden gehouden als daaruit ook een grotere concrete schade voortvloeit
(16). Ook bij een forfaitair bepaalde schadevergoeding is bijgevolg een beoordeling in concreto nodig, om de werkelijke schade van de benadeelde te kunnen benaderen
(17). Bijgevolg is de toepassing van de 200%-regel zeker geen verworven recht onder artikel XI.335 WER; alles hangt af van de concrete omstandigheden. Dat de rechter, die de 200%-regel toepast omdat de benadeelde ook reputatieschade heeft geleden en een verlies op controle op de kwaliteit van het product, wijst op het ontradend karakter van de schadevergoeding als een neveneffect, doet volgens het Hof van Cassatie evenwel geen afbreuk aan de vergoedende functie van de schadevergoeding
(18). Daarentegen is volgens de rechtspraak van het Hof noch de noodzaak om de universele strijd tegen de schending van de intellectuele eigendom te financieren, noch het ontradend karakter van een forfaitair bedrag bovenop de ontdoken rechten, op zichzelf voldoende om de schadevergoeding vast te klikken op 125% van het bedrag van de normaal verschuldigde vergoeding voor het reproduceren van de beschermde werken
(19). Met een arrest van 25 januari 2017 inzake C-367/15
(20)oordeelde het Hof van Justitie dat artikel 13 Handhavingsrichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling als die in het hoofdgeding, volgens welke de houder van een intellectuele-eigendomsrecht waarop inbreuk is gemaakt, van de inbreukmaker hetzij vergoeding van de door hem geleden schade kan verlangen rekening houdend met alle passende aspecten van het concrete geval, hetzij – zonder dat hij de feitelijke schade hoeft aan te tonen – betaling kan vorderen van een bedrag ter hoogte van tweemaal de passende vergoeding die verschuldigd zou zijn geweest indien toestemming was verleend om het betrokken werk te gebruiken. Met dit arrest oordeelt het Hof mijns inziens niet in een andere zin dan hiervoor besproken en wordt inzonderheid daarmee niet afgeweken van de vergoedende functie van de schadevergoeding, hetgeen blijkt uit r.o. 29 van het arrest, waarin expliciet wordt gesteld dat het Hof geen uitspraak doet over de vraag of de invoering van een zogenaamde “niet-compensatoire” schadevergoeding in strijd zou zijn met artikel 13 van richtlijn 2004/
  1. In hetzelfde randnummer kan worden gelezen dat het Hof oordeelde dat niet bleek dat de in het hoofdgeding toepasselijke bepaling een verplichting tot betaling van dergelijke schadevergoeding inhoudt. De randnummers 30 en 31 van het arrest bevestigen naar ik meen dat met het arrest niet wordt afgeweken van de vergoedende functie van de schadevergoeding: “Zo dient erop te worden gewezen dat de loutere betaling van de hypothetische royalty’s in het geval van een inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht niet kan waarborgen dat de volledige daadwerkelijk geleden schade wordt vergoed, aangezien de betaling van die royalty’s als zodanig niet verzekert dat de in overweging 26 van richtlijn 2004/48 aangehaalde kosten voor onderzoek en opsporing van mogelijke inbreukmakende handelingen worden terugbetaald, en evenmin dat eventuele morele schade wordt vergoed (zie, wat dit laatste aspect betreft, arrest van 17 maart 2016, Liffers, C 99/15, EU:C:2016:173, punt 26), of nog dat rente over de verschuldigde bedragen wordt betaald. OTK heeft immers ter terechtzitting bevestigd dat de betaling van een bedrag ter hoogte van tweemaal de hypothetische royalty’s in de praktijk neerkomt op een vergoeding waarvan het bedrag lager is dan wat de rechthebbende zou kunnen vorderen op grond van de „algemene beginselen” in de zin van artikel 79, lid 1, punt 3, onder a), van de auteurswet”. (r.o. 30) Niet uitgesloten kan worden dat in uitzonderlijke gevallen de vergoeding van schade die wordt berekend op basis van het dubbele van de hypothetische royalty’s, zo duidelijk en aanzienlijk de daadwerkelijk geleden schade overstijgt dat een vordering in die zin een door artikel 3, lid 2, van richtlijn 2004/48 verboden rechtsmisbruik zou kunnen uitmaken. Evenwel blijkt uit de ter terechtzitting door de Poolse regering geformuleerde opmerkingen dat volgens de in het hoofdgeding toepasselijke regeling de Poolse rechter in een dergelijk geval niet gebonden is door de vordering van de benadeelde partij”. (r.o. 31) Ik meen dan ook dat in zoverre het onderdeel faalt naar recht. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de appelrechters bij de raming van de schadevergoeding wegens de schending van de auteursrechten van de eerste eiseres, geen rekening hebben gehouden met de door de eiseressen aangevoerde concrete omstandigheden van de zaak, is het mijns inziens afgeleid uit het in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde motiveringsgebrek en is het bijgevolg, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. De appelrechters oordelen dat het niet mogelijk is om de omvang van de schade nauwkeurig te begroten, zodat zij de schadevergoeding vaststellen op een forfaitair bedrag volgens artikel XI.335, § 2 WER. Zij nemen daarbij aan dat de maatwerksoftware, gelet op de aard en de specificiteit ervan, ter beschikking kon worden gesteld tegen een globale licentievergoeding van 500.000,00 euro en zetten uiteen dat de eiseressen zelf van eenzelfde eenmalige licentievergoeding van 500.000,00 euro uitgaan. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de appelrechters de schadevergoeding louter op grond van de bepalingen van de ontbonden overeenkomst begroten, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag. Derde onderdeel.
  2. Eiseressen voeren aan dat door de aan hen toekomende schadevergoeding te bepalen op basis van de tijdens de overeenkomst door eiseressen gefactureerde en door verweerster betaalde bedragen, zonder rekening te houden met het feit dat deze bedragen ingevolge de ontbinding van de overeenkomst slechts voor 80% daadwerkelijk verworven zijn, de appelrechters de schadevergoeding bepalen op een lager bedrag dan het bedrag aan royalty’s of vergoedingen dat verschuldigd was geweest indien de inbreukmaker toestemming had gevraagd om het desbetreffende intellectuele eigendomsrecht te gebruiken en de appelrechters minder toekennen dan de volgens hun eigen vaststellingen werkelijk geleden schade (schending van de artikelen 1382 en 1383 Oud Burgerlijk Wetboek, van artikel 13 van de Handhavingsrichtlijn, van artikel 288, derde lid VWEU en van artikel XI.335, § 1 WER).
  3. Uit de in het antwoord op het tweede onderdeel vermelde bepalingen volgt niet dat, indien de rechter de schadevergoeding wegens de inbreuk op een intellectuele eigendomsrecht in redelijkheid en billijkheid vaststelt op een forfaitair bedrag, deze schadevergoeding ten minste het bedrag aan royalty’s of vergoedingen moet dekken dat verschuldigd was geweest indien de inbreukmaker toestemming had gevraagd om het desbetreffende intellectuele eigendomsrecht te gebruiken. Dit bedrag aan royalty’s of vergoedingen is slechts een van de elementen die de rechter in zijn beoordeling kan betrekken. Ik meen dat het onderdeel faalt naar recht. Conclusie: verwerping van het cassatieberoep.
(1)Wet van 10 mei 2007 betreffende de burgerrechtelijke aspecten van de bescherming van intellectuele eigendomsrechten, BS 10 mei 2007, 25704.
(2)MvT Wetsontwerp 26 februari 2007 betreffende de burgerrechtelijke aspecten van de bescherming van intellectuele eigendomsrechten, Parl.St. Kamer 2006-07, nr. 2943/001, 30.
(3)D.i. de octrooiwet van 28 maart 1984.
(4)MvT Wetsontwerp 21 februari 2014 houdende de invoeging van boek XI, “Intellectuele eigendom” in het Wetboek van economisch recht en houdende invoeging van bepalingen eigen aan boek XI in de boeken I, XV en XVII van hetzelfde Wetboek, Parl.St. Kamer 2013-14, nr. 3391/001, 65. Zie ook: M.-C. JANSSENS, H. VANHEES en V. VANOVERMEIRE, “De intellectuele eigendomsrechten verankerd in het Wetboek Economisch Recht: een eerste analyse”, IRDI 2014,
(452)493, nr. 178.
(5)Bergen 12 maart 2018, Auteurs & Media 2018-19, 71.
(6)H. VANHEES, “Art. XI.335 WER” in Comm.Handel., XI, Intellectuele eigendom, 2015, 8, nr. 6.
(7)H. VANHEES, “Art. XI.335 WER” in Comm.Handel., XI, Intellectuele eigendom, 2015, 10, nr. 9. Zie ook supra nr. 0.
(8)Brussel 23 maart 2001, JLMB 2002, 859; Brussel 1 februari 2007, JLMB 2007, 1762; Antwerpen 2 september 2020, NjW 2021, 588, noot S. GEIREGAT.
(9)Brussel 1 februari 2007, JLMB 2007, 1762; Rb. Kortrijk 20 april 2004, AM 2005, 57; S. GEIREGAT, “Auteursrecht op foto van architecturaal werk: bescherming en verhoogde schadevergoeding (winstafdracht)” (noot onder Antwerpen 2 september 2020), NjW 2021,
(591)592.
(10)“SOFAM beschermt, verdedigt, onderhandelt, int en verdeelt de rechten van de auteurs van werken uit de visuele kunsten, onder andere plastische, grafische, infografische, fotografische, architecturale werken, werken uit de toegepaste kunsten en audiovisuele werken.” (p. 2 “Tarief SOFAM Tarieven voor de visuele kunsten” (https://www.sofam.be/dbfiles/mfile/800/808/SAC194_2016_NL_Tarif_Sofam_WEB.pdf):
(11)Zie p. 4 “Tarief SOFAM Tarieven voor de visuele kunsten” (https://www.sofam.be/dbfiles/mfile/800/808/SAC194_2016_NL_Tarif_Sofam_WEB.pdf): “Wanneer een werk gereproduceerd wordt zonder voorafgaande toestemming van de auteur en/of van zijn rechthebbende, wordt er een schadevergoeding voorzien van 200% van het basisrecht met een minimum van 123,95€ per exploitatie”.
(12)Art. 17.1 Proposal for a Directive of the European Parliament and of the Council on measures and procedures to ensure the enforcement of intellectual property rights, nr. 2003/0024; Vertaling: 1. De lidstaten bepalen dat de bevoegde rechterlijke instanties de inbreukmaker gelasten de rechthebbende een passende schadevergoeding te betalen ter vergoeding van de schade die deze heeft geleden wegens de inbreuk op zijn intellectuele-eigendomsrecht door de inbreukmaker die wist of redelijke gronden had te weten dat hij een inbreuk pleegde. Hiertoe kennen de bevoegde rechterlijke instanties op verzoek van de benadeelde partij:
  1. a)hetzij een schadevergoeding toe, die wordt vastgesteld op het dubbele van het bedrag van de vergoedingen of rechten die verschuldigd waren geweest indien de inbreukmaker toestemming had gevraagd om het desbetreffende intellectuele-eigendomsrecht te gebruiken;
  2. b)hetzij een compenserende schadevergoeding toe, die overeenkomt met de wegens de inbreuk geleden schade, met inbegrip van de gederfde inkomsten. In passende gevallen bepalen de lidstaten dat het geleden verlies andere elementen dan economische factoren kan omvatten, zoals de morele schade die de rechthebbende door de inbreuk heeft geleden.
(13)Zie voor een overzicht van het legislatieve proces: https://oeil.secure.europarl.europa.eu/oeil/popups/ficheprocedure.do?lang=en&reference=2003/0024(COD). Dat de nationale wetgever wel in een forfaitaire 200%-regel voorziet, is evenwel niet strijdig met het Unierecht, aangezien de richtlijn slechts een minimumharmonisatie beoogt: HvJ 25 januari 2017, nr. C-367/15; S. GEIREGAT, “Verhoogde schadevergoeding voor inbreuk auteursrecht” (noot onder Antwerpen 11 maart 2020), NjW 2020,
(887)887.
(14)Brussel 24 mei 2012, ICIP 2012, 373; Bergen 12 maart 2018, Auteurs & Media 2018-19, 71; Rb. Brussel 28 maart 2007, ICIP 2007, 357, noot F. GEVERS; P. CALLENS, “Schadevergoeding bij inbreuk op intellectuele rechten: een gedurfde gederfde winst?”, Jaarboek Marktpraktijken 2016,
(769)775, nr. 17.
(15)Gent 22 april 1998, IRDI 1998, 232, noot B. DE VUYST; Gent 12 maart 2009, nr. 2006-AR-303, stradalex.com; E. DERCLAYE en A. CRUQUENAIRE, “Quelques considérations sur les modalités d’intervention en justice des sociétés de gestion collective, sur la portée de certaines exceptions au droit d’auteur, et sur l’évaluation du préjudice résultant d’une atteinte au droit d’auteur” (noot onder Brussel 23 maart 2001), AM 2001,
(378)384, nr. 15 en nr. 16; S. GEIREGAT, “Verhoogde schadevergoeding voor inbreuk auteursrecht” (noot onder Antwerpen 11 maart 2020), NjW 2020,
(887)887. Zie ook overweging
(26)van de Richtlijn: “De bedoeling is niet een verplichting te introduceren om te voorzien in een niet-compensatoire schadevergoeding, maar wel schadeloosstelling mogelijk te maken die op een objectieve grondslag berust, waarbij tevens rekening wordt gehouden met de kosten van de rechthebbende, bijvoorbeeld voor opsporing en onderzoek”.
(16)E. DERCLAYE en A. CRUQUENAIRE, “Quelques considérations sur les modalités d’intervention en justice des sociétés de gestion collective, sur la portée de certaines exceptions au droit d’auteur, et sur l’évaluation du préjudice résultant d’une atteinte au droit d’auteur” (noot onder Brussel 23 maart 2001), AM 2001,
(378)384, nr. 15.
(17)Gent 12 maart 2009, nr. 2006-AR-303, stradalex.com (niet-toepassing); Bergen 12 maart 2018, Auteurs & Media 2018-19, 71 (niet-toepassing); Antwerpen 11 maart 2020, NjW 2020, 885, noot S. GEIREGAT (toepassing 200%-regel, o.b.v. overeenstemming met de werkelijke schade van de benadeelde); Gent 26 oktober 2020, Jaarboek Marktpraktijken 2020, 1335 (toepassing 200%-regel, o.b.v. overeenstemming met de materiële en morele schade van de benadeelde); E. DERCLAYE en A. CRUQUENAIRE, “Quelques considérations sur les modalités d’intervention en justice des sociétés de gestion collective, sur la portée de certaines exceptions au droit d’auteur, et sur l’évaluation du préjudice résultant d’une atteinte au droit d’auteur” (noot onder Brussel 23 maart 2001), AM 2001,
(378)383, nr. 14; B. DE VUYST, “Aspecten van aansprakelijkheidsregeling, aansprakelijkheidsverdeling en schadeloosstelling in het auteursrecht” (noot onder Gent 22 april 1998), IRDI 1998,
(238)239, nr. 4; S. GEIREGAT, “Verhoogde schadevergoeding voor inbreuk auteursrecht” (noot onder Antwerpen 11 maart 2020), NjW 2020,
(887)888.
(18)Cass. 13 februari 2012 inzake AR C.11.0432.N, arrest niet gepubliceerd.
(19)Cass. 13 mei 2009 inzake AR P.09.0121.F, AC 2009, nr. 314, ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090513.2.
(20)HvJ EU, 25 januari 2017, C-367/2015, Stowarzyszenie „Olawska Telewizja Kablowa”, ECLI:EU:C:2017:36. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231130.1N.11 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231130.1N.11 citeert: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090513.2 ECLI:EU:C:2017:36 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.