← België

TELENET bv contra OPEN TEXT HOLDINGS INC.

Obsah (5)Art. 1591Art. 1699Art. 1700Art. 1701Art. 1156

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 30 november 2023

Art. 1591

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1699

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1700

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1701

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiche 2 De rechter beoordeelt in feite of het mogelijk is om de prijs van de betwiste schuldvordering te bepalen door de gemeenschappelijke bedoeling van de contractpartijen na te gaan, doch het komt hem niet toe om zich in de plaats te stellen van de partijen en om zelf naar billijkheid de prijs van die schuldvordering te bepalen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: oud

Art. 1156

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1591

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de conclusie C.23.0255.N Conclusie van advocaat-generaal Els Herregodts: (...) Bespreking. Enig middel. Tweede onderdeel.

  1. Eiseres voert aan dat de appelrechters niet naar recht konden beslissen dat het hen niet toekwam om de prijs te bepalen op basis waarvan de naasting kon plaatsvinden, aangezien uit de vaststellingen van de appelrechters volgt dat de prijs voor de overdracht van de betwiste schuldvordering volgens de gemeenschappelijke bedoeling van de overdrager (Actuate International SARL) en de overnemer (tweede verweerster) begrepen was in de globale prijs van 105.745 USD voor de overname van de activa krachtens de overeenkomst van 29 juni 2018, de appelrechters krachtens artikel 1156 Oud Burgerlijk Wetboek verplicht waren de gemeenschappelijke bedoeling van de overdrager en de overnemer na te gaan en zij dus ook verplicht waren na te gaan welk deel van de globale prijs volgens die gemeenschappelijke bedoeling betrekking had op de overdracht van de betwiste schuldvordering, dit ook al werd daarover door verweersters geen verdere toelichting verschaft. Door niettemin te beslissen dat de naasting de facto onmogelijk is, omdat het hen niet toekomt de prijs te bepalen op basis waarvan de naasting kan plaatsvinden, spijts de betwiste schuldvordering ten bezwarende titel aan tweede verweerster werd overgedragen en de prijs van die overdracht een onderdeel is van het akkoord tussen overdrager en overnemer, hebben de appelrechters, nog steeds volgens eiseres, ten onrechte nagelaten de gemeenschappelijke bedoeling van de overdrager en de overnemer te onderzoeken en hebben zij de artikelen 1156 en 1591 Oud Burgerlijk Wetboek geschonden. Door de vordering tot naasting van eiseres op die gronden af te wijzen hebben de appelrechters tevens de artikelen 1699, 1700 en 1701 van het oud Burgerlijk Wetboek geschonden.
  2. De naasting van een betwist recht, vervat in de artikelen 1699 Oud BW e.v., thans artikel 5.178 BW, vormt een procedurele exceptie: wanneer een eiser in de loop van een gerechtelijke procedure het recht ter discussie overdraagt aan een derde, kan de verweerder het geding beëindigen door aan de overnemer (de nieuwe eiser) het bedrag te betalen dat deze voor de overname van het litigieuze recht heeft betaald, inclusief kosten en interesten. Dit betekent een nulwinst voor de overnemer, die het geïnvesteerde bedrag terugkrijgt, zonder er evenwel een meerwaarde op te hebben gerealiseerd, en een relatief goedkope uitweg uit de procedure voor de verweerder

(1). Bij naasting van een betwist recht (dit is “terugneming” of in het Frans “retrait litigieux”) kan de schuldenaar van een betwist recht dit recht aldus uitwinnen van de overnemende schuldeiser, tegen een (onteigenings)vergoeding die overeenstemt met de werkelijke prijs die de overnemer heeft betaald aan de oorspronkelijke schuldeiser/de overdrager
(2). Het gevolg van naasting is dat de schuldenaar wordt bevrijd van de betwiste schuld door wettelijke onteigening van de overnemer. Door betaling van een onteigeningsvergoeding aan de genaaste overnemer, die gelijk is aan de prijs die hij voor de overdracht heeft betaald, vervallen de rechten die aan hem werden overgedragen en wordt de overnemer geacht die rechten nooit te hebben verworven
(3). Het normdoel van het naastingsrecht is het ontmoedigen van speculaties met geschillen, waarbij derden moeilijk inbare schuldvorderingen opkopen tegen zeer lage prijzen om te speculeren op een volledige terugbetaling
(4). Het contract van overdracht van betwiste rechten betreft dus een kanscontract: de overnemer betaalt minder dan de waarde van de schuldvordering en hoopt dat hij de kosten van het geding alsmede winst kan verkrijgen
(5). De wetgever wil, door invoering van de rechtsfiguur van de naasting, bijgevolg speculatie bestrijden, schuldenaars beschermen en gedingen doen beëindigen
(6). Het doel van de wetgever is met andere woorden het vermijden van processen: de overgedragen schuldenaar wordt tegen het winstbejag van opkopers van processen beschermd door hem de mogelijkheid te bieden aan het proces een einde te maken door naasting van het overgedragen betwiste recht tegen een vergoeding die gelijk is aan de overnameprijs. De wetgever heeft evenwel ook gewild dat de overnemer die de naasting ondergaat, wordt hersteld in de toestand van vóór de overdracht, zodat hem slechts de nagestreefde winst ontsnapt
(7). Indien het niet mogelijk is de overnemer te herstellen in dezelfde toestand als vóór de naasting, is de naasting dan ook ontoelaatbaar
(8). Het naastingsrecht kan slechts worden uitgeoefend bij naleving van welbepaalde strikte voorwaarden. De naasting, die een daadwerkelijke onteigeningsmaatregel uitmaakt van een privaat recht, dient strikt te worden uitgelegd
(9). Zij vormt immers enerzijds een uitzondering op de regel dat niemand tegen zijn wil kan worden beroofd van zijn goederen
(10). Anderzijds vormt de naasting een uitzondering op de principes van de bindende kracht van wettig gesloten contracten en van de contractvrijheid
(11). Volgens een strikte uitleg van de toepassingsvoorwaarden dient de overdracht van een betwist recht tegen betaling van een geldsom te hebben plaatsgevonden. Vereist is met andere woorden dat de tegenprestatie pecuniair van aard is
(12). Dit is logisch: het is precies deze werkelijke prijs die de schuldenaar als vergoeding aan de overnemer moet betalen om het betwiste recht uit te winnen
(13). De werkelijke prijs is de prijs die de overnemende schuldeiser heeft betaald of verschuldigd is aan de overdragende schuldeiser. De waarde van het betwiste recht in het geschil is hierbij niet relevant
(14). In de handelspraktijk komt het regelmatig voor dat een handelsfonds in zijn geheel wordt overgedragen, dit is een feitelijke algemeenheid van goederen die onder meer een veelheid aan schulden en schuldvorderingen omvat. Doorgaans wordt bij die overdracht één globale prijs bedongen voor het geheel, zodat het praktisch niet eenvoudig is om de prijs te bepalen die voor een concrete schuldvordering is betaald
(15). Zo betreft de voorliggende zaak een globale transactie, namelijk een fusie van Actuate Corporation (houder van het auteursrecht) met eerste verweerster (nieuwe houder van het auteursrecht) en een contract tot aankoop van activa met betrekking tot de rechten en verplichtingen voortvloeiend uit de klantencontracten van Actuate International sarl (licentiehouder) aan tweede verweerster (nieuwe licentiehouder), tegen een globale prijs van 105.745 USD. De betwiste schuldvordering op eiseres tot betaling van een schadevergoeding wegens een vermeende inbreuk op de licentievoorwaarden, maakt deel uit van die ruimere overdracht. Het Franse Hof van Cassatie heeft in dit verband reeds meermaals geoordeeld dat het enkele feit dat de overdracht van een betwiste schuldvordering heeft plaatsgevonden in het raam van een overdracht onder bijzondere titel van een blok/een geheel van schuldvorderingen (dit is een feitelijke algemeenheid van goederen) tegen één globaal bedongen prijs, op zichzelf niet van aard is om de toepassing van de naasting uit te sluiten
(16). Zo oordeelde het Franse Hof van Cassatie in een arrest van 27 mei 2008
(17)dat het enkele feit dat de overdracht van schuldvorderingen is gedaan tegen een globale prijs die statistisch is berekend en niet schuldvordering per schuldvordering, op zichzelf niet van aard is om de naasting uit te sluiten, voor zover de feitenrechter vaststelt dat de schuldvorderingen konden worden geïndividualiseerd. Uit de rechtspraak van het Franse Hof van Cassatie volgt evenwel dat naasting van de betwiste schuldvordering, die wordt overgedragen in het kader van een overdracht onder bijzondere titel van een geheel van schuldvorderingen, slechts mogelijk is voor zover de werkelijke prijs van de individuele betwiste schuldvordering kan worden bepaald/uit het overdrachtscontract kan worden gedistilleerd. Indien die prijs niet kan worden bepaald, is de naasting de facto niet mogelijk
(18). Uit de Franse cassatierechtspraak blijkt dat de werkelijke prijs van de betwiste schuldvordering uitsluitend kan worden bepaald aan de hand van het akkoord tussen de overdrager en de overnemer, dit is de gemeenschappelijke bedoeling van partijen. De rechter is verplicht om die gemeenschappelijke bedoeling te onderzoeken
(19). Het Franse Hof van Cassatie oordeelt dat de bodemrechter op grond van zijn soevereine beoordelingsbevoegdheid de gemeenschappelijke bedoeling van partijen bepaalt, rekening houdend met alle precieze en concrete door partijen overgelegde elementen
(20). De bodemrechter beoordeelt soeverein of het al dan niet mogelijk is om de prijs van de betwiste schuldvordering te bepalen
(21). In een aantal arresten heeft het Franse Hof van Cassatie geoordeeld dat de appelrechter die, binnen de uitoefening van zijn soevereine beoordelingsbevoegdheid, oordeelt dat het niet mogelijk is om de prijs te isoleren die werd toegekend voor de betwiste schuldvordering, hieruit wettig mocht afleiden dat de naasting niet mogelijk was
(22). In een ander arrest heeft het Franse Hof van Cassatie een arrest van het hof van beroep bevestigd waarin de appelrechter, op grond van zijn soevereine beoordelingsbevoegdheid, oordeelde dat de prijs voor de overdracht van de betwiste schuldvordering wél statistisch kon worden bepaald (dit is door de globale prijs door het aantal schuldvorderingen te delen) en naasting dus wél mogelijk was, nadat hij had vastgesteld dat
(1)uit het overdrachtscontract/de overgelegde stukken de gemeenschappelijke bedoeling van de contractpartijen kon worden afgeleid om de globale prijs statistisch te berekenen en
(2)de schuldvorderingen konden worden geïndividualiseerd
(23). Deze rechtspraak sluit, vanuit een ruimer perspectief, aan bij de rechtspraak van het Hof inzake de taak van de feitenrechter bij het interpreteren van contracten. Volgens het Hof betreft de uitleg van een contract, en dus de vaststelling van de gemeenschappelijke bedoeling van partijen, een feitenkwestie die onder de beoordelingsbevoegdheid van de bodemrechter valt
(24). Het Hof oordeelt dat de rechter op onaantastbare wijze de draagwijdte van een contract beoordeelt onder verwijzing naar de gemeenschappelijke bedoeling van de partijen
(25). De bevoegdheid van de bodemrechter is evenwel niet onbegrensd en is ter zake ook onderworpen aan een wettigheidstoets door het Hof. Enerzijds mag de rechter de bewijskracht van de akte die het contract vaststelt niet miskennen. Anderzijds mag de rechter, bij het interpreteren van de bedoeling van partijen, de bindende kracht van het contract niet miskennen. Hij mag niet weigeren de gevolgen aan het contract te verbinden die de partijen hebben gewild en hij mag er evenmin andere gevolgen aan verbinden. Zo mag de rechter onder het mom van interpretatie geen bedingen wijzigen of aan het contract toevoegen
(26). Hieruit volgt dat, indien de rechter, op grond van zijn soevereine beoordelingsbevoegdheid, oordeelt dat de prijs van de betwiste schuldvordering niet kan worden bepaald door de gemeenschappelijke bedoeling van contractpartijen na te gaan – en met andere woorden niet kan worden bepaald welk deel van de globale prijs de betwiste schuldvordering betrof – naasting de facto onmogelijk is. Het komt in dat geval niet aan de rechter (of aan de schuldenaar) toe om zelf naar billijkheid de prijs te begroten die de basis kan vormen voor de naasting
(27). Het Franse Hof van Cassatie heeft in dit licht geoordeeld dat de rechter zich niet in de plaats van partijen mag stellen door hen een methode van prijsbepaling op te leggen die niet op hun akkoord berust
(28)en dat de bodemrechter zich niet in de plaats van partijen mag stellen om de prijs van de betwiste schuldvordering te bepalen
(29). Vooreerst vloeit dit logischerwijze voort uit artikel 1591 Oud BW, op grond waarvan de koopprijs bepaald moet zijn en door de partijen moet worden vastgesteld
(30). Vervolgens volgt dit, zoals gezegd, uit de wilsautonomie van de overnemer en de overdrager en de bindende kracht van het overdrachtscontract. Er dient te worden uitgegaan van de prijs die de overnemer en overdrager onderling zijn overeengekomen, zonder dat de rechter die prijs mag wijzigen of een andere prijs mag opleggen
(31). Ten slotte kadert deze oplossing ook binnen de enge interpretatie van de toepassingsvoorwaarden van de naasting: de schuldenaar kan enkel een overgedragen betwist recht uitwinnen tegen betaling van een onteigeningsvergoeding aan de overnemende schuldeiser, indien die vergoeding gelijk is aan de prijs die de overnemer (op basis van een akkoord tussen contractpartijen) ook daadwerkelijk heeft willen betalen voor de overdracht. In casu konden de appelrechters op basis van hun vaststellingen in feite oordelen dat de prijs van de individuele betwiste schuldvordering op de eiseres, overgedragen in het kader van een ruimere overdracht van een feitelijke algemeenheid van goederen, niet kon worden bepaald door de gemeenschappelijke bedoeling van de partijen bij het overdrachtscontract na te gaan. Zij konden dus mijns inziens naar recht besluiten dat naasting de facto onmogelijk was. Uit hun vaststellingen blijkt immers dat:
(1)de werkelijke prijs van de betwiste schuldvordering op de eiseres (nl. het deel van de globale prijs dat betrekking heeft op die schuldvordering) noch op basis van het overdrachtscontract zelf noch op basis van een ander door partijen aangeleverd concreet element kan worden nagegaan;
(2)de gemeenschappelijke bedoeling van de overdrager en overnemer inzake de berekeningsmethode van de globale prijs niet kan worden achterhaald en er met name geen aanwijzing bestaat dat partijen akkoord waren om de globale prijs op een statistische wijze te bepalen;
(3)de overgedragen schuldvorderingen niet kunnen worden geïndividualiseerd. Op grond van deze vaststellingen vermochten de appelrechters naar ik meen in feite te oordelen dat een statistische prijsbepaling van de betwiste schuldvordering (waarbij de globale prijs wordt gedeeld door het aantal schuldvorderingen), noch in rechte mogelijk was, nu de appelrechters geen methode van prijsbepaling aan partijen mogen opleggen zonder hun akkoord, noch in feite mogelijk was, nu de schuldvorderingen niet kunnen worden geïndividualiseerd
(32). De oplossing in het bestreden arrest lijkt aan te sluiten bij de hierboven besproken Franstalige cassatiearresten van 27 mei 2008 en 24 januari 2018. Uit deze arresten blijkt immers dat de bodemrechter de prijs van de individuele betwiste schuldvordering statistisch moet bepalen (en dus niet kan oordelen dat de prijsbepaling van die schuldvordering onmogelijk is) indien hij vaststelt dat:
(1)uit de gemeenschappelijke bedoeling van partijen kan worden afgeleid dat zij de globale prijs statistisch hebben berekend;
(2)de schuldvorderingen kunnen worden geïndividualiseerd. In tegenstelling tot deze arresten, stellen de appelrechters in casu echter in feite vast dat:
(1)uit de gemeenschappelijke bedoeling van partijen niet blijkt dat zij de globale prijs statistisch hebben berekend en
(2)de schuldvorderingen bovendien niet kunnen worden geïndividualiseerd. Hieruit vermochten de appelrechters dus af te leiden dat zij de prijs van de betwiste schuldvordering niet konden bepalen en naasting dus de facto onmogelijk was. Het komt mij dan ook voor dat het onderdeel niet kan worden aangenomen. (...) Conclusie: Verwerping van het cassatieberoep. _______________________________________
(1)S. SOBRIE, “Onbekend maakt onbemind. “Vergeten” vorderingen in het burgerlijk procesrecht” in Smaakmakers in het procesrecht, Antwerpen, Intersentia 2016, 71, nr. 15.
(2)J. VAN DE VOORDE, “De overdracht van schuldvordering ut singuli (onder bijzondere titel)” in Bestendig Handboek Verbintenissenrecht, Mechelen, Kluwer 2023, IV.3, 46-47.
(3)A. CHRISTIAENS, “Art. 1699-1701 BW” in Bijzondere overeenkomsten. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer 2001, IV.A; S. SOBRIE, o.c., 78, nr. 25.
(4)H. DE PAGE, Traité élémentaire de droit civil belge, IV, Brussel, Bruylant 1972, nr. 464; M. CHARLIER, “Le retrait des droits litigieux” in Liber Amicorum Marc Châtel, Antwerpen, Kluwer 1991, 49; zie ook MvT bij art. 5.178 BW, Parl.St. Kamer 2020-2021, nr. 55-1806/001, p. 234: “het betreft een uit het Romeins recht overgeleverde regel die speculatieve cessies wenst te ontmoedigen”.
(5)J. VAN DE VOORDE, o.c., 46.
(6)J. VAN DE VOORDE, o.c., 47.
(7)A. CHRISTIAENS, o.c., I in fine.
(8)A. CHRISTIAENS, o.c., II, B..
(9)Zie Cass.fr. 30 juni 1981, D 1983, 102; Cass.fr. 20 januari 2004, D 2004, 674; Cass.fr. 20 april 2017, nr. 15-24.131.
(10)G. DE FOESTRAETS, “Retrait litigieux et cessions d’universalité”, JT 2010, 606, nr. 5; A. CHRISTIAENS, o.c., II, B.
(11)C. DE JONGHE, “Le retrait litigieux à l’épreuve de la pratique financière contemporaine”, TBH 2019, 218, nr. 4; J. VAN DE VOORDE, o.c., 48.
(12)S. SOBRIE, o.c., 73-74, nr. 19.
(13)G. DE FOESTRAETS, o.c., 606, nr. 5.
(14)G. DE FOESTRAETS, o.c., 606, nr. 6; C. DE JONGHE, o.c., 223, nr. 16; J. VAN DE VOORDE, o.c., IV-3, 56.
(15)S. SOBRIE, o.c., 77, nr. 23.
(16)Bv. Cass.fr. 12 juli 2005, nr. 02-12.451, Bull.civ., I, nr. 319; Cass.fr. 31 januari 2006, nr. 04-14.338; Cass.fr. 24 januari 2018, nr. 16-22.039; Cass.fr. 12 oktober 2022, nr. 21-10.015; goedkeurend: G. DE FOESTRAETS, o.c., 609, nr. 24.
(17)Nr. 07-11.428 en nr. 07-11.530, Bull.civ., IV, nr. 109.
(18)Cass.fr. 31 januari 2006, nr. 04-14.338; Cass.fr. 24 januari 2018, nr. 16-22.039; Cass.fr. 12 oktober 2022, nr. 21-10.015; G. DE FOESTRAETS, o.c., 609, nr. 25; S. SOBRIE, o.c., 77, nr. 23.
(19)G. DE FOESTRAETS, o.c., 609, nr. 26; C. DE JONGHE, o.c., 229, nr. 30: kritisch.
(20)Cass.fr. 24 januari 2018, nr. 16-22.039.
(21)Cass.fr. 31 januari 2006, nr. 04-14.338; Cass.fr. 22 maart 2011, nr. 09-17.118; Cass.fr. 12 oktober 2022, nr. 21-10.015.
(22)Cass.fr. 31 januari 2006, nr. 04-14.338; Cass.fr. 22 maart 2011, nr. 09-17.118; Cass.fr. 12 oktober 2022, nr. 21-10.015.
(23)Cass.fr. 24 januari 2018, nr. 16-22.039.
(24)Bv. Cass. 27 november 2015, AR C.14.0389.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151127.3, AC 2015, nr. 709; S. STIJNS, Leerboek Verbintenissenrecht, 1, Brugge, die Keure 2022, nr. 77.
(25)Cass. 7 mei 1998, AR C.95.0325.N ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980507.3, AC 1998, nr. 227.
(26)S. STIJNS, Leerboek Verbintenissenrecht, 1, Brugge, die Keure 2022, nr. 77.
(27)G. DE FOESTRAETS, o.c., 609, nr. 26; S. SOBRIE, o.c., 77, nr. 23.
(28)Cass.fr. 29 juni 1981, Bull.civ., IV, nr. 298.
(29)Cass.fr. 24 januari 2018, nr. 16-22.039.
(30)G. DE FOESTRAETS, o.c., 609, nr. 26; S. SOBRIE, o.c., 77, nr. 23.
(31)S. SOBRIE, o.c., 74, nr. 19 in fine.
(32)Bestreden arrest, p. 20 en 21. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231130.1N.12 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231130.1N.12 citeert: ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980507.3 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151127.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.