← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 12 december 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231212.2N.14 Rolnummer: P.23.1074.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Internationaal publiekrecht - Strafrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2024-02-01 Raadplegingen: 714 - laatst gezien 2026-06-16 23:38 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231212.2N.14 Fiches 1 - 5 Politieambtenaren mogen een woning betreden met het oog op het opleggen aan de vermoedelijke bestuurder van een voertuig van een door de Wegverkeerswet bedoelde ademtest of ademanalyse en het doen van vaststellingen betreffende zijn toestand, voor zover hij die op dat ogenblik het werkelijke genot heeft van de woning ondubbelzinnig toestemming geeft voor die woonstbetreding; die ondubbelzinnige toestemming tot woonstbetreding door hij die op dat ogenblik het werkelijke genot heeft van de woning moet niet schriftelijk worden gegeven; die kan worden afgeleid uit alle feitelijke elementen van de zaak; de rechter oordeelt onaantastbaar of hij die op dat ogenblik het werkelijke genot heeft van de woning ondubbelzinnig toestemming heeft verleend tot woonstbetreding met het oog op het uitvoeren van de voormelde onderzoekshandelingen; het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 15 RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 8 WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 34 WOONPLAATS ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Opsporingshandelingen Tekst van de conclusie P.23.1074.N Conclusie van advocaat-generaal Bart DE SMET: “De woonstbetreding met toestemming van de bewoner voor vaststelling van het misdrijf van rijden in staat van dronkenschap”.
  1. Eiser wordt vervolgd wegens A) het weigeren zich aan een ademtest te onderwerpen (art. 34, § 2, 3° en 59, § 1 Wegverkeerswet) en B) het besturen van een voertuig in staat van dronkenschap (art. 35 Wegverkeerswet). De politierechtbank West-Vlaanderen, afd. Kortrijk, achtte bij vonnis van 27 januari 2022 de feiten bewezen en legde voor de vermengde feiten A en B een geldboete op van 1.600 euro en een rijverbod van één maand.
  2. Eiser bracht als grief (art. 204 Sv.) aan ‘procedure’ met als vermelding ‘rechten van verdediging’ en wierp voor de correctionele rechtbank in conclusie op dat “drie politie-inspecteurs zich-zonder huiszoeking of zonder dat er sprake was van enige heterdaadprocedure en zonder zijn toestemming of die van zijn echtgenote (die amper Nederlands praat) een toegang verschaft hebben tot de woning en zelfs slaapkamer van eiser”.
  3. De correctionele rechtbank bevestigde bij vonnis van 9 juni 2023 de veroordeling en heeft met eenparigheid van stemmen de straf verzwaard naar een geldboete van 3.200 euro, een rijverbod van drie maanden, en een alcoholslot voor een termijn van drie jaar.
  4. In een eerste middel voert eiser een schending aan van de artikelen 15 Grondwet, 8 EVRM en 1319 en 1320 oud Burgerlijk Wetboek (thans artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek). Het openen van de deur door zijn echtgenote kan niet worden vereenzelvigd met het geven van een vrije en geïnformeerde toestemming om de woning te betreden (eerste onderdeel) en het oordeel dat ‘uit het strafdossier’ blijkt dat de politie van de echtgenote van eiser toestemming bekwam om de woning te betreden miskent de bewijskracht van het aanvankelijk proces-verbaal, waarin alleen is vermeld dat de echtgenote de deur opent “zodat wij toegang verkrijgen tot de woning” (tweede onderdeel).
  5. Beoordeling. Artikel 8.1 Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden bepaalt dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Volgens artikel 8.2 EVRM is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen
(1). Volgens artikel 22, eerste lid, Grondwet heeft eenieder recht op eerbieding van zijn privé-en gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald. Deze waarborg heeft dezelfde draagwijdte als artikel 8 EVRM
(2). Daarnaast stelt artikel 17.1 UNO-Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten: “Niemand mag worden onderworpen aan willekeurige of onwettige inmenging in zijn privé leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling, noch aan onwettige aantasting van zijn eer en goede naam”.
  1. Artikel 15 Grondwet bepaalt: “De woning is onschendbaar: geen huiszoeking kan plaatshebben dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft”. Artikel 26 Wet Politieambt van 5 augustus 1992 laat de politie toe, voor de uitvoering van opdrachten van bestuurlijke of gerechtelijke politie, de publiek toegankelijke plaatsen en verlaten onroerende goederen te betreden.
  2. De Wegverkeerswet bevat geen specifieke voorschriften over de huiszoeking of het betreden van de woning met als doel een misdrijf vast te stellen en zo nodig de bestuurder van een voertuig te arresteren. Vooreerst valt op te merken dat het betreden van een woning voor de nodige vaststellingen van rijden onder invloed van alcohol of drugs niet noodzakelijk een huiszoeking of inhoudt, in de zin van artikel 15 Grondwet of de Wet van 7 juni 1969
(3). Voor een huiszoeking met toestemming van de bewoner is immers een schriftelijke toestemming vereist (art. 3 Wet 7 juni 1969)
(4). Het Hof nam op 20 maart 2018 aan, in een zaak van dronken voeren en vluchtmisdrijf: “Een huiszoeking is een onderzoeksmaatregel die ertoe strekt gegevens met betrekking tot misdrijven op te sporen en te verzamelen in privé-plaatsen, met andere woorden plaatsen die door het recht op de eerbiediging van het privé-leven beschermd zijn. De rechter oordeelt onaantastbaar of er sprake is van een huiszoeking”
(5). 8. Vervolgens is de vraag aan de orde, gezien het bestreden vonnis geen gewag maakt van een huiszoeking of een ontdekking van het misdrijf op heterdaad
(6), of de bewoner een geldige toestemming gaf om de woning te betreden, met het oog op een ademtest, ademanalyse of bloedproef. In dezelfde verkeerszaak stelde het Hof: “Politieambtenaren mogen een woning betreden met het oog op het uitvoeren van een door de Wegverkeerswet bedoelde ademtest of ademanalyse, voor zover de bewoner daartoe toestemming geeft. Die toestemming moet niet schriftelijk worden gegeven. Het staat aan de rechter om onaantastbaar te oordelen of de bewoner toestemming heeft verleend voor de woonstbetreding met het oog op het uitvoeren van deze onderzoekshandelingen”
(7). 9. Hieruit volgt de politie een woning mag betreden voor een ademtest, ademanalyse of bloedproef als de bewoner vooraf, duidelijk, vrijwillig en met kennis van zaken toestemming geeft. Een weloverwogen toestemming veronderstelt dat de bewoner voldoende informatie krijgt over het op te sporen misdrijf en het doel van de woonstbetreding. Alleen op die manier kan hij geldig afstand doen van de fundamentele waarborg van onschendbaarheid van de woning
(8). Een passieve houding van de bewoner kan niet met afstand van die waarborg worden gelijkgesteld. Het feit dat bij aankomst van de politie de deur van een woning openstaat of de bewoner de deur opendoet volstaat niet om daaruit een vrijwillige toestemming tot woonbetreding af te leiden
(9). Bij betwisting is het aan het openbaar ministerie om aan te tonen dat de bewoner vooraf en vrijwillig toestemming gaf tot het betreden van zijn woning. 10. De vereiste van een doelgebonden toestemming is eveneens aan de orde bij woonstbetredingen voor identiteitscontrole en arrestatie van vreemdelingen zonder geldige verblijfsdocumenten. In de zaak Sabani stelde het Europees Hof dat de afstand van de waarborg van onschendbaarheid van de woning alleen geldig is als ze duidelijk en met kennis van zaken is gedaan
(10). Het enkele feit dat de bewoner de deur opendoet bij aankomst van de politie volstaat niet om aan te nemen dat die bewoner vrijwillig en weloverwogen afstand doet van de waarborg toegekend door artikel 8 EVRM
(11). 11. Over de woonstbetreding in het kader van het vreemdelingenrecht oordeelde uw Hof op 11 oktober 2023 dat de artikelen 15 en 22, eerste lid, Grondwet en 8 EVRM niet verbieden dat “hij die geniet het recht op bescherming van de woning daarvan afstand doet, onder meer door een overheid toe te staan om de woning te betreden. Een afstand van een grondrecht is evenwel slechts geldig indien die afstand ondubbelzinnig gebeurt, met kennis van zaken, wat wil zeggen op basis van een geïnformeerde toestemming, alsook zonder dwang”
(12). Deze regel is m.i. eveneens van toepassing op de woonstbetreding in verkeerszaken.
  1. Het bestreden vonnis stelt dat: “uit het strafdossier blijkt dat de verbalisanten toestemming verkregen om de woning te betreden van de echtgenote van de beklaagde die de deur voor hen opendeed” (blz. 6). Over de schuldvraag oordeelde de correctionele rechtbank (blz. 3-4): “Op 24 augustus 2021 omstreeks 16u45 kregen de verbalisanten de melding dat een manspersoon, die zich amper staande kon houden, plaatsgenomen had in zijn voertuig en ermee naar huis was gereden. Het voertuig betrof een Peugeot met kentekenplaat 1 TJR
  2. Aan de woning van eiser troffen de verbalisanten een zwarte Peugeot 2008 met kentekenplaat 1 TJR 325 aan. De motorkap was warm. Ze werden er aangesproken door een dame die hen meedeelde dat haar echtgenoot het laatst met het voertuig had gereden. Aangezien de echtgenoot niet meteen naar buiten kwam, opende de dame de deur zodat de verbalisanten toegang verkregen tot de woning. In de slaapkamer troffen de verbalisanten eiser aan die op bed zat en zijn broek aan het aantrekken was. De verbalisanten bemerkten onmiddellijk dat de beklaagde danig onder invloed was van alcoholische dranken. Eiser stond wankel op zijn benen en had meermaals steun van de muur nodig om recht te blijven staan…De verbalisanten vroegen de eiser of hij een ademtest wilde afleggen, maar hij weigerde elke medewerking”.
  3. Het bestreden vonnis leidt uit het vrijwillig openen van de voordeur door een bewoner van de woning, namelijk de echtgenoot van de verdachte, af dat er een geldige toestemming was om in de woning vaststellingen te verrichten over de melding van een getuige van rijden onder invloed van alcohol. Het bestreden vonnis lijkt mij met deze redenen niet naar recht verantwoord, zodat het eerste onderdeel gegrond voorkomt.
  4. Het tweede onderdeel en de overige middelen kunnen niet leiden tot een ruimere cassatie of tot een cassatie zonder verwijzing van de zaak en behoeven geen antwoord. Besluit: Cassatie met verwijzing van de zaak, behalve wat betreft het oordeel over het ontvankelijk hoger beroep en de omvang ervan. ________________________________
(1)EHRM 24 april 1990, Kruslin en Huvig t/Frankrijk, www.echr.coe.int; P. DE HERT, “Artikel 8 - Recht op privacy”, in Handboek EVRM. Artikelsgewijze commentaar, Intersentia 2004, 757-769; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina 2022, 1113-1114.
(2)K. RIMANQUE, De Grondwet toegelicht, gewikt en gewogen, Intersentia 2004, 65-66; E. DE BOCK, “De huiszoeking: enkele topics toegelicht aan de hand van recente rechtspraak”, Politie & Recht, 2023, 61-65.
(3)S. CAREEL en L. CLAES, “Over woonstbetreding voor het afnemen van een ademtest en ademanalyse en de reikwijdte van de bijzondere bewijswaarde in het recht”, Politie & Recht 2021, 46.
(4)Over de vereiste van schriftelijke toestemming zie Cass. 5 oktober 2022, AR P.22.1200.F ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221005.2F.11, AC 2022, nr. 609, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas., op ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221005.2F.11, JLMB 2022, 1643; Cass. 7 februari 2018, AR P.18.0100.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180207.2, AC 2018, nr. 82, met concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE, op datum in Pas.; Cass. 12 januari 2000, AR P.00.0024.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000112.12, AC 2000, nr. 29; M. VAN DER STRATEN, “Over de huiszoeking met toestemming”, RW 2003-04, 793-794; J. SMETS en S. VANDROMME, “Huiszoeking met toestemming”, in Comm. Strafr. 2005, p. 19; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 220-222; A. BAILLEUX, Afstand van recht in de strafprocedure, Intersentia 2019, é-280; M.-A BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 513-516.
(5)Cass. 20 maart 2018, AR P.17.0905.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180320.2, AC 2018, nr. 192, Politie & Recht 2021, 43 noot S. CAREEL en A. CLAES.
(6)Over de huiszoeking bij heterdaad (art. 36 Sv.), waarvoor geen huiszoekingsbevel of toestemming van de bewoner is vereist, zie Cass. 29 november 2022, AR P.22.0681.N, AC 2022, nr. 774, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221129.2N.11 en S. VANDROMME, “De huiszoeking: de principes en de toepassing ervan in de rechtspraak”, in Het onroerend goed in het straf(proces)recht, Intersentia 2012, 152-154.
(7)Cass. 20 maart 2018, AR P.17.0905.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180320.2, AC 2018, nr. 192, Politie & Recht 2021, 43 noot S. CAREEL en A. CLAES.
(8)Over de toestemming als verzaking aan de onschendbaarheid van de woning (art. 15 GW), zie Cass. 8 september 1993, AR P.93.1035.F ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930908.16, AC 1993, nr 336 en over de voorwaarden van die toestemming, wat betreft de huiszoeking, zie P. TERSAGO, “De voorlichting van verdachten over hun procedurele rechten als fundamentele waarborg voor het recht op een eerlijk proces”, Politie & Recht 2018, 188-189; A. BAILLEUX, Afstand van recht in de strafprocedure, Intersentia 2019, é-247.
(9)M.-A BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 516, met verwijzing naar Brussel 6 februari 1992, JLMB 1993, 3.
(10)EHRM 8 maart 2022, Sabani t/België, § 46, JLMB 2022, 748, T. Vreemd. 2022, 272 en www.echr.coe.int.
(11)EHRM 8 maart 2022, Sabani t/België, § 46, JLMB 2022, 748, T. Vreemd. 2022, 272 en www.echr.coe.int.
(12)Cass. 10 oktober 2023, AR P.23.1327.N, AC 2023, nr. 643, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231010.2N.
  1. Zie eveneens Cass. 5 oktober 2022, AR P.22.1200.F ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221005.2F.11, AC 2022, nr. 609, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas., JLMB 2022,
  2. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231212.2N.14 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231212.2N.14 citeert: ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930908.16 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000112.12 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180207.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180320.2 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221005.2F.11 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221129.2N.11 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221005.2F.11 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231010.2N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.