id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 30 november 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231130.1N.5 Rolnummer: F.21.0062.N Zaak: ALLIANCE LAUNDRY bv c. BELGISCHE STAAT, MIN FIN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2024-02-19 Raadplegingen: 909 - laatst gezien 2026-06-18 12:10 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231130.1N.5 Fiche 1 De aangifte in België van inkomsten als vrijgestelde inkomsten, maar waarvan een controle of een onderzoek door de bevoegde autoriteit van een land waarmee België een overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting heeft gesloten, in verband met een belasting waarop die overeenkomst van toepassing is, uitwijst dat de belastingplichtige onterecht een belastingvrijstelling heeft toegepast, impliceert dat belastbare inkomsten niet in België werden aangegeven in de zin van artikel 358, § 1, 2°, WIB92; de belastbare inkomsten omvatten immers de bestanddelen die onterecht door de belastingplichtige als vrijgestelde inkomsten werden beschouwd
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Aanslagtermijnen Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 358 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Fiche 2 De toepassing van het Unierechtelijk antimisbruikbeginsel op feiten daterend uit een periode dat de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie hierover nog niet was gevestigd, is niet in strijd met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Bewijsvoering - Algemeen Fiche 3 Het algemeen rechtsbeginsel van verbod van misbruik van Unierecht moet door de nationale autoriteiten en de nationale rechterlijke instanties worden toegepast en zij moeten aldus de toepassing van het Unierecht weigeren in geval van fraude of misbruik van Unierecht, ook wanneer een nationale antimisbruikbepaling bestaat die in overeenstemming met dat beginsel kan worden geïnterpreteerd maar die op basis van een bepaling van intertemporeel recht nog niet effectief in werking is getreden
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Bewijsvoering - Algemeen Tekst van de conclusie F.21.0062.N Conclusie van advocaat-generaal Van der Fraenen: (…)
- Bespreking van het eerste middel. 2.
- Eiseres voert in het eerste middel de schending aan van artikel 358, § 1, 2°, WIB92, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 1 juli 2016, en van het legaliteitsbeginsel zoals vervat in de artikelen 170 en 172 van de Grondwet. Volgens eiseres hebben de appelrechters ten onrechte de bijzondere aanslagtermijn voorzien in artikel 358, § 1, 2°, WIB92 toegepast op een situatie die niet onder het toepassingsgebied ervan valt, aangezien er in casu geen sprake is van “niet-aangegeven inkomsten” maar van aangegeven inkomsten waarop een vrijstelling werd toegepast. Eiseres voert daarbij aan dat de dividenduitkering wel degelijk werd aangegeven via de aangifte roerende voorheffing van 29 november 2012 en ook de fusiegoodwill werd aangegeven in de vennootschapsbelasting voor het aanslagjaar 2012 Speciaal, en dat het aangegeven karakter van deze inkomsten in het arrest wordt bevestigd. 2.
- Het middel kan m.i. niet worden aangenomen. Krachtens artikel 358, § 1, 2°, WIB92 mag de belasting of de aanvullende belasting worden gevestigd, zelfs nadat de in artikel 354 bedoelde bepaalde termijn is verstreken ingeval een controle of een onderzoek door de bevoegde autoriteit van een land waarmee België een overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting heeft gesloten, in verband met een belasting waarop die overeenkomst van toepassing is, uitwijst dat belastbare inkomsten in België niet werden aangegeven in de loop van één der vijf jaren vóór het jaar waarin de resultaten van die controle of dat onderzoek ter kennis van de Belgische administratie werden gebracht. De wetsgeschiedenis van artikel 358, § 1, 2°, WIB92 pleit voor een ruime interpretatie van die bepaling. Artikel 358, § 1, 2°, WIB92 vindt zijn oorsprong in artikel 263 WIB
- Uit de parlementaire voorbereidingen van de relevante bepalingen van artikel 259 WIB64 blijkt dat het artikel erop is gericht belastingfraude en bepaalde gevallen van uitgesproken belastingontduiking te beteugelen. In dat kader wordt in de memorie van toelichting overwogen: “Tenslotte, wanneer een controle of een onderzoek door een bevoegde overheid van een land waarmee België een overeenkomst tot het voorkomen van dubbele belasting heeft gesloten, inkomsten aan het licht brengt waarvoor het recht van belastingheffing aan België is toegewezen, zou het abnormaal zijn dat die inkomsten niet meer zouden mogen worden belast omdat de aanslagtermijnen zouden verstreken zijn. Om die anomalie te vermijden, welke – aan de betrokken belastingplichtige of aan de Schatkist van het betrokken land – een onverantwoord en door de verdragsluitende Staten ongewild voordeel zou verschaffen, is het aangewezen de administratie in de mogelijkheid te stellen de haar ter kennis gekomen inlichtingen (die haar door de bevoegde buitenlandse overheid ter uitvoering van de overeenkomst of door de belastingplichtige zelf, enz., werden medegedeeld) nuttig te gebruiken en het aan België bij overeenkomst toegewezen recht van belastingheffing uit te oefenen”
(1). (eigen onderlijning) De parlementaire voorbereidingen hebben het derhalve niet louter over het niet aangeven van inkomsten door de belastingplichtige, maar hebben het veel ruimer over het aan het licht brengen van inkomsten waarvoor België heffingsbevoegd is en over het zich onrechtmatig verschaffen van een belastingvoordeel. Vanuit die optiek lijkt het mij dat de aangifte in België van inkomsten als vrijgestelde inkomsten, maar waarvan een controle of een onderzoek door de bevoegde autoriteit van een land waarmee België een overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting heeft gesloten, in verband met een belasting waarop die overeenkomst van toepassing is, uitwijst dat de belastingplichtige onterecht een belastingvrijstelling heeft toegepast, impliceert dat belastbare inkomsten niet in België werden aangegeven in de zin van artikel 358, § 1, 2°, WIB
- De ‘belastbare inkomsten’ omvatten m.i. dan ook de bestanddelen die onterecht door de belastingplichtige als vrijgestelde inkomsten werden beschouwd. Deze opvatting vindt steun in de rechtspraak van het Hof met betrekking tot artikel 358, § 1, 4°, WIB
- Deze bepaling heeft het net zoals artikel 358, § 1, 2°, WIB92 over ‘belastbare inkomsten die niet werden aangegeven’. Het Hof oordeelde in een arrest van 12 maart 2021 dat de vermindering in de aangifte van de belastingplichtige van de belastbare grondslag met niet-aftrekbare bestanddelen impliceert dat belastbare inkomsten in de zin van artikel 358, § 1, 4°, WIB92 niet werden aangegeven, aangezien die belastbare inkomsten immers de niet-aftrekbare bestanddelen ervan bevatten
(2). Hetzelfde geldt m.i. ook voor ten onrechte vrijgestelde inkomsten; de belastbare inkomsten omvatten ook de principieel belastbare maar ten onrechte vrijgestelde bestanddelen. De vereiste dat ‘belastbare inkomsten niet werden aangegeven’ opdat de bijzondere aanslagtermijnen van artikel 358 WIB92 van toepassing zouden kunnen zijn, heeft m.i. dan ook niet alleen betrekking niet-aangifte van inkomsten sensu stricto, maar veeleer op elke onjuistheid in de aangifte die ten onrechte de belastbare inkomsten vermindert.
- Bespreking van het tweede middel. EERSTE ONDERDEEL. 3.
- Eiseres voert aan dat de appelrechters, door het Europeesrechtelijk antimisbruikbeginsel, zoals dat werd geëxpliciteerd in de Deense arresten van 26 februari 2019 toe te passen op een kapitaalvermindering van 1 oktober 2012 en de dividenduitkering van 4 oktober 2012, het algemeen vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel van het Unierecht miskennen, voor zoveel als nodig in samenhang gelezen met artikel 4.3 VEU (dat, wat het Unierecht betreft, uiting geeft aan het algemeen rechtsbeginsel van de primauteit van het internationaal recht op het nationale recht), evenals artikel 1 van het oud Burgerlijk Wetboek en oud artikel 2 van het oud Burgerlijk Wetboek, en het fiscaalrechtelijk legaliteitsbeginsel, zoals vervat in de artikelen 170 § 1 en 172 van de Grondwet. 3.
- Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 26 februari 2019 in de gevoegde zaken C-116/16 en C-117/16 (Skatteministeriet t. T Danmark en Y Denmark Aps) blijkt m.i. onmiskenbaar dat er in het Unierecht een algemeen rechtsbeginsel bestaat volgens hetwelk justitiabelen zich niet door middel van fraude of misbruik kunnen beroepen op het Unierecht (nr. 70); dat het verbod van rechtsmisbruik toepassing vindt in de verscheidene domeinen van het Unierecht (nr. 74, 75) en dat het geen omzetting naar nationaal recht behoeft (nr. 83). 3.
- Eiseres verwijst naar de zaak Kofoed
(3). In die zaak weigerde de Deense belastingadministratie de voordelen van de Europese Fusierichtlijn
(1990)toe te kennen wegens een vermeend misbruik. Overeenkomstig artikel 11
(1)(a) van de fusierichtlijn
(1990)mocht een lidstaat de door de Fusierichtlijn toegekende voordelen weigeren toe te passen wanneer een herstructurering als (één van de) hoofddoel(en) belastingfraude of belastingontwijking heeft
(4). Artikel 11 van de Fusierichtlijn was niet omgezet in het Deens nationaal recht, en het Hof van Justitie oordeelde dat " § 39 … het rechtzekerheidsbeginsel zich ertegen verzet dat richtlijnen uit zichzelf verplichtingen aan particulieren kunnen opleggen. Richtlijnen kunnen als dusdanig niet worden ingeroepen tegen particulieren". Eiseres leidt hieruit af dat het algemeen beginsel van Unierecht dat rechtsmisbruik verboden is niet rechtstreeks kan worden ingeroepen tegen een belastingplichtige en deze belastingplichtige het voordeel van een Europese Richtlijn niet kan ontnemen, wanneer de desbetreffende lidstaat geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om een specifieke antimisbruikbepaling opgenomen in een Europese Richtlijn in het nationale recht om te zetten en wanneer het nationale recht geen antimisbruikbepaling bevat die kan worden geïnterpreteerd in overeenstemming met het algemeen beginsel van gemeenschapsrecht dat rechtsmisbruik verboden is. 3.4. In de ‘Deense arresten’ van 2019
(5)past het Hof van Justitie de principes van het kofoed-arrest echter niet toe, en preciseert tegelijk dat het niet omzetten van een antimisbruikbepaling van een specifieke richtlijn, niet in de weg staat aan de toepassing van het verbod van misbruik van Unierecht: “84 Onder verwijzing naar het arrest van 5 juli 2007, Kofoed (C 321/05, EU:C:2007:408), dat een vrijstelling betreft uit hoofde van richtlijn 90/434/EEG van de Raad van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor fusies, splitsingen, inbreng van activa en aandelenruil met betrekking tot vennootschappen uit verschillende lidstaten (PB 1990, L 225, blz. 1), betogen verweersters in het hoofdgeding dat de betrokken lidstaat ingevolge artikel 1, lid 2, van richtlijn 90/435 slechts mag weigeren de voordelen van deze richtlijn toe te kennen wanneer in de nationale wetgeving een afzonderlijke en specifieke rechtsgrondslag daarvoor bestaat. 85 Deze redenering kan echter niet worden aanvaard. 86 Het is juist dat het Hof in punt 42 van het arrest van 5 juli 2007, Kofoed (C 321/05, EU:C:2007:408), in herinnering heeft gebracht dat het rechtszekerheidsbeginsel zich ertegen verzet dat richtlijnen uit zichzelf verplichtingen aan particulieren kunnen opleggen en derhalve als zodanig door de lidstaat kunnen worden ingeroepen tegen particulieren. (…) 89 Zelfs indien in de hoofdgedingen zou komen vast te staan dat het nationale recht geen regels omvat die in overeenstemming met artikel 5 van richtlijn 90/435 kunnen worden uitgelegd, mag daar echter, ongeacht hetgeen het Hof heeft geoordeeld in het arrest van 5 juli 2007, Kofoed (C 321/05, EU:C:2007:408), niet uit worden afgeleid dat de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties het voordeel dat voortvloeit uit het in artikel 5 van deze richtlijn neergelegde recht op vrijstelling niet kunnen weigeren in geval van fraude of rechtsmisbruik (zie naar analogie arrest van 18 december 2014, Schoenimport „Italmoda” Mariano Previti e.a., C 131/13, C 163/13 en C 164/13, EU:C:2014:2455, punt 54). 90 In dergelijke omstandigheden wordt de weigering aan een belastingplichtige immers niet bestreken door de in punt 86 van het onderhavige arrest genoemde situatie, aangezien deze weigering strookt met het algemene Unierechtelijke beginsel dat niemand zich door middel van fraude of misbruik kan beroepen op het Unierecht (zie naar analogie arrest van 18 december 2014, Schoenimport „Italmoda” Mariano Previti e.a., C 131/13, C 163/13 en C 164/13, EU:C:2014:2455, punten 55 en 56, en aldaar aangehaalde rechtspraak). 91 Aangezien dus in geval van fraude of misbruik geen aanspraak kan worden gemaakt op een recht dat wordt verleend door de rechtsorde van de Unie, zoals in punt 70 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, betekent de weigering van een voordeel dat voortvloeit uit een richtlijn, zoals richtlijn 90/435, niet dat aan de betrokken particulier een verplichting wordt opgelegd uit hoofde van deze richtlijn, maar is dit louter de consequentie van de vaststelling dat enkel formeel is voldaan aan de objectieve voorwaarden die in deze richtlijn aan de verlening van het gewenste recht zijn verbonden (zie naar analogie arrest van 18 december 2014, Schoenimport „Italmoda” Mariano Previti e.a., C 131/13, C 163/13 en C 164/13, EU:C:2014:2455, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak)”
(6). (eigen nadruk) 3.5. Verder dient er op gewezen dat het Hof van Justitie in een vaste rechtspraak oordeelt dat een belastingplichtige die de voorwaarden voor een recht heeft geschapen door fraude of misbruik, kennelijk niet op goede gronden een beroep kan doen op het vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel om zich te verzetten tegen de weigering van toekenning van het betrokken recht
(7). In het licht van deze vaste rechtspraak van het Hof van Justitie dient de door eiseres gesuggereerde prejudiciële vraag m.i. niet te worden gesteld. In zoverre het onderdeel de schending aanvoert van het Unierechtelijk algemeen vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel, in samenhang gelezen met artikel 4.3 VEU, meen ik dat het niet kan worden aangenomen. 3.
- In zoverre het onderdeel schending aanvoert van de artikelen 1 en 2 oud Burgerlijk Wetboek en van het fiscaalrechtelijk legaliteitsbeginsel zoals vervat in de artikelen 170, § 1, en 172 Grondwet lijkt het mij geheel afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van het algemeen vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel van Unierecht en is het m.i. eveneens niet ontvankelijk. TWEEDE ONDERDEEL. 3.
- In het tweede onderdeel voert eiseres aan dat het verlenen van rechtstreekse werking aan het verbod van rechtsmisbruik in het geval waarin een nationale bepaling bestaat die kan worden geïnterpreteerd in overeenstemming met het algemeen beginsel van gemeenschapsrecht dat rechtsmisbruik verboden is, in strijd is met het attributiebeginsel vervat in artikel 5 van het VEU. 3.
- In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 5 VEU, faalt het m.i. naar recht. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 26 februari 2019 in de gevoegde zaken C-116/16 en C-117/16 (Skatteministeriet t. T Danmark en Y Denmark Aps) lijkt mij te volgen dat het algemeen rechtsbeginsel van verbod van misbruik van Unierecht door de nationale autoriteiten en de nationale rechterlijke instanties moet worden toegepast en dat zij aldus de toepassing van het Unierecht moeten weigeren in geval van fraude of misbruik van Unierecht, ook wanneer een nationale antimisbruikbepaling bestaat die in overeenstemming met dat beginsel kan worden geïnterpreteerd maar die op basis van een bepaling van intertemporeel recht nog niet effectief in werking is getreden. Zoals verweerder terecht laat gelden in zijn memorie, komt m.b.t. de voorliggende geschillen, met name de ontzegging van een voordeel geput uit de Europese regelgeving, geen discretionaire bevoegdheid toe aan de nationale wetgever, en kan er dan ook geen sprake zijn van een miskenning van het attributiebeginsel. 3.
- In zoverre het onderdeel de schending aanvoert van de artikelen 170 en 172 Grondwet en van het verbod op invoering van wetten met terugwerkende kracht, lijkt het mij geheel afgeleid uit de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde schending van de artikelen 1 en 2 oud Burgerlijk Wetboek en van het fiscaalrechtelijk legaliteitsbeginsel zoals vervat in de artikelen 170, § 1, en 172 Grondwet, evenals uit de vergeefs aangevoerde schending van artikel 5 VEU, en komt het onderdeel mij derhalve niet ontvankelijk voor. De door eiseres gesuggereerde prejudiciële vragen dienen m.i. niet te worden gesteld. (…) ZESDE ONDERDEEL. 3.
- Eiseres voert aan dat verweerder noch de appelrechters in casu betwisten dat het een terugbetaling van werkelijk gestort kapitaal betrof en dat het algemeen rechtsbeginsel van misbruik van Unierecht bijgevolg niet kan worden toegepast, vermits de Moeder-Dochterrichtlijn enkel handelt over de vrijstelling van uitkering van winst aan de moedermaatschappij en niet over de terugbetaling van werkelijk gestort kapitaal. 3.
- Het onderdeel berust m.i. op een onvolledige lezing van het bestreden arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag. De appelrechters stellen immers vast en oordelen dat de ruime context van de kapitaalverhoging in Interpares bvba, de fusie met Primus Group bvba, de opslorping door Gevoca bvba en vervolgens de kapitaalvermindering zijn aan te merken als het bewijs van het objectief en subjectief element van misbruik, namelijk de bedoeling om met deze verrichtingen de juiste verschuldigde belastingen te vermijden, en de kapitaalvermindering wegens misbruik fiscaal dient te worden aangemerkt als een dividenduitkering waarvoor geen aanspraak kan gemaakt worden op de vrijstelling van de dividendbelasting op grond van de Moeder-Dochterrichtlijn. (…)
- Besluit: Verwerping. _______________________________
(1)Zie Memorie van Toelichting bij het Wetsontwerp van 28 oktober 1975 betreffende de budgettaire voorstellen 1975-1976, Parl.St. Kamer, zittingsperiode 1975-1976, 680 nr. 1, p. 21.
(2)Cass. 12 maart 2021, AR F.19.0059.N, AC 2021, nr. 183, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210312.1N.3.
(3)HvJ, 5 juli 2007, C-321/05 (Hans Markus Kofoed t. Skatteministeriet).
(4)Artikel 11
(1)(a) Richtlijn van de Europese Raad (90/434/EEG) dd. 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor fusies, splitsingen, inbreng van activa en aandelenruil met betrekking tot vennootschappen uit verschillende Lid-Staten.
(5)HvJ, 26 februari 2019 in de gevoegde zaken C-116/16 en C-117/16 (Skatteministeriet t. T Danmark en Y Denmark Aps) en HvJ, 26 februari 2019 in de gevoegde zaken C-115/16, C-118/16, C-119/16 en C-299/16 (N Luxembourg I, X Denmark A/S, C Danmark I en Z Denmark Aps t. Skatteministeriet).
(6)HvJ, 26 februari 2019 in de gevoegde zaken C-116/16 en C-117/16 (Skatteministeriet t. T Danmark en Y Denmark Aps).
(7)Zie HvJ, 18 december 2014, gevoegde zaken C-131/13, C-163/13 en C-164/13 Staatssecretaris van Financiën t. Italmoda Mariano Previti vof en Turbu.com BV, Turbu.com Mobile Phone’s BV t. Staatssecretaris van Financiën, r.o. 60; HvJ, 21 februari 2006, zaak C-255/02 Halifax e.a., r.o. 84; HvJ 8 juni 2000, zaak C-400/98 Breitsohl r.o. 38. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231130.1N.5 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231130.1N.5 citeert: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210312.1N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div