id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 07 december 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231207.1N.1 Rolnummer: F.21.0210.N Zaak: BELGISCHE STAAT contra ASBJORNSEN BELGIUM nv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2024-03-13 Raadplegingen: 238 - laatst gezien 2026-06-15 06:36 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231207.1N.1 Fiche Het begrip “ruwe tabak” omvat alle tabakswaren die geen tabaksfabrikaten zijn, zodat een halffabrikaat onder de accijnsregeling voor ruwe tabak in de zin van de voormelde bepaling valt
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Wettelijke bepalingen: Wet 3 april 1997 betreffende het fiscaal stelsel van gefabriceerde tabak - 03-04-1997 - Art. 3, § 8 - 40 ELI link Pub nr 1997003241 Tekst van de conclusie F.21.0210.N Conclusie van advocaat-generaal S. Ravyse: Situering. De vraag die aan Uw Hof wordt voorgelegd betreft enerzijds de kwalificatie van “rooktabak” en anderzijds de kwalificatie van “ruwe tabak”. Onder dekking van een elektronisch administratief geleidedocument (e-AD) werd 10.800 kg tabak verzonden vanuit een in België gevestigde belastingentrepot van verweerster met bestemming Riga (Letland). De zending kwam nooit aan op haar bestemming wegens diefstal van de vrachtwagen waarmee de tabak was vervoerd. De verweerster werd door de douane en accijnzen uitgenodigd om de verschuldigde accijnzen te betalen voor een bedrag van 600.096,60 EUR. Verweerster was van oordeel dat zij geen accijns was verschuldigd aangezien de betrokken zending niet als rooktabak kon worden gekwalificeerd, maar halffabricaten betrof die niet aan accijns zijn onderworpen. De toenmalige Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg van Brussel verklaarde het verzet van de verweerster tegen de beschikking van de douane en accijnzen ongegrond. In het bestreden arrest van 11 mei 2021 verklaart het hof van beroep Brussel het hoger beroep van verweerster gegrond en vernietigt de beschikking van douane en accijnzen. Volgens het bestreden arrest ligt het bewijs niet voor dat de verzonden partij goederen beantwoordt aan de kwalificatie 'rooktabak' en meer bepaald dat het gaat om gesneden of op andere wijze versnipperde gesponnen of tot flakes geperste tabak, die geschikt is om zonder verdere industriële verwerking te worden gerookt of om tabaksafval, verpakt voor de verkoop aan de consument. De eiser komt op tegen dit arrest met één middel, bestaande uit twee onderdelen. Bespreking van het enig middel. Eerste onderdeel. Het eerste onderdeel houdt in dat de appelrechter, ondanks de niet-betwiste vaststelling dat de door verweerster verwerkte tabak was "bevochtigd, gemengd, gesneden en gedroogd", niet wettig, zonder schending van het wettelijk begrip "rooktabak" in de zin van artikel 6,
- a)van de Wet van 3 april 1997, kon oordelen dat het bewijs niet voorligt dat de verzonden halffabricaten beantwoorden aan de kwalificatie "rooktabak". Het eerste onderdeel van het middel betreft de kwalificatie van het begrip “rooktabak”. Krachtens artikel 3 van de Wet van 3 april 1997 betreffende het stelsel van gefabriceerde tabak zijn accijnzen en bijzondere accijnzen verschuldigd op de hier te lande in verbruik gestelde tabaksfabricaten, zijnde sigaren, sigaretten en rooktabak (artikel 2 van voormelde wet). Krachtens artikel 6 van de Wet van 3 april 1997 betreffende het stelsel van gefabriceerde tabak wordt als "rooktabak" aangemerkt: "
- a)gesneden of op andere wijze versnipperde gesponnen of tot flakes geperste tabak, die geschikt is om zonder verdere industriële verwerking te worden gerookt;
- b)tabaksafval, verpakt voor verkoop aan de consument, ...". Deze bepaling betreft de omzetting in het Belgisch recht van artikel 4, sub 1, van de Tweede Richtlijn (79/32/EEG) van de Raad van 18 december 1978 betreffende de belasting, andere dan omzetbelasting, op het verbruik van tabaksfabricaten, thans artikel 5.1,
- a)van Richtlijn 2011/64/EU van de Raad van 21 juni 2011 betreffende de structuur en de tarieven van de accijns op tabaksfabricaten. Wat rooktabak betreft, volgt uit de bewoordingen van artikel 2, lid 1, onder c),
- i)en ii), van genoemde richtlijn dat die categorie is onderverdeeld in twee subcategorieën, met als opschrift respectievelijk “tabak van fijne snede voor het rollen van sigaretten” en “andere soorten rooktabak”. Het Hof van Justitie oordeelde in zijn arrest van 6 april 2017 dat gelet op de doelstellingen van de richtlijn, namelijk de harmonisatie en goede werking van de interne markt en in het bijzonder de gezondheidsbescherming, het begrip „rooktabak” niet restrictief mag worden uitgelegd
(1). Blijkens de bewoordingen van artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2011/64 moeten twee cumulatieve voorwaarden zijn vervuld: ten eerste, dat de tabak gesneden of op andere wijze versnipperd, gesponnen of tot flakes geperst is en, ten tweede, dat de tabak geschikt is om zonder verdere industriële verwerking te worden gerookt. Het Hof van Justitie oordeelde dat “Gedroogde, platte, onregelmatige, gedeeltelijk gestripte tabaksbladeren die een primaire droging hebben ondergaan en gecontroleerd zijn bevochtigd, die glycerinesporen bevatten en die na gewone voorbereiding (malen of met de hand versnijden) geschikt zijn om te worden gerookt” onder het begrip “rooktabak” vallen
(2). Advocaat-generaal WAHL komt in zijn uitvoerige analyse van het begrip “rooktabak” tot de vaststelling dat wat de formulering van artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2011/64 betreft, het woord “op andere wijze” in de uitdrukking “op andere wijze versnipperd” erop wijst dat echte rooktabak, zoals in deze bepaling is bedoeld, ruim moet worden uitgelegd zodat verschillende bewerkingen eronder vallen, zonder dat alle mogelijke bewerkingsmethoden moeten worden omschreven
(3). Het Hof van Justitie volgt de analyse dat het begrip "rooktabak" ruim dient te worden geïnterpreteerd en niet uitsluitend betrekking op afgewerkte tabaksproducten, maar ook van zodra de tabak gesneden of op andere wijze versnipperde is, zijnde begrippen waarvan de gebruikelijke betekenis “bijzonder ruim” is
(4). Uit de syntheseberoepsconclusie van verweerster blijkt dat zij het betrokken product zelf omschrijft als "tabak die werd bevochtigd, gemengd, gesneden en gedroogd". Het betreft een halffabricaat dat wordt geproduceerd in de zogenaamde eerste fase ("Primary") van het verwerkingsproces van ruwe tabak tot een afgewerkt product. De verweerster verklaart daarover in haar syntheseconclusie nog het volgende: "Het productieproces om ruwe tabak te verwerken tot een afgewerkt tabaksproduct bestaat uit twee onderscheiden fasen. In de zogenaamde 'Primary' (eerste fase) worden verschillende soorten tabak bevochtigd, gemengd, gesneden en gedroogd om zo tot een kwalitatief hoogstaand halffabricaat te komen. In de zogenaamde 'Secondary' (tweede fase) worden de halffabricaten verder verwerkt tot afgewerkte tabaksproducten (sigaretten, sigaren, roltabak of andere afgewerkte producten) die dan geschikt zijn om te worden gerookt en geschikt zijn om in de kleinhandel aan consumenten te worden aangeboden. In elk van de beide fasen wordt gebruik gemaakt van dure, onderscheiden en specifieke machines. [Verweerster] is enkel actief in de zogenaamde 'Primary' (eerste fase) en beschikt niet over de specifieke machines en de ingerichte ruimten om tevens de 'Secondary' (tweede fase) te kunnen produceren. [Verweerster] produceert dus uitsluitend halffabricaten”. Uit de eigen feitelijke toelichtingen van de verweerster blijkt dat het onder de schorsingsregeling vervoerde product geschikt is om middels een eenvoudige handeling of “gewone voorbereiding” (zonder noodzakelijk het “secondary” industrieel afwerkingsproces) te worden gerookt. Uit de vaststellingen in het dossier blijkt dat voldaan is aan de twee voorwaarden en deze nopen tot de conclusie dat het kwestieuze product voldoet aan de kwalificatie “rooktabak” zoals bedoeld in artikel 6 van de Wet van 3 april 1997. Ondanks dat niet wordt betwist dat de tabak "bevochtigd, gemengd, gesneden en gedroogd" was oordeelt de appelrechter dat dat het bewijs niet voorligt dat de verzonden halffabricaten beantwoorden aan de kwalificatie "rooktabak". Het Hof is bevoegd een marginale toetsing uit te voeren en na te gaan of de appelrechter uit haar vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet naar recht kunnen worden verantwoord. Mijns inziens voert de eiseres hier terecht aan dat de appelrechter, na te hebben vastgesteld dat de tabak bevochtigd, gemengd, gesneden en gedroogd was, niet wettig kon vaststellen dat deze fabricaten niet voldoen aan de kwalificatie rooktabak. Het eerste onderdeel komt gegrond voor. Tweede onderdeel. In het tweede onderdeel voert de eiser aan dat het bestreden arrest niet wettig heeft beslist dat het niet bewezen is dat de litigieuze tabak, zijnde halffabricaten, ruwe tabak betreft in de zin van artikel 3, § 8, van de Wet van 3 april 1997 die voor enig verwerkingsproces is onttrokken aan de ambtelijke controle, en aldus zijn beslissing dat er geen accijns is verschuldigd en dat de aangevochten beschikkingen van de administratie vernietigd dienen te worden, niet naar recht heeft verantwoord. Het tweede onderdeel betreft de kwalificatie van het begrip “ruwe tabak”. Artikel 3, § 8 van de Wet van 3 april 1997 betreffende het stelsel van gefabriceerde tabak bepaalt dat "indien ruwe tabak, hier te lande geoogst, uit derde landen ingevoerd of uit een andere lidstaat binnengebracht, vóór de verwerking tot fabrikaten, ingevolge ongeacht welke oorzaak aan de ambtelijke controle werd onttrokken, is de accijns solidair verschuldigd door de eigenaar en de bezitter of de vervoerder. De accijns wordt geheven tegen het in §1 vastgestelde tarief voor rooktabak, op grond van de kleinhandelsprijs die door de Minister van Financiën forfaitair werd bepaald overeenkomstig artikel 16". De wet definieert het begrip “ruwe tabak” niet. De voormelde bepaling verstrekt enkel de toelichting van ruwe tabak als zijnde “vóór de verwerking tot fabrikaten”. De vraag stelt zich of daarmee elke verwerking wordt uitgesloten, hetzij tabak zijn karakter van “ruwe tabak” pas verlies op het moment van zijn verwerking tot eindfabrikaat. De betrokken goederen betroffen halffabrikaten. De appelrechter oordeelde dat het niet bewezen is dat het gaat om ruwe tabak die voor enig verwerkingsproces is onttrokken aan ambtelijke controle. Daarmee hanteert de appelrechter een strikte interpretatie door de woorden “vóór de verwerking tot fabrikaten” te begrijpen als “voor enig verwerkingsproces”. Waar de wet het begrip “ruwe tabak” niet nader toelicht, definiëren de voormelde wet en richtlijn beide in artikel 2 wel uitdrukkelijk wat “tabaksfabrikaten” zijn: onder tabaksfabricaten wordt verstaan: a) sigaretten; b) sigaren en cigarillo’s; c) rooktabak: i) tabak van fijne snede voor het rollen van sigaretten; ii) andere soorten rooktabak. De richtlijn en de wet omschrijven tabaksfabricaten als de eindproducten. Uit de samenhang van de artikelen 2 en 3 van de voormelde wet van 3 april 1997 dient aan de begrippen fabrikaten en tabaksfabrikaten eenzelfde betekenis te worden verleend. Die analyse ondersteunt de stelling van de administratie dat tabak tot op het moment van de afwerking tot tabaksfabricaat, zoals omschreven in art. 2, dient te worden aangemerkt als “ruwe tabak” zoals bedoeld in artikel 3, § 8 van die wet. Hoger werd gewezen op de overweging van het Hof van Justitie in zijn het arrest van 6 april 2017 dat gelet op de doelstellingen van de richtlijn, zijnde de harmonisatie en goede werking van de interne markt en in het bijzonder de gezondheidsbescherming, het begrip “rooktabak” niet restrictief mag worden uitgelegd
(5). De doelstellingen op grond waarvan die ruime interpretatie wordt aanvaard, zelfs al heeft die geen betrekking op de notie “ruwe tabak”, verzet zich tegen een enge interpretatie van “ruwe tabak”. Ook de onttrekking aan ambtelijke controle van ruwe tabak dat al enig verwerkingsproces heeft ondergaan, verstoort (zonder betaling van de accijns) de interne markt en ondermijnt de bescherming van de gezondheid. De interpretatie van “ruwe tabak”, zoals aangenomen door de appelrechter, heeft tot gevolg dat aan accijnzen zijn onderworpen enerzijds “ruwe tabak voor enig verwerkingsproces” en anderzijds de door het Hof van Justitie ruim geïnterpreteerde “rooktabak”, doch echter niet aan accijns zou zijn onderworpen ruwe tabak die wel enig verwerkingsproces heeft ondergaan maar nog geen rooktabak is. Die opvatting van de appelrechter kan m.i. niet worden gevolgd. Vanaf het kweken van de ruwe tabak moeten alle fases van het productieproces kunnen worden opgevolgd door fiscale administratie. Met het oog daarop is de Minister van Financiën, overeenkomstig artikel 12, § 1 van de Wet van 3 april 1997, gemachtigd tot het treffen van alle passende maatregelen. De harmonisatie en de goede werking van de gemeenschappelijke markt en de bescherming van de gezondheid verzetten zich m.i. tegen de interpretatie van een nationale regeling op grond waarvan niet aan accijns is onderworpen de ruwe tabak die wel enig verwerkingsproces heeft ondergaan maar nog geen rooktabak zou zijn. De interpretatie die de appelrechter voorstaat, komt niet voor als zijnde een richtlijn conforme interpretatie. Die interpretatie lijkt niet verzoenbaar met de voormelde doelstellingen van de interne markt van de Europese Unie een de gezondheidsbescherming. Door ruwe tabak “vóór de verwerking tot fabrikaten” te interpreteren als tabak “voor enig verwerkingsproces” lijkt de appelrechter artikel 3, §8 en artikel 6 van de voormelde wet van 3 april 1997 te schenden. Het tweede onderdeel komt mij dan ook gegrond voor. Besluit: cassatie. ___________________________________
(1)HvJ, C-638/15, Eko-tabak, pt. 17, ECLI:EU:C:2017:277; Over die doelstellingen, zie ook het Verslag van de Commissie aan de Raad over de Refit-evaluatie van Richtlijn 2011/64/EU en over de structuur en de tarieven van de accijns op tabaksfabrikaten (1_NL_ACT_part1_v3.docx (europa.eu).
(2)HvJ, C-638/15, Eko-tabak, pt. 21, ECLI:EU:C:2017:277.
(3)Volgens de Advocaat-generaal dient het begrip „op andere wijze versnipperd” aldus worden uitgelegd dat het in elk geval tabaksbladeren omvat die gedeeltelijk zijn gestript om de stengel te verwijderen. Bij deze werkwijze moet het blad namelijk ten minste deels in meer of mindere mate, afhankelijk van de vorm van het blad, tot het midden worden gescheurd waardoor er twee helften ontstaan die nog aan een deel van de bladschijf van de plant vastzitten.
(4)HvJ, C-638/15, Eko-tabak, pt. 27 en 28, ECLI:EU:C:2017:277.
(5)HvJ, C-638/15, Eko-tabak, pt. 17, ECLI:EU:C:2017:277. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231207.1N.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231207.1N.1 citeert: ECLI:EU:C:2017:277 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div