id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 30 november 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231130.1N.8 Rolnummer: C.23.0115.N Zaak: SCHRIJNWERKERIJ TONY MOORS nv contra LAMOT Franz Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2024-05-08 Raadplegingen: 535 - laatst gezien 2026-06-18 13:11 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231130.1N.8 Fiche 1 Het staat aan de partijen door het hoofdberoep en het incidenteel beroep de grenzen te bepalen waarbinnen de rechter in hoger beroep uitspraak moet doen over de aan de rechter voorgelegde betwistingen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Beslissingen en partijen Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 23 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 25 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1050, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1068, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 2 Uit de relatieve werking van het hoger beroep vloeit voort dat, in de regel, het door een van de partijen ingestelde hoger beroep alleen haar ten goede komt
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Algemeen Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 23 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 25 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1050, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1068, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 3 Het gezag van gewijsde van een rechterlijke beslissing in hoger beroep strekt zich uit tot hetgeen waarover de appelrechter uitspraak heeft gedaan binnen de door partijen bepaalde grenzen van het hoger beroep
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTERLIJK GEWIJSDE - GEZAG VAN GEWIJSDE - Burgerlijke zaken Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 23 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 25 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1050, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1068, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiches 4 - 5 Het gezag van gewijsde van een beslissing in hoger beroep waarin de appelrechter uitspraak doet over het hoger beroep van een door de eerste rechter in het ongelijk gestelde partij, strekt zich niet uit tot een andere in het ongelijk gestelde partij, die als procespartij betrokken was in die beroepsprocedure maar zelf geen hoofd- of incidenteel hoger beroep heeft ingesteld en verhindert dus niet dat die partij in een afzonderlijke procedure alsnog hoger beroep instelt
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTERLIJK GEWIJSDE - GEZAG VAN GEWIJSDE - Burgerlijke zaken Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 23 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 25 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1050, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1068, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 23 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 25 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1050, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1068, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de conclusie C.23.0115.N Conclusie van Advocaat-generaal Els Herregodts: (...) Bespreking.
- Eiseres voelt zich gegriefd door de beslissing van de appelrechters om de exceptie van gewijsde opgeworpen door verweerder gegrond te verklaren en, bijgevolg, het hoger beroep van eiseres niet ontvankelijk te verklaren, nu eiseres “niet opnieuw de vordering (kan) instellen waarover het hof reeds uitspraak heeft gedaan in het arrest van 9 september 2021, waarbij zij als procespartij was betrokken, tegenspraak heeft kunnen voeren in de door haar neergelegde conclusie en welke uitspraak ten aanzien van haar gezag van gewijsde heeft”. Door aldus te oordelen, hoewel in het arrest van 9 september 2021 slechts uitspraak werd gedaan over het hoger beroep van twee andere schuldeisers, nu eiseres in deze procedure geen hoger beroep had ingesteld, zodat het gezag van gewijsde van het arrest van 9 september 2021 geenszins verhindert dat eiseres alsnog een eigen hoger beroep zou instellen, schenden de appelrechters volgens eiseres de artikelen 23, 25, 1050, eerste lid en 1068, eerste lid Gerechtelijk Wetboek.
- Deze zaak betreft de verhouding tussen de relatieve werking van het hoger beroep en het gezag van het rechterlijk gewijsde van een beslissing in hoger beroep. Enerzijds is de relatieve werking van het hoger beroep een uitdrukking van het beschikkingsbeginsel. Strikt genomen vallen beide beginselen samen. Beide houden in dat de appelrechter slechts uitspraak kan doen binnen de door partijen bepaalde grenzen van het hoger beroep
(1). Het Hof heeft aan het beginsel van de relatieve werking van het hoger beroep niettemin een autonome betekenis gegeven. Deze relatieve werking houdt in dat, in de regel, het door een van de partijen ingestelde hoger beroep alleen haar ten goede komt
(2). Dit betekent dat, wanneer twee partijen door de eerste rechter in het ongelijk worden gesteld en slechts één van die partijen hoger beroep instelt, de partij die geen hoger beroep instelde, niet kan profiteren van het hoger beroep van de andere partij. Een eventuele hervorming van de beslissing van de eerste rechter zal dan ook enkel de partij die hoger beroep instelde, ten goede komen
(3). Dit betekent ook dat het hoger beroep van de appellant de geïntimeerde niet ten goede kan komen. In zoverre de geïntimeerde zelf geen hoofd- of incidenteel hoger beroep instelde, kan hij derhalve geen hervorming in zijn voordeel van de beslissing van de eerste rechter verkrijgen
(4). Anderzijds wil de wetgever met het gezag van het rechterlijk gewijsde verhinderen dat een eis met hetzelfde voorwerp en dezelfde oorzaak tussen dezelfde partijen in dezelfde hoedanigheid opnieuw wordt ingesteld (de artikelen 23 en 25 Gerechtelijk Wetboek). Wanneer een eisende partij alsnog een eis instelt waarover reeds uitspraak is gedaan, is deze eis niet toelaatbaar. Het gezag van gewijsde strekt zich echter niet verder uit dan tot wat het voorwerp van de beslissing heeft uitgemaakt
(5). Volgens vaste rechtspraak van het Hof strekt het gezag van gewijsde zich uit tot wat de rechter over een betwist geschilpunt heeft beslist en tot wat, ingevolge het geschil dat voor de rechter was gebracht en waarover partijen tegenspraak hebben kunnen voeren, zij het impliciet, de noodzakelijke grondslag van de rechterlijke beslissing vormt
(6). Uit het bovenstaande volgt dat het gezag van gewijsde van een beslissing in hoger beroep zich logischerwijze uitstrekt tot hetgeen waarover de appelrechter uitspraak heeft gedaan, binnen de grenzen van het hoger beroep zoals bepaald door partijen (conform het beschikkingsbeginsel en de relatieve werking van het hoger beroep). Dit betekent dat wanneer het vonnis van de eerste rechter twee partijen in het ongelijk stelt en slechts één partij hiertegen hoger beroep instelt, de appelrechter slechts uitspraak doet met betrekking tot het hoger beroep van die ene partij en de beslissing in hoger beroep dus slechts gezag van gewijsde heeft met betrekking tot dat hoger beroep. Dit is het gevolg van de relatieve werking van het hoger beroep: het hoger beroep zal slechts die ene partij ten goede komen. Dit geldt ook wanneer de andere door de eerste rechter in het ongelijk gestelde partij, die zelf geen hoofd- of incidenteel hoger beroep heeft ingesteld, als procespartij in de beroepsprocedure was betrokken. Het gezag van gewijsde van de beslissing in hoger beroep staat aldus niet eraan in de weg dat die andere partij, die in deze beroepsprocedure als procespartij was betrokken maar zelf geen hoger beroep heeft ingesteld, in een afzonderlijke procedure alsnog een eigen hoger beroep instelt. In de reeds gewezen beslissing in hoger beroep heeft de appelrechter immers nog geen uitspraak gedaan over een hoger beroep ingesteld door die andere partij en het gezag van gewijsde strekt zich hiertoe niet uit. Dit is, zoals hiervoor geschreven, een logisch gevolg van de relatieve werking van het hoger beroep. Het gezag van gewijsde verhindert weliswaar dat een partij haar vordering (in hoger beroep) opnieuw instelt. Aangezien de andere partij nog geen hoger beroep had ingesteld in de eerste beroepsprocedure, kan het gezag van gewijsde echter niet beletten dat zij dat in een latere, afzonderlijke beroepsprocedure alsnog doet. In casu werd bij vonnis van 15 oktober 2019 aan verweerder (de schuldenaar) na faillissement kwijtschelding van zijn restschulden toegekend. Drie schuldeisers (namelijk eiseres en twee andere schuldeisers) hadden hiertegen derdenverzet aangetekend. Bij vonnis van 6 oktober 2020 werden de drie schuldeisers in het ongelijk gesteld: hun derdenverzet werd ongegrond verklaard en de kwijtschelding van de restschulden werd bevestigd. Uitsluitend de twee andere schuldeisers hebben tegen dit vonnis van 6 oktober 2020 hoger beroep ingesteld. Zij vorderden in hoofdorde de wijziging van het bestreden vonnis, door op derdenverzet het vonnis van 15 oktober 2019 te vernietigen en vervolgens te zeggen voor recht dat de kwijtschelding van de restschulden van de verweerder volledig wordt geweigerd. Ondergeschikt vorderden zij te zeggen voor recht dat de kwijtschelding van de restschulden van verweerder slechts voor een deel wordt toegekend, maar wordt geweigerd ten aanzien van de appellanten. De eiseres (als derde schuldeiser) werd als procespartij in de beroepsprocedure betrokken, maar heeft in het kader van die procedure zelf geen hoofd- of incidenteel hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 6 oktober 2020. De appellanten (nl. de twee andere schuldeisers) hadden eiseres, naast verweerder en diens curator, als geïntimeerde aangeduid. Eén van de appellanten vorderde immers in uiterst ondergeschikte orde om – in het geval dat haar vordering onontvankelijk of ongegrond zou worden verklaard – beide appellanten én eiseres (dus de drie schuldeisers) slechts tot één rechtsplegingsvergoeding te veroordelen. Eiseres heeft hiertegen (als procespartij) geconcludeerd en aangevoerd dat zij niet mede tot een rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep kon worden veroordeeld, nu zij geen appellante was in deze procedure; zij geen vorderingen in beroep had ingesteld jegens een procespartij en geen enkele procespartij een vordering lastens haar had ingesteld (buiten dan inzake de rechtsplegingsvergoeding). Indien de appellanten in het ongelijk zouden worden gesteld, zouden dus enkel zij tot één rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep gehouden kunnen zijn. Voor het overige gedroeg eiseres zich als naar recht
(7). Bij arrest van 9 september 2021 hebben de appelrechters het hoger beroep gegrond verklaard. Zij oordelen dat verweerder kennelijk grove fouten heeft begaan die hebben bijgedragen tot het faillissement, zodat de kwijtschelding wordt geweigerd, op grond van artikel XX.173, § 3, WER, met betrekking tot de vorderingen van de appellanten (dit zijn de twee andere schuldeisers), wiens belang zich hiertoe beperkt. Zij oordelen dat “voor de overige restschulden de kwijtschelding aan [verweerder] wordt toegekend. [Eiseres] heeft zelf geen beroep aangetekend tegen de beslissing waarbij haar derdenverzet tegen de toegestane kwijtschelding werd afgewezen, zodat de beslissing ten aanzien van haar ongewijzigd blijft”
(8). Het hof van beroep wijzigt op die grond het bestreden vonnis en verklaart het derdenverzet van appellanten tegen de beslissing om verweerder algehele kwijtschelding te verlenen van zijn restschulden, gegrond. Het hof staat de kwijtschelding slechts gedeeltelijk toe voor alle restschulden behalve voor die ten aanzien van de appellanten
(9). Anders dan waarvan de appelrechters in het bestreden arrest en verweerder in de memorie van antwoord uitgaan, heeft het hof van beroep met dit arrest van 9 september 2021 dus geen uitspraak gedaan over alle restschulden (met inbegrip van die ten aanzien van eiseres). Met de vermelde overwegingen heeft het hof van beroep daarentegen juist toepassing gemaakt van de relatieve werking van het hoger beroep: nu slechts de twee andere schuldeisers hoger beroep hadden ingesteld, kon het hoger beroep enkel hen (en niet eiseres) ten goede komen. Op basis van het door de twee andere schuldeisers ingestelde hoger beroep kon de kwijtschelding enkel ten aanzien van hen worden geweigerd. Het hof van beroep oordeelt in het arrest van 9 september 2021 dus juist dat het géén uitspraak kon doen met betrekking tot de restschulden ten aanzien van eiseres, nu het hof vaststelt dat eiseres zelf geen hoger beroep had ingesteld tegen het vonnis van 6 oktober
- Het hof van beroep stelt dus vast dat het enkel uitspraak kon doen binnen de grenzen van het hoger beroep van de twee andere schuldeisers. Het hof van beroep heeft de kwijtschelding van de restschulden ten aanzien van eiseres dus weliswaar bevestigd (en in die zin dus wel iets gezegd over de restschulden ten aanzien van eiseres), maar niet op grond van een daadwerkelijk eigen oordeel of een eigen uitspraak, maar op basis van de vastgestelde grenzen van het hoger beroep. Vervolgens heeft eiseres (de derde schuldeiser) op 3 januari 2022 in een afzonderlijke procedure echter alsnog een hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 6 oktober
- Verweerder heeft hiertegen een exceptie van gewijsde opgeworpen. Bij het bestreden arrest verklaren de appelrechters die exceptie gegrond en verklaren zij het hoger beroep van eiseres om die reden niet ontvankelijk. Zij oordelen dat: * het arrest van 9 september 2021 gezag van gewijsde heeft ten aanzien van eiseres nu dit arrest werd gewezen tussen dezelfde partijen (verweerder, de curator en eiseres) in dezelfde hoedanigheid, omtrent hetzelfde voorwerp (met name het derdenverzet tegen de beslissing tot kwijtschelding) en met dezelfde oorzaak/feitelijke omstandigheden die de vordering schragen; * het hoger beroep ingesteld door de twee andere schuldeisers de vraag naar de volledige weigering van kwijtschelding van de restschulden behelsde, ondergeschikt slechts de weigering van kwijtschelding van de restschulden ter attentie van de appellanten, en huidig hoger beroep eveneens gericht is op de volledige weigering van kwijtschelding van restschulden en dus dezelfde betwisting betreft; * de voorwaarden van artikel 23 Ger.W. dus vervuld zijn en eiseres niet opnieuw de vordering kan instellen waarover het hof reeds uitspraak heeft gedaan in het arrest van 9 september 2021, waarbij zij als procespartij was betrokken, waarover zij tegenspraak heeft kunnen voeren in de door haar neergelegde conclusie en welke uitspraak ten aanzien van haar gezag van gewijsde heeft. Hierdoor verantwoorden de appelrechters mijns inziens hun beslissing in het bestreden arrest niet naar recht. Eiseres vordert in de afzonderlijk door haar ingestelde procedure in hoger beroep weliswaar in algemene termen de weigering van de kwijtschelding van de restschulden van verweerder. Ten gevolge van de relatieve werking van het hoger beroep komt die weigering van kwijtschelding echter enkel haar (de derde schuldeiser) ten goede. Anders dan waarvan de appelrechters uitgaan, wordt dus niet opnieuw dezelfde vordering in hoger beroep ingesteld. Ten gevolge van de grenzen van het hoger beroep, betrof de vordering in het eerste hoger beroep immers uitsluitend de weigering van kwijtschelding van de restschulden ten aanzien van de twee andere schuldeisers en heeft het hof van beroep in zijn arrest van 9 september 2021 slechts binnen die grenzen uitspraak gedaan. Het gezag van gewijsde van dit arrest verhindert dus niet dat eiseres (als derde schuldeiser) thans hoger beroep instelt en de weigering vordert van de kwijtschelding van de restschulden ten aanzien van haar, waarover in het arrest van 9 september 2021 nog geen uitspraak werd gedaan. Zoals gezegd, vloeit dit logischerwijze voort uit de relatieve werking van het hoger beroep. De appelrechters lijken in het bestreden arrest geen rekening te hebben gehouden met deze relatieve werking of met de grenzen van het hoger beroep, zoals bepaald door de partijen. Ik meen dan ook dat het middel gegrond is. Conclusie: Vernietiging van het bestreden arrest, met verwijzing. __________________________________
(1)G. DE LEVAL (ed.), Droit judiciaire, t. 2, Procédure civile, vol. 2, Voies de recours, Brussel, Larcier 2021, 104; J. LAENENS e.a., Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia 2020, nr. 1625; B. VANLERBERGHE, “Art. 1068 Ger.W.” in Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer 2013, nr. 24.
(2)Cass. 15 januari 2015, AR C.14.0097.F, AC 2015, nr. 40, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150115.3; J. LAENENS e.a., Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia 2020, nr. 1625; B. VANLERBERGHE, o.c., nr. 24; Cass. 3 april 2009, AR C.07.0496.N, AC. 2009, nr. 238, ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090403.4; Cass. 19 maart 2004, AR C.03.0386.F, AC 2004, nr. 159, ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040319.7.
(3)Cass. 19 maart 2004, AR C.03.0386.F, AC 2004; nr. 159, ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040319.7; J. LAENENS e.a., Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia 2020, nr. 1636.
(4)Cass. 3 april 2009, AR C.07.0496.N, AC 2009, nr. 328, ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090403.4, RABG 2009, 1187, noot S. BERNEMAN en T.Fam. 2010, 5, noot T. TOREMANS; J. LAENENS e.a., Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia 2020, nr. 1636; Cass. 29 oktober 1981, AC 1981-82, nr. 150; Cass. 10 februari 1975, AC 1975, 650; zie ook B. VANLERBERGHE, o.c., nr. 24.
(5)J. LAENENS e.a., Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia 2020, nr. 265.
(6)Bv Cass. 9 januari 2020, AR 19.0188.N, AC 2020, nr. 26, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200109.1N.3; Cass. 7 mei 2020, AR C.19.0218.N, AC 2020, nr. 276, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200507.1N.4; G. DE LEVAL (ed.), Droit judiciaire, t. 2, Procédure civile, vol. 1, Principes directeurs du procès civil, Brussel, Larcier 2021, 960-961; Cass. 28 maart 2019, AR C.18.0374.F, AC 2019, nr. 191, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190328.2; Cass. 3 februari 2015, AR P.13.0908.N, AC 2015, nr. 78, , ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150203.4; Cass. 8 maart 2013, AR C.12.0322.N, AC 2013, nr. 163, ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130308.8; Cass. 4 december 2008, AR C.07.0412.F, AC 2008, nr. 698, ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081204.7; Cass. 12 december 2007, AR P.07.0979.F, AC 2007, nr. 629, ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071212.5; Cass. 29 januari 2007, AR C.04.0600.F, AC 2007, nr. 52, ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070129.2.
(7)Eerste beroepsconclusie van de eiseres van 5 april 2021, p. 11.
(8)Arrest van 9 september 2021, p. 10.
(9)Dictum arrest van 9 september 2021, p. 11. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231130.1N.8 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231130.1N.8 citeert: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040319.7 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070129.2 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071212.5 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081204.7 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090403.4 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130308.8 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150115.3 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150203.4 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190328.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200109.1N.3 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200507.1N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div