id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 07 december 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231207.1N.4 Rolnummer: F.22.0161.N Zaak: BELGISCHE STAAT contra CNH INDUSTRIAL BELGIUM nv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Belastingrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-03-13 Raadplegingen: 315 - laatst gezien 2026-06-15 06:36 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231207.1N.4 Fiches 1 - 3 Gezien de vraag rijst of de in artikel 419, eerste lid, 4°, WIB92 neergelegde regel dat bij de terugbetaling van bedrijfsvoorheffing geen moratoriuminterest verschuldigd is door de Staat, bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 172 Grondwet wanneer de belastingplichtige de bedrijfsvoorheffing aanvankelijk spontaan heeft betaald, maar nadien een bezwaarschrift heeft ingediend en terugbetaling heeft gevorderd van de bedrijfsvoorheffing en de rechter deze vordering inwilligt; stelt het Hof de in het dictum van dit arrest geformuleerde vraag aan het Grondwettelijk Hof: “Schenden de artikelen 418, eerste lid, en 419, eerste lid, 4° WIB92, in de versie zoals van toepassing voor de aanslagjaren 2015 en 2016, de artikelen 10, 11 en 172 Grondwet in de uitlegging dat ze uitsluiten dat moratoriuminterest wordt toegekend aan de belastingplichtige wanneer deze de bedrijfsvoorheffing aanvankelijk spontaan heeft betaald maar nadien een bezwaarschrift heeft ingediend en terugbetaling heeft gevorderd van de bedrijfsvoorheffing en de rechter deze vordering inwilligt, doordat ze een verschillende behandeling invoeren: 1° tussen die belastingplichtigen en de belastingplichtigen die de terugbetaling verkrijgen van een belasting, roerende voorheffing of bedrijfsvoorheffing die zij hebben betaald nadat die belasting of voorheffing ten onrechte jegens hen werd ingekohierd, waarbij aan de laatstgenoemde belastingplichtigen moratoriuminterest wordt toegekend? 2° tussen die belastingplichtigen en de belastingplichtigen die de terugbetaling verkrijgen van dezelfde voorheffingen, die zij niet spontaan hebben betaald binnen de termijn bepaald in artikel 412 van dat wetboek, maar pas nadat de administratie ze jegens hen had ingekohierd, overeenkomstig artikel 304, § 1, tweede lid, van datzelfde wetboek, waarbij aan de laatstgenoemde belastingplichtigen moratoriuminterest wordt toegekend?”
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INTERESTEN - MORATOIRE INTERESTEN Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 304, § 1, tweede lid - 32 Link Justel databank 19920612-32 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 412 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 418, eerste lid - 32 Link Justel databank 19920612-32 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 419, eerste lid, 4° - 32 Link Justel databank 19920612-32 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VOORHEFFINGEN EN BELASTINGKREDIET - Bedrijfsvoorheffing Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 304, § 1, tweede lid - 32 Link Justel databank 19920612-32 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 412 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 418, eerste lid - 32 Link Justel databank 19920612-32 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 419, eerste lid, 4° - 32 Link Justel databank 19920612-32 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 304, § 1, tweede lid - 32 Link Justel databank 19920612-32 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 412 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 418, eerste lid - 32 Link Justel databank 19920612-32 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 419, eerste lid, 4° - 32 Link Justel databank 19920612-32 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de conclusie F.22.0161.N Conclusie van advocaat-generaal S. Ravyse: 1 Situering.
- Het geschil heeft betrekking op de betaling van moratoriumintresten bij de terugbetaling van (niet-verrekende) bedrijfsvoorheffing. De verweerster ontwikkelt landbouwmachines en doet een beroep op de vrijstelling van bedrijfsvoorheffing voor onderzoek en ontwikkeling naar nieuwe technologieën.
- De chronologie van de vastgestelde feiten zijn belangrijk bij de beoordeling van het middel of de rechter op die feiten een correcte toepassing maakte van de betrokken wetsbepaling (artikel 419, eerste lid, 4°, WIB92). De relevante feiten kunnen als volgt worden samengevat. Op 20 en 21 september 2018 dient de verweerster bezwaarschriften in met het verzoek tot vrijstelling van bedrijfsvoorheffing respectievelijk voor de aanslagjaren 2015 en 2016 ingevolge een programma van onderzoek en ontwikkeling. Met brieven van 21 februari 2019 en 4 juni 2019 verzoekt de administratie zowel aan Belspo als aan de verweerster om bijkomende inlichtingen over te maken, waaronder het aanmeldingsattest van Belspo volgens de aanmeldprocedure voor O&O-programma’s, voorzien in artikel 2753, § 3, WIB
- De verweerster antwoordt dat volgens Belspo een programmatorische aanpak toepasselijk is en geen aanmelding per project, en dat een formele bevestiging van de aanmelding kan worden aangevraagd. Belspo antwoordt dat ze met de verweerster op 23 december 2014 heeft gesproken in het licht van de aanmeldingsprocedure zoals voorzien in artikel 2753, § 3, WIB92 en waarbij Belspo verklaarde dat de verweerster toepassing kan maken van de aanmeldingsprocedure zoals voorzien voor O&O-programma's. Belspo antwoordt dat de aanmelding dateert van 3 oktober
- Bij beslissingen van 21 augustus 2018 wijst de administratie het bezwaarschrift voor aanslagjaar 2015 af wegens een laattijdige aanmelding bij Belspo en kent ze de vrijstelling van de bedrijfsvoorheffing toe met betrekking tot het aanslagjaar 2016 vanaf oktober 2016 (gelet op de eerste aanmelding bij Belspo op 3 oktober 2016). Op 30 augustus 2019 verzocht de verweerster om een rechtzetting van die beslissingen, stellende dat zij zich reeds op 23 december 2014 had aangemeld bij Belspo. Eiser verwierp dit verzoek omdat de op 23 december 2014 door verweerster gedane presentatie van het project bij Belspo niet als een geldige aanmelding zoals bedoeld in artikel 275/3, § 3, vierde lid WIB 1992 kon worden aangemerkt wegens een gebrek aan opgave van de verwachte aanvangsdatum en vooropgestelde einddatum van het onderzoeks- of ontwikkelingsproject of - programma
(1).
- Ingevolge de door de verweerster ingestelde procedure, oordeelt de rechtbank van eerste aanleg eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, tiende kamer, op 22 maart 2021, dat het gesprek van de verweerster met Belspo op 23 december 2014 geldt als een geldige eerste aanmelding en voor de aanslagjaren 2015 en 2016 een vrijstelling van bedrijfsvoorheffing geldt. De verweerster heeft volgens de rechtbank recht op intresten vanaf de ingebrekestelling middels de bezwaarschriften van 20 en 21 september 2018 op grond van artikel 1153 (oud) BW. In het bestreden arrest van 24 februari 2022 bevestigt het hof van beroep te Gent de beslissing van de eerste rechter maar steunt de beslissing over moratoriumintresten niet op artikel 1153 (oud) BW, maar op artikel 419, eerste lid, 4°, WIB
- De eiser komt met één middel op tegen de beslissing in het bestreden arrest over de betaling van moratoriumintresten. Het middel voert de schending aan van de artikelen 418 en 419, eerste lid, 4° WIB 1992, zoals van toepassing voor de aanslagjaren 2015 en
- 2 Bespreking van het middel.
- Het hier toepasselijk artikel 418, eerste lid, WIB92, bepaalt dat bij terugbetaling van belastingen, voorheffingen, voorafbetalingen, nalatigheidsinterest, belastingverhogingen of administratieve boeten, moratoriuminterest wordt toegekend tegen de wettelijke rentevoet, berekend per kalendermaand.
- Zoals hierna wordt toegelicht, heeft de appelrechter toepassing gemaakt van een recentere versie van artikel 418 WIB92, vervangen met inwerkingtreding vanaf aanslagjaar 2018, terwijl het geschil betrekking heeft op de aanslagjaren 2015 en
- Het hier toepasselijk artikel 419, eerste lid, 4°, WIB92, bepaalt dat geen moratoriuminterest wordt toegekend in geval van terugbetaling van als roerende voorheffing of als bedrijfsvoorheffing gestorte bedragen aan de in de artikelen 261 en 270 bedoelde schuldenaars ervan.
- Deze uitzondering op de betaling van moratoriumintresten wordt verantwoord vanuit de gedachte dat de Staat niet moet instaan voor vergissingen van de belastingplichtige bij de storting van een voorheffing
(2). 9. Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn arresten van 21 februari 2008 (nr. 24/2008) en 19 december 2013 (nr. 176/2013) met betrekking tot deze uitzondering het volgende geoordeeld
(3): - het kan worden verantwoord dat de Staat geen enkele interest verschuldigd is bij de terugbetaling van niet-verrekende bedrijfsvoorheffing wanneer de schuldenaar spontaan meer betaald heeft dan hij verschuldigd is of wanneer het praktisch onmogelijk is de datum vast te stellen waarop de interesten zijn beginnen te lopen die moeten worden verdeeld onder de belastingplichtigen ten gunste van wie de inhoudingen zijn gebeurd door de schuldenaar van de voorheffingen; (eigen benadrukkingen) - niets daarentegen verantwoordt dat moratoriuminteresten worden geweigerd wanneer het gaat om niet verrekende bedrijfsvoorheffingen, wanneer de niet-tijdig uitgevoerde terugbetaling van hun overschot is toe te schrijven aan een vergissing van de administratie, en wanneer het mogelijk is de datum vast te stellen waarop de interesten beginnen te lopen die niet moeten worden verdeeld tussen verschillende belastingplichtigen. - de weigering van moratoriuminteresten kan niet worden verantwoord vermits op het ogenblik van de betaling de schuldenaar niet spontaan meer heeft betaald dan hetgeen hij verschuldigd was en het niet praktisch onmogelijk is de datum vast te stellen waarop de interesten beginnen te lopen. (eigen onderlijningen)
- Deze overwegingen van het Grondwettelijk Hof laten toe de criteria te bepalen voor een grondwetsconforme toepassing van artikel 419, eerste lid, 4°, WIB92: - in de regel geen intrest verschuldigd bij de terugbetaling van niet-verrekende voorheffingen; - er is wel intrest verschuldigd indien aan de volgende voorwaarden cumulatief is voldaan:
- de belastingschuldige heeft spontaan;
- meer betaald dan verschuldigd;
- indien toepasselijk: de administratie heeft het overschot niet tijdig terugbetaald;
- indien toepasselijk: de niet-tijdige terugbetaling is toe te schrijven aan een vergissing van de administratie;
- het is mogelijk de datum vast te stellen waarop de interesten beginnen te lopen;
- De verweerder merkt op dat het middel dat aanvoert dat er in hoofde van de administratie geen sprake kan zijn van een niet tijdige terugbetaling van een overschot aan bedrijfsvoorheffing die toe te schrijven is aan een vergissing, opkomt tegen een louter feitelijk beoordeling en mitsdien niet-ontvankelijk is (zie ook verder).
- Die stelling kan mijns inziens niet worden gevolgd. Het is de rechter die de feiten vaststelt op grond waarvan het Hof kan nagaan of artikel 419, eerste lid, 4°, WIB92 correct is toegepast. Dit houdt in dat het Hof wel kan nagaan of de rechter uit de door hem vastgestelde feiten geen gevolgen afleidt die niet naar recht kunnen worden verantwoord. Het wettigheidstoezicht houdt in dat het Hof nagaat of de rechter aan de vastgestelde feiten de juiste juridische gevolgen heeft verbonden. Zo is hier het juridisch correct kwalificeren van een vergissing aan een wel bepaald vastgesteld feit geen onaantastbare feitelijke beoordeling, maar een wetstoepassing. Het kwalificeren van een feit als een “vergissing”, zoals bedoeld door de wet, is dus (bijvoorbeeld) vatbaar voor een beoordeling door het Hof.
- De verweerster heeft spontaan (zonder inkohiering) meer bedrijfsvoorheffing betaald dan verschuldigd. Het arrest stelt vast dat: - de bezwaarschriften het volgende vermelden: “Als gevolg van een bijkomende correctie aan de loongegevens, zijn we genoodzaakt om een bijkomende aangifte in te dienen (…)”; - de administratie de bezwaarschriften heeft onderzocht en op basis van de ontvangen antwoorden op gevraagde inlichtingen bij brieven van 21 februari 2019 en 4 juni 2019, op 21 augustus heeft beslist dat een vrijstelling kan worden verleend vanaf de door Belspo meegedeelde aanmelding op 3 oktober 2016; - de vergadering tussen de verweerster en Belspo van 3 augustus 2014 geldt als een eerste aanmelding en toen werd voldaan aan alle vereisten voor de toekenning van de vrijstelling van bedrijfsvoorheffing voor 2015 en 2016;
- Het arrest oordeelt vervolgens dat vanaf de data van de indiening van de bezwaarschriften: - er geen sprake meer is van een vergissing vanwege de belastingplichtige; - vast staat dat de administratie ten onrechte heeft geweigerd over te gaan tot terugbetaling van het overschot aan bedrijfsvoorheffing.
- Op basis van de vastgestelde feiten blijkt dat de aanvraag van de eiseres bij Belspo op 3 augustus 2014 alle nodige gegevens bevatte voor de toekenning van de vrijstelling. Hoewel de eiseres op dat moment van Belspo vernam en dus wist dat de aanvraag voldeed aan de wettelijke voorwaarden voor de vrijstelling, heeft ze in 2015 en 2016 spontaan meer bedrijfsvoorheffing betaald dan verschuldigd. In die situatie is er volgens de rechtspraak van het Hof en het Grondwettelijk Hof geen intrest verschuldigd
(4). Jaren later vraagt de verweerster “een correctie” via de indiening van bezwaarschriften. Op dat moment kan worden aangenomen dat de vergissing door de belastingschuldige van de betaling van het overschot aan bedrijfsvoorheffing is opgehouden. Vervolgens stelt zich de vraag of vanaf dit moment ook meteen sprake is van een “niet-tijdig uitgevoerde terugbetaling van het overschot is toe te schrijven aan een vergissing van de administratie”
(5). Louter uit het feit van de indiening van bezwaarschriften volgt mijns inziens niet dat voldaan is aan de voormelde voorwaarden, waaronder de niet-tijdig uitgevoerde terugbetaling van het overschot is toe te schrijven aan een vergissing van de administratie. Het vastgestelde feit van de indiening van de bezwaarschriften voldoet mijns inziens niet aan de Grondwettelijk Hof voorgeschreven criteria van de niet-tijdig uitgevoerde terugbetaling wegens een vergissing van de administratie. De administratie heeft de bezwaarschriften onderzocht en op basis van een pleitbaar standpunt besloten dat de vrijstelling van de bedrijfsvoorheffing pas kan worden verleend vanaf oktober
- Uit de vastgestelde feiten blijkt overigens dat pas na die beslissingen van 21 augustus 2019 door Belspo de doorslaggevende verklaring is opgemaakt (op 23 januari 2020) op grond waarvan het arrest oordeelt dat op de vergadering van 3 augustus 2014 wel degelijk alle vereiste informatie werd verstrekt voor de toekenning van de vrijstelling. Op grond van het hier toepasselijk artikel 275³, § 3, laatste lid, WIB92, is het advies van Belspo bindend voor de fiscale administratie.
- De vastgestelde feiten van het onderzoek van het bezwaarschrift en het pleitbaar standpunt van de administratie laten mijns inziens niet toe te oordelen dat de administratie vanaf de dag na de indiening van de bezwaarschriften “ten onrechte heeft geweigerd over te gaan tot terugbetaling van het overschot aan bedrijfsvoorheffing”.
- Het middel verzoekt het Hof niet in de feiten te treden en te beslissen hoeveel het overschot van de bedrijfsvoorheffing bedraagt, noch of al dan niet en vanaf welk moment intresten zijn verschuldigd. Het middel houdt een wettigheidstoets in, namelijk de vraag of uit het feit van de indiening van de bezwaarschriften kan worden geoordeeld dat voldaan is aan de voormelde vereiste criteria van het ontstaan van het recht op moratoriumintresten, in het bijzonder de criteria van de niet-tijdig uitgevoerde terugbetaling wegens een vergissing van de administratie.
- Het bestreden arrest maakt echter toepassing van een verkeerde versie van artikel 418 WIB92, namelijk waar het als volgt oordeelt: “Op grond van artikel 418 WIB92 wordt bij terugbetaling van voorheffingen een moratoriuminterest toegekend te rekenen vanaf de eerste dag van de maand volgend op deze waarin de administratie in gebreke werd gesteld door de aanmaning of door een andere daarmee gelijkstaande akte”
(6). Het is vermoedelijk op grond van deze nieuwe regeling van de “ingebrekestelling” dat de appelrechter de bezwaarschriften heeft aangemerkt als een daarmee gelijkstaande akte om deze als aanvangsmoment voor de moratoriumintresten aan te nemen. De hier toepasselijke versie van artikel 418 WIB92 voorziet dit niet, waardoor zich de vraag stelt of de toepasselijke bepalingen dienen te worden geïnterpreteerd volgens de voormelde grondwetsconforme interpretatie, hoewel de situatie niet identiek is
(7). Aldus rijst de vraag of de regel in artikel 419, eerste lid, 4° WIB92 dat bij de terugbetaling van bedrijfsvoorheffing geen moratoriuminterest verschuldigd is door de Staat, bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet in de situaties waarin de belastingplichtige: - wist of moest weten dat hij aanvankelijk spontaan meer bedrijfsvoorheffing heeft betaald maar hij nadien een bezwaarschrift heeft ingediend en terugbetaling heeft gevorderd van de bedrijfsvoorheffing en deze vordering uiteindelijk door de rechter wordt ingewilligd, en/of - spontaan bedrijfsvoorheffing heeft betaald maar hij nadien een bezwaarschrift heeft ingediend en terugbetaling heeft gevorderd van de bedrijfsvoorheffing en deze vordering uiteindelijk (na pleitbare standpunten) door de rechter wordt ingewilligd. Besluit: prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof. ________________________________
(1)Zie Cass. 6 januari 2023, AR F.20.0149.N, AC 2023, nr. 14, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230106.1N.5: De aanmelding dient te geschieden voorafgaand aan de aanvangsdatum van het project of programma.
(2)Parl. St., Kamer, 1952-1953, nr. 277, 10.
(3)Gwh. 21 februari 2008, nr. 24/2008, https://www.const-court.be/public/n/2008/2008-024n.pdf; Gwh. 19 december 2013, nr. 176/2013, 2013-176n (const-court.be); DE RAEDT, S. (ed), Intresten bij het betalen en terugkrijgen van belastingen, Larcier, 2006, nr. 308, 125.
(4)Cass. 19 juni 2015, AR F.13.0056.N, AC 2015, nr. 421, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150619.4; Gwh. 19 december 2013, nr. 176/2013, 2013-176n (const-court.be);
(5)Gwh. 19 december 2013, nr. 176/2013, 2013-176n (const-court.be), r.o. B.4.1.
(6)Artikel vervangen bij artikel 79 van de Wet van 25 december 2017 (BS 29 december 2017 (ed. 1)), van toepassing vanaf 1 januari 2018.
(7)Artikel 26, § 2, tweede lid, 2°, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231207.1N.4 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231207.1N.4 gevolgd door: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251023.1N.10 citeert: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150619.4 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230106.1N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div