id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 19 december 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231219.2N.10 Rolnummer: P.23.1155.N Zaak: VANHEEDE ENVIRONMENTAL LOGISTICS Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Constitutioneel recht - Handelsrecht Invoerdatum: 2024-02-01 Raadplegingen: 855 - laatst gezien 2026-06-18 20:13 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231219.2N.10 Fiches 1 - 4 Het legaliteitsbeginsel in strafzaken, zoals dit voortvloeit uit artikel 7 EVRM, artikel 15 IVBPR en de artikelen 12 en 14 Grondwet, vereist dat de wetgever in voldoende nauwkeurige, duidelijke en rechtszekerheid biedende bewoordingen bepaalt welke feiten strafbaar worden gesteld, zodat diegene die een gedrag aanneemt, vooraf op afdoende wijze kan inschatten wat het strafrechtelijk gevolg van dat gedrag zal zijn
(1); het legaliteitsbeginsel in strafzaken vereist niet dat indien in een uitvoeringsbesluit bepaalde handelingen worden verboden of geboden, de op de overtreding daarvan bepaalde straffen in dat uitvoeringsbesluit zelf worden opgenomen; de strafbaarstelling van de overtredingen van de bepalingen van het uitvoeringsbesluit en de daarop toepasselijke straffen kunnen worden bepaald in een wet; dit maakt de strafbaarheid van een overtreding niet onvoorzienbaar; het legaliteitsbeginsel in strafzaken verzet zich evenmin ertegen dat de strafbaarstelling van overtredingen van een uitvoeringsbesluit en zelfs eenzelfde overtreding mogelijk is op basis van meerdere wetten en met verschillende straffen, voor zover hij die een bepaling van een uitvoeringsbesluit overtreedt kan weten dat hij strafbaar handelt en welke straffen hij daarvoor kan oplopen.
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 7 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 7 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 15 - 31 Link Justel databank 19661219-31 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 12 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 14 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 7 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 15 - 31 Link Justel databank 19661219-31 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 12 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 14 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 12 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 7 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 15 - 31 Link Justel databank 19661219-31 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 12 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 14 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 14 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 7 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 15 - 31 Link Justel databank 19661219-31 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 12 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 14 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Fiche 5 Artikel 16, eerste lid, KB 28 juni 2009 betreffende het vervoer via de weg of per spoor van gevaarlijke goederen, met uitzondering van ontplofbare en radioactieve stoffen, is een maatregel ter uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit de internationale verdragen en uit de krachtens deze genomen internationale akten in de zin van artikel 1, eerste lid, Wet Verdragen Vervoer en meer bepaald van het ADR; de overtreding van artikel 5.4.3.4 van de bijlage A bij het ADR en derhalve van artikel 16, eerste lid, KB 28 juni 2009 is bijgevolg strafbaar op grond van de artikelen 1 en 2, § 1, eerste lid, Wet Verdragen Vervoer; die strafbaarstelling en de toepasselijke straffen zijn niet onvoorzienbaar voor in artikel 16, eerste lid, KB 28 juni 2009 vermelde personen die beroepshalve betrokken zijn bij het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg; de omstandigheid dat de overtreding van artikel 5.4.3.4 van de bijlage A bij het ADR en derhalve van artikel 16, eerste lid, KB 28 juni 2009 eventueel ook strafbaar is op grond van andere wetsbepalingen, maakt een bestraffing op grond van de artikelen 1 en 2, § 1, eerste lid, Wet Verdragen Vervoer daardoor niet onvoorzienbaar
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Landvervoer. Wegvervoer Wettelijke bepalingen: Wet 18 februari 1969 betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over de weg, de spoorweg of de waterweg - 18-02-1969 - Art. 1 - 01 ELI link Pub nr 1969021803 Wet 18 februari 1969 betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over de weg, de spoorweg of de waterweg - 18-02-1969 - Art. 2, § 1 - 01 ELI link Pub nr 1969021803 KB 28 juni 2009 betreffende het vervoer via de weg of per spoor van gevaarlijke goederen, met uitzondering van ontplofbare en radioactieve stoffen - 28-06-2009 - Art. 16, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 2009014168 Besluit van de Raad tot vaststelling van het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen met betrekking tot de wijzigingen van de bijlagen bij de Europese Overeenkomst betreffende het internationale vervoer van gevaarlijke goederen ... - Art. 5.4.3.4. Bijlage A Tekst van de conclusie P.23.1155.N Conclusie van advocaat-generaal DE SMET: “De vervolging van een inbreuk op randnummer 5.4.3.4 Bijlage A van het ADR-Verdrag
(1957)over het transport van gevaarlijke goederen getoetst aan het legaliteitsbeginsel”. 1. Eiseres, een transportfirma, wordt (na vrijspraak in eerste aanleg voor feit A) alleen nog vervolgd wegens feit B (begaan op 13 februari 2020) over het vervoer van gevaarlijke goederen (asbesthoudende stoffen met ADR-nummer 2212) zonder dat de bestuurder van de vrachtwagen schriftelijke richtlijnen kon voorleggen die naar vorm en inhoud voldoen aan randnummer 5.4.3.4 van bijlage A van het ADR-Verdrag over het transport van gevaarlijke goederen over de weg (Genève, 30 september 1957)
(1). Een document dat die richtlijnen bevat moet in de vrachtwagen beschikbaar zijn voor het geval er zich een noodsituatie voordoet. De correctionele rechtbank te Hasselt heeft, als verwijzingsrechter, de telastlegging B over het vervoer van gevaarlijke goederen aangepast door de verwijzing naar artikel 29, § 2 Wegverkeerswet te vervangen door artikel 2, § 1 van de Wet Akten Vervoer van 18 februari 1969, als grondslag voor de bestraffing. De aanpassing van telastlegging B in die zin gaf aanleiding tot cassatie, omdat in het vorig vonnis ten gronde de beklaagde daarvan niet vooraf in kennis was gesteld
(2).
- De schriftelijke richtlijnen van randnummer 5.4.3.4 van Bijlage A zijn opgenomen in een model van vier bladzijden, te vinden op www.jurion.fanc.fgov.be Het bestreden vonnis van 7 juli 2023 oordeelt dat (blz. 8): “Het verrichten of laten verrichten van vervoer met een transporteenheid van gevaarlijke goederen zoals opgenomen in de bijlagen van het Europees verdrag betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (ADR) van 30 september 1957 (hierna ADR-Verdrag), goedgekeurd bij wet van 10 augustus 1960 en uitgevoerd bij koninklijk besluit van 28 juni 2009, zonder te hebben voldaan aan de verplichtingen van bijlage A, in casu deze onder randnummer 5.4.3.4 ADR-Verdrag, is strafbaar overeenkomstig artikel 2, § 1, van de wet van 18 februari 1969 betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over zee, over de weg, de spoorweg of de waterweg (vgl. Cass. 15 december 2015, AR P.14.1161.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151215.5), gelet op de aard van de verplichtingen die uit voornoemd randnummer voortvloeien (vgl. in voorbeeld Cass. (2e k.) AR P.12.0913.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130910.1, 10 september 2013…), en aldus niet overeenkomstig in de gedinginleidende akte voor het feit onder de tenlastelegging B weerhouden artikel 29 van de wegverkeerswet”. De redenen lijken mij toereikend als antwoord op het verweer dat men niet kan achterhalen welke strafbaarstelling van toepassing is op de overtreding van randnummer 5.4.3.
- Bijlage A bij het ADR-Verdrag. De rechter dient aan zijn motiveringsplicht te voldoen zonder dat hij moet antwoorden op elk argument dat alleen tot staving van het verweer in conclusie wordt aangevoerd maar geen afzonderlijk verweer vormt
(3). Het eerste onderdeel over artikel 149 Grondwet kan aldus niet worden aangenomen. 3. Verder stelt eiseres dat de motivering gebrekkig is omdat de correctionele rechtbank voor de keuze van de Wet van 18 februari 1969 als rechtsgrond verwijst naar twee arresten van Uw Hof, die niet relevant zijn omdat het in die twee zaken ging om een andere inbreuk op het ADR-Verdrag. Op dit punt steunt het eerste onderdeel m.i. op een onjuiste of onvolledige lezing van het vonnis en mist het feitelijke grondslag. Uit het bestreden vonnis valt af te leiden dat de twee arresten zijn aangehaald om aan te geven dat art. 2 Wet van 18 februari 1969 een grondslag kan zijn voor (specifieke) inbreuken op de ADR-regels die voortvloeien uit bijlage A (wat aan de orde is in zaak P.14.1161.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151215.5 over een inbreuk op randnummer 7.5.7.1 ADR-Verdrag) en dat deze wetsbepaling niet de enige toepasselijke strafbaarstelling vormt voor inbreuken op de ADR-regels (wat aan de orde is in zaak P.12.0913.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130910.1, over de toepassing van art. 4, § 1 Wet Technische Eisen Voertuigen op de ADR-inbreuk over brandblusapparaten van randnummer 8.1.4.2 ADR-Verdrag). Voor het overige voert de grief die een rechterlijke beslissing verwijt uit haar vaststellingen onwettig een bepaald gevolg af te leiden geen motiveringsgebrek aan, maar bekritiseert zij de wettigheid van de beslissing, zodat het onderdeel op dit punt faalt naar recht
(4).
- In een tweede onderdeel stelt eiseres dat het KB van 28 juni 2009 over ADR-transporten, anders dan het vorige KB van 9 maart 2003, voor de ‘restinbreuken’ verwijst naar zowel de Wegverkeerswet als de Wet van 18 februari
- Die categorie bestaat uit inbreuken die geen verband houden met technische eisen of met aspecten van veiligheid op het werk, zoals een inbreuk op de verplichtingen van Bijlage A van het ADR-Verdrag omschreven in telastlegging B. Volgens eiseres is het legaliteitsbeginsel miskend omdat er twee rechtsgronden zijn voor bestraffing van restinbreuken, namelijk artikel 29, § 2 Wegverkeerswet en art. 2 Wet 18 februari 1969, wat “de deur naar willekeur openzet”. De juiste rechtsgrond kiezen aan de hand van de aard van de verplichting opgelegd door het ADR-Verdrag is problematisch, omdat de aard van de inbreuk moeilijk in de Wet van 18 februari 1969 kan worden onderscheiden.
- Beoordeling. Het ingeroepen legaliteitsbeginsel in strafzaken, dat voortvloeit uit de artikelen 7 EVRM, 15 IVBPR en 12 en 14 Grondwet, houdt volgens het Hof als voorwaarde in dat de strafbaarstelling voldoende toegankelijk is als dusdanig of in samenhang met andere bepalingen gelezen, op voldoende precieze wijze de als strafbaar gestelde gedraging omschrijft, zodat de draagwijdte ervan redelijk voorzienbaar is. Het moet voor de persoon op wie de strafbepaling van toepassing is mogelijk zijn om op grond van de strafbepaling zelf, zo nodig aangevuld door de uitlegging ervan in de rechtspraak, de handelingen en verzuimen te kennen die zijn strafrechtelijke verantwoordelijkheid kunnen meebrengen
(5). De duidelijke omschrijving van de strafbaarstelling en interpretatie in ervan in de rechtspraak beschermt de rechtsonderhorige tegen willekeurige vervolging en bestraffing. 6. Het gegeven dat de rechter over een zekere, geen al te grote, beoordelingsvrijheid beschikt is op zich niet in strijd met die vereiste van redelijke voorzienbaarheid
(6). Het Hof nam aan dat er rekening moet worden gehouden met het algemene karakter van wetten, de uiteenlopende situaties waarop zij van toepassing zijn en de evolutie van de gedragingen die zij bestraffen. Het beginsel zelf van de algemeenheid van de wet brengt mee dat de bewoordingen ervan vaak geen absolute precisie kunnen hebben
(7). De strafrechter dient na te gaan of de toegepaste strafwet ten tijde van het misdrijf voldoende nauwkeurig en voorspelbaar was, rekening houdend met de persoon van de beklaagde, zijn situatie, de uiteenlopende situaties waarop de wet van toepassing is en de evolutie van de strafbare gedragingen
(8). Van belang voor de vereiste voorzienbaarheid van de strafbare gedraging is immers de interpretatie van de strafbepaling in het licht van de doelstellingen van de wetgever, de wetsgeschiedenis en de door de rechtspraak gegeven interpretatie van de strafbepaling
(9). 7. Ingevolge de Richtlijn 2008/68/EEG van 24 september 2008 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over land (Publ. 260/13, www.eur-lex.eu) is het ADR-Verdrag van 30 september 1957 met Bijlagen A en B (goedgekeurd bij Wet van 10 augustus 1960) de basis van reglementering van het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg in alle EU-lidstaten
(10). Voorafgaand aan de omzetting van de Richtlijn 2008/68/EEG in de Belgische rechtsorde werden inbreuken op de ADR-voorschriften bestraft op basis van artikel 11 KB van 9 maart 2003 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg, met uitzondering van ontplofbare en radioactieve stoffen (BS 7 april 2003), dat een onderscheid bevatte naar gelang de categorie van inbreuk, en stelde: “De overtredingen van de bepalingen van dit besluit en van het ADR en de bijlagen erbij worden opgespoord, vastgesteld en gestraft overeenkomstig:1° de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk wanneer het gaat om inbreuken op de voorschriften betreffende de vullingsgraad van de verpakkingen en tanks;2° de wet van 21 juni 1985 betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen, wanneer het gaat om inbreuken op de speciale voorschriften waaraan de voertuigen en hun uitrusting moeten voldoen en 3° de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, in het geval van andere inbreuken”. 8. De actuele grondslag voor strafrechtelijke vervolging van ADR-inbreuken is het KB van 28 juni 2009 betreffende het vervoer via de weg of per spoor van gevaarlijke stoffen, met uitzondering van ontplofbare en radioactieve stoffen (BS 30 juni 2009), dat in telastlegging B is vermeld. Dit KB zet de normen van de Richtlijn 2008/68/EEG om naar Belgisch recht en maakt één van de uitvoeringsbesluiten uit gesteund op artikel 1 Wet van 18 februari 1969
(11). Volgens art. 32 KB van 28 juni 2009 is artikel 11 van het KB 9 maart 2003 opgeheven. Gelet op artikel 14 Grondwet, dat bepaalt: “Geen straf kan worden ingevoerd of toegepast dan krachtens de wet”
(12), bevat het KB van 28 juni 1969 geen strafsancties. In deze zaak is de vraag aan de orde op basis van welke wetsbepaling een inbreuk op het KB van 28 juni 2009, meer specifiek de miskenning van nr. 5.4.3.4 van Bijlage A bij het ADR-Verdrag, kan worden bestraft. 9. De toelichting of inleidende tekst van het KB van 28 juni 2009 bevat een verwijzing naar volgende wetten, wat betreft het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg: 1°Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, artikel 1, eerste lid, en artikel 62, eerste lid, 2°Wet van 18 februari 1969 betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake het vervoer over zee, over de weg, de spoorweg of de waterweg, artikelen 1 en 3
(13), 3°Wet van 21 juni 1985 betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen, artikelen 1 en 3, § 1 en 4°Wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, artikelen 4 en
- Zoals eiseres aanvoert, bevat de strafbaarstelling in elke wet afzonderlijke strafsancties met daarbij verschillende tarieven van geldboetes, namelijk artikel 29, § 2 Wegverkeerswet als restcategorie (van 10 tot 250 euro, in artikel 29, § 1 Wegverkeerswet zijn andere tarieven opgenomen per categorie van inbreuken), artikel 2, § 1 Wet 18 februari 1969 (van 50 tot 10.000 euro), artikel 4, § 1 Wet Technische Eisen Voertuigen (van 10 tot 10.000 euro) en art. 80 Wet Welzijn Werknemers in combinatie met de artikelen 128 Sociaal Strafwetboek (sanctie van niveau 3) en artikel 101, vierde lid, Sociaal Strafwetboek (strafrechtelijke geldboete van 100 tot 1.000 euro). Daarbij bedraagt de minimale geldboete voor de rechtspersoon 500 euro, wanneer de wet op het feit vrijheidsstraf en/of geldboete stelt, waarbij dit bedrag te vermenigvuldigen is met het getal van de maanden van de minimum vrijheidsstraf, doch niet lager dan de minimumgeldboete op het feit gesteld (art. 41bis, § 1, tweede lid, Sw.)
(14). 11. De vraag rijst of de strafrechter artikel 2 Wet van 18 februari 1969 als grondslag voor bestraffing kan aannemen voor de overtreding van vermelde ADR-inbreuk en of die keuze verenigbaar is met het legaliteitsbeginsel. Mij komt voor dat het KB van 28 juni 2009 steunt op een gelijkaardige regeling van bestraffing als in het opgeheven artikel 11 KB van 9 maart 2003, in die zin dat het openbaar ministerie in de dagvaarding over de ADR-inbreuk aangeeft welke wettelijke strafbaarstelling van toepassing is en de vonnisrechter nagaat of deze strafbaarstelling de juiste grondslag vormt voor de schuldbeoordeling en straftoemeting, dan wel of er reden is om de strafbaarstelling tijdens het proces aan te passen, met eerbied voor de rechten van verdediging
(15).
- Het KB van 28 juni 2009 kan als een uitvoeringsbesluit worden opgevat van verschillende wetten met strafbepalingen, wat blijkt uit de aanhef van dit KB. Het feit dat in de artikelen van het KB van 28 juni 2009 een specifieke bepaling ontbreekt over de toepasselijke strafbaarstellingen, lijkt mij niet in strijd te zijn met het legaliteitsbeginsel. Verder kan de verwijzing in de aanhef van het KB van 28 juni 2009 naar de Wet van 18 februari 1969 als bijkomende grondslag voor bestraffing van (bepaalde) ADR-inbreuken, in vergelijking met het opgeheven KB van 9 maart 2003, m.i. niet als een miskenning van het legaliteitsbeginsel worden opgevat. Het is aan de rechter om in het concrete geval na te gaan of artikel 2 Wet van 18 februari 1969 het correcte aanknopingspunt vormt, rekening houdend met het legaliteitsbeginsel en het recht van verdediging, dan wel of één van de overige drie strafbaarstellingen van toepassing is op de ADR-inbreuk vermeld in de inleidende akte.
- Artikel 1, eerste en tweede lid, Wet van 18 februari 1969, waarnaar het in deze zaak toegepaste KB van 28 juni 2009 verwijst, bepaalt: “De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, inzake vervoer (over zee,) over de weg, de spoorweg of de waterweg, alle vereiste maatregelen treffen ter uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit de internationale verdragen en uit de krachtens deze genomen internationale akten, welke maatregelen de opheffing en de wijziging van wetsbepalingen kunnen inhouden. Deze wet is niet van toepassing op de technische eisen waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen.” De strafrechter die meent dat een inbreuk op (een Bijlage bij) het ADR-Verdrag geen verband houdt met de technische normen van voertuigen (Wet Technische Eisen voertuigen) of met regels over welzijn op het werk (Wet 4 augustus 1996) of met verkeersregels (art. 29 Wegverkeerswet), dient artikel 2 Wet van 18 februari 1969 als wettelijke basis voor bestraffing aan te nemen en in het debat te brengen, met een controle op de wettigheid van de motieven door het Hof.
- De keuze tussen de verschillende strafwetten voor de handhaving van het ADR-Verdrag kwam reeds in de rechtspraak van uw Hof aan bod. In een zaak over het ontbreken van een geschikt brandblusapparaat oordeelde het Hof op 10 september 2013 over een middel gesteund op het legaliteitsbeginsel (art. 7 EVRM en art. 14 Grondwet): “Het koninklijk besluit van 28 juni 2009 betreffende het vervoer via de weg of per spoor van gevaarlijke stoffen, met uitzondering van ontplofbare en radioactieve stoffen, is onder meer een uitvoeringsbesluit van de wet van 21 juni 1985 betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen (hierna Wet Technische Eisen Voertuigen). Het verrichten of laten verrichten van vervoer met een transporteenheid van gevaarlijke goederen van de klasse opgenomen in de bijlagen van het ADR-verdrag, zonder te hebben voldaan aan de bepalingen van randnummers 1.4.2.2.1.g en 8.1.4.1 (a) (bijlage A) ADR-verdrag, is strafbaar overeenkomstig de Wet Technische Eisen Voertuigen gelet op de aard van de verplichtingen die uit die randnummers voortspruiten”
(16). Verder stelde het Hof op 15 december 2015, in een zaak van ADR-normen over de plaatsing en bevestiging met spanriemen van gevaarlijke goederen: “Het verrichten of laten verrichten van vervoer met een transporteenheid van gevaarlijke goederen zoals opgenomen in de bijlagen van het Europees verdrag betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (ADR) van 30 september 1957 (hierna ADR-Verdrag), goedgekeurd bij wet van 10 augustus 1960 en uitgevoerd bij koninklijk besluit van 28 juni 2009, zonder te hebben voldaan aan de verplichtingen van bijlage A, randnummer 7.5.7.1 ADR-Verdrag, is strafbaar overeenkomstig artikel 2, § 1, van de wet van 18 februari 1969 betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over zee, over de weg, de spoorweg of de waterweg”
(17).
- Eiseres haalt terecht aan dat het niet de bedoeling kan zijn elke inbreuk op het ADR-Verdrag te bestraffen op basis van art. 2 Wet 18 februari 1969, ook al is deze wetsbepaling gericht op de handhaving van internationale voorschriften over vervoer van goederen. Het KB van 28 juni 2009 bevat immers nog een verwijzing naar drie andere strafbaarstellingen. Ook kan men niet uit het KB van 28 juni 2009 afleiden dat de strafrechter bij voorrang moet onderzoeken of de ADR-inbreuk omschreven in de telastlegging strafbaar is op basis van art. 2 Wet 18 februari
- Het komt de strafrechter toe om per inbreuk op de ADR-voorschriften na te gaan of de bestraffing steunt op art. 2 Wet van 18 februari 1969, gelet op de aard van de verplichting voor de transportfirma, met controle op de wettigheid van de motieven door uw Hof.
- Chris DE ROY stelde in 2013: “De verwijzing in de aanhef van het KB van 28 juni 2009 naar de wet van 18 februari 1969 betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake het vervoer over zee, over de weg, de spoorweg of de waterweg, is in het kader van het vervoer van gevaarlijke stoffen pas in de Belgische uitvoeringsbesluiten opgenomen wanneer het RID (Reglement betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen per spoor, opgenomen in bijlage C bij het verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer (COTIF), gesloten te Vilnius op 3 juni 1999) in het KB van 28 juni 2009 werd ingelast, waardoor allicht mag worden aangenomen dat het de bedoeling van de regelgever is geweest om enkel inbreuken op het reglement betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen per spoor middels deze wet van 1969 te bestraffen”. Deze interpretatie van het KB van 28 juni 2009 lijkt mij niet meer verenigbaar met vermeld arrest van uw Hof van 15 december 2015 over toepassing van de Wet van 18 februari 1969 (en niet art. 29 Wegverkeerswet aangehaald in het middel in die zaak P.14.1161.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151215.5) op een ADR-inbreuk bij vervoer van gevaarlijke goederen langs de weg die geen strikt verband houdt met de technische eisen van voertuigen of welzijn op het werk.
- Bij de aanpassing in 2006 van de Wet van 18 februari 1969 werd de nadruk gelegd op de handhaving van internationale verplichtingen via deze wet. Het wetsontwerp van 2 februari 2006 vermeldt: “Zoals het opschrift van de bestaande wet aangeeft, beschikt de Koning reeds over die bevoegdheid wat betreft het vervoer over de weg, de spoorweg of de waterweg. Ze werd in 1969 aan de Koning toegekend om het mogelijk te maken dat de verdragen en internationale akten inzake vervoer worden uitgevoerd met de snelheid die ze vereisen. In tegenstelling tot destijds, is de uitvoering inzake zeevervoer thans niet minder spoedeisend dan die inzake wegvervoer, spoorvervoer en binnenvaart. Die bevoegdheid, zowel de bestaande als de voorgestelde, is strikt beperkt tot uitvoering van internationale verplichtingen. Het betreft een uitvoering zonder beleidsvrijheid, die de wetgever dus aan de Koning kan overlaten zonder reële beslissingsmacht af te staan”’
(18). De schriftelijke richtlijnen van randnummer 5.4.3.4 van Bijlage A van het ADR-Verdrag kunnen naar mijn mening worden opgevat als een internationale verplichting inzake het vervoer over de weg van gevaarlijke goederen of stoffen. Het bestreden vonnis oordeelt m.i. naar recht dat het KB van 28 juni 2009 “onder meer een uitvoeringsbesluit is van de Wet Technische Eisen Voertuigen” (blz. 7), maar dat de ADR-inbreuk van het niet-voldoen aan randnummer 5.4.3.4 Bijlage A van het ADR-Verdrag gelet op de aard van de verplichtingen die daaruit voortvloeien strafbaar is overeenkomstig artikel 2, § 1 Wet van 18 februari 1969 (blz. 8). In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- In een derde onderdeel stelt eiseres dat als uw Hof zou oordelen dat het legaliteitsbeginsel niet is miskend, de wettelijke grondslag voor de bestraffing ligt in artikel 29, § 2 Wegverkeerswet, zodat de opgelegde bestraffing op basis van art. 2 Wet 18 februari 1969 onwettig is.
- Beoordeling. Eiseres verduidelijkt niet hoe en waarom het bestreden vonnis artikel 29, § 2 Wegverkeerswet zou miskennen en een onwettige straf zou hebben opgelegd, door de Wet van 18 februari 1969 als grondslag voor bestraffing aan te nemen, zodat het onderdeel op dit punt niet-ontvankelijk is.
- Voor het geval het onderdeel wel nauwkeurig geformuleerd zou zijn, ben ik van mening dat de opgelegde straf naar recht verantwoord is. Het verrichten of laten verrichten van vervoer met een transporteenheid van gevaarlijke goederen zoals opgenomen in de bijlagen van het Europees verdrag betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (ADR) van 30 september 1957 (hierna ADR-Verdrag), goedgekeurd bij wet van 10 augustus 1960 en uitgevoerd bij koninklijk besluit van 28 juni 2009, zonder te hebben voldaan aan de verplichtingen van bijlage A, randnummer 5.4.3.
- ADR-Verdrag, is naar mijn mening strafbaar overeenkomstig artikel 2, § 1, van de wet van 18 februari 1969 betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over zee, over de weg, de spoorweg of de waterweg. Dit artikel bepaalt: “De overtredingen van de besluiten die genomen werden bij toepassing van artikel 1 van deze wet worden gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en een geldboete van vijftig tot tienduizend euro, of slechts één van beide straffen, onverminderd de eventuele schadevergoeding”. Daarbij moet bij de bestraffing van een rechtspersoon worden gelet op de minimale geldboete van 500 euro (art. 41bis, § 1, 2e lid, Sw.). De met het bestreden vonnis aan de eiseres opgelegde straf (geldboete op van 500 euro, met opdeciemen gebracht op 4.000 euro, met uitstel voor een termijn van één jaar) is naar recht verantwoord op grond van die wetsbepalingen, zodat het onderdeel niet tot cassatie kan leiden, en eveneens niet-ontvankelijk is
(19). Voor het overige is het onderdeel gesteund op artikel 29, § 2 Wegverkeerswet afgeleid uit de vergeefs in het tweede onderdeel aangevoerde onwettigheid over het legaliteitsbeginsel (2e onderdeel) en is het eveneens niet-ontvankelijk. 21. Voor zover eiseres aanvoert dat “niet voldaan is aan de motiveringsverplichting ex art. 149 Grondwet nu niet de juiste strafrechtsbasis wordt voorzien in het bestreden vonnis (daar waar met name niet is voorzien in een inbreuk op artikel 29, § 2 Wegverkeerswet)” houdt het middel een kritiek in op de wettigheid van het bestreden vonnis, en niet op een motiveringsgebrek. In zoverre faalt het onderdeel gesteund op art. 149 Grondwet naar recht. Voor het overige blijkt niet uit de beroepsconclusie dat eiseres verweer heeft gevoerd over de toepassing van artikel 29, § 2 Wegverkeerswet op de ADR-inbreuk, in plaats van artikel 2 Wet 18 februari 1969, zodat op dit punt geen concrete motivering vereist was. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Besluit. Er zijn geen ambtshalve middelen aan te voeren. Verwerping. _________________________________
(1)Zie alg. Internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg, overzicht van wetsbepalingen door W. VAN PRAET, Kortrijk, UGA, 2011, 1186p.
(2)Cass. 26 april 2022, AR P.22.0208.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220426.2N.7, AC 2022, nr. 291, Vanheede Enviromental Logistics (het onderdeel gesteund op art. 6 EVRM werd gegrond verklaard).
(3)Vb. Cass. 18 april 2023, AR P.23.0427.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230418.2N.12, AC 2023, nr. 289; Cass. 20 april 2021, AR P.20.1307.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210420.2N.4, AC 2021, nr. 281; Cass. 19 mei 2020, AR P.20.0159.N, AC 2020, nr. 303, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200519.2N.6; J. VERBIST en Ph. TRAEST, “Cassatiemiddelen in strafzaken”, in Cassatie in strafzaken, Intersentia 2014, 115-116.
(4)Vb. Cass. 14 november 2023, AR P.23.0759.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231114.2N.15, AC 2023, nr. 733, RO 4; Cass. 7 november 2023, AR P.23.0713.N, AC 2023, nr. 707, RO 17, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231107.2N.12.
(5)Cass. 3 mei 2022, AR P.22.0021.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.5, AC 2022, nr. 308, met concl. OM; Cass. 14 december 2021, AR P.21.0489.N, AC 2021, nr. 795; Cass. 19 januari 2021, AR P.20.1031.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210119.2N.4, AC 2021, nr. 35; Cass. 15 december 2020, AR P.20.0693.N, AC 2020, nr. 776, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201215.2N.14; Cass. 9 april 2019, AR P.18.1282.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190409.5, AC 2019, nr. 221, NC 2019, 271; Cass. 16 mei 2017, AR P.15.0807.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170516.4, AC 2017, nr. 336; Cass. 22 mei 2012, AR P.11.1723.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120522.6, AC 2012, nr. 317 met concl. van eerste advocaat-generaal M. DE SWAEF; Cass. 29 november 2011, AR P.10.1766.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111129.1, AC 2011, nr. 650 met concl. van advocaat-generaal M. TIMPERMAN; In dezelfde zin GwH 23 april 2015, arrest 44/2015, B.19.2; GwH 16 december 2010, arrest 140/2010, B.4; GwH 10 april 2008, arrest 61/2008, B.4.1; GwH 10 mei 2006, nr. 71/2006, B.5.1 en GwH 20 oktober 2005, arrest 156/2005, www.const-court.be; M. CROMHEECKE en F. DHONT, “Artikel 7. Geen straf zonder wet”, in Handboek EVRM. Artikelsgewijze commentaar, II, Intersentia 2004, 669-682; A. VANDEPLAS, “Over de vaagheid en de onvatbaarheid van het strafrecht”, in Om deze redenen. Liber amicorum Luc Huybrechts, Intersentia 2010, 467-473; J. ROZIE, "Beklaagde alwetend. Over het criterium van de redelijke voorzienbaarheid als maatstaf van het lex-certa principe in strafzaken", RW 2012-13, afl. 21, 802-817; T. MOREAU en D. VANDERMEERSCH, Eléments de droit pénal, Die Keure 2019, 15-18.
(6)Cass. 9 april 2019, AR P.18.1282.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190409.5, AC 2019, nr. 221, NC 2019, 271; Cass. 29 november 2011, AR P.10.1766.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111129.1, AC 2011, nr. 650, met concl. van advocaat-generaal M. TIMPERMAN; GwH 10 april 2008, arrest 61/2008, B.4.1; GwH 10 mei 2006, nr. 71/2006, B.5.1, www.const-court.be; EHRM K.-H t/Duitsland; EHRM 15 november 1996, Cantoni t/Frankrijk, § 32, EHRM 22 november 1995, S.W. t/Verenigd Koninkrijk, EHRM 15 juli 2014, Ashlarba t/Georgië, § 33-34, www.echr.coe.int.
(7)Cass. 3 mei 2022, AR P.22.0021.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.5, AC 2022, nr. 308, met concl. OM, ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220503.2N.5; Cass. 29 november 2011, AR P.10.1766.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111129.1, AC 2011, nr. 650, RO 177, met concl. van advocaat-generaal M. TIMPERMAN.
(8)GwH 10 mei 2006, nr. 71/2006, B.5.1, www.const-court.be.
(9)Cass. 14 december 2021, AR P.21.0489.N, AC 2021, nr. 795, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211214.2N.6; Cass. 29 november 2011, AR P.10.1766.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111129.1, RO 107, AC 2011, nr. 650, met concl. van advocaat-generaal M. TIMPERMAN.
(10)C. DE ROY, “Inbreuken op de ADR-regelgeving inzake vervoer van gevaarlijke goederen over de weg blijven ook onder het KB van 28 juni 2009 wel degelijk strafbaar”, Verkeer, aansprakelijkheid, verzekering (VAV), 2013, 74.
(11)J.P. BOGAERT, “Commentaar bij de Wet van 18 februari 1969”, in Wegverkeer. Duiding, Larcier 2016, 315 en 321. Over het mandaat van de wetgever aan de Koning om maatregelen te treffen ter uitvoering van de op België rustende verplichtingen inzake vervoer over zee, over de weg, de spoorweg of de waterweg, zie Cass. 3 februari 2009, AR P.08.1477.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090203.3, AC 2009, nr. 89.
(12)Zie K. RIMANQUE, De grondwet toegelicht, gewikt en gewogen, Intersentia 2004, 48.
(13)Over de strafbaarstelling van art. 2 Wet 18 februari 1969 en het legaliteitsbeginsel zie GwH 22 april 2010, arrest 37/2010, www.const-court.be.
(14)Over deze regel als de minimale gevangenisstraf lager is dan één maand zie Cass. 30 januari 2018, AR P.17.0102.N, AC 2018, nr. 64, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180130.3.
(15)In die zin zie C. DE ROY, “Inbreuken op de ADR-regelgeving inzake vervoer van gevaarlijke goederen over de weg blijven ook onder het KB van 28 juni 2009 wel degelijk strafbaar”, Verkeer, aansprakelijkheid, verzekering (VAV), 2013, 75.
(16)Cass. 10 september 2013, AR P.12.0913.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130910.1, AC 2013, nr. 433, VAV 2013, 72 noot C. DE ROY.
(17)Cass. 15 december 2015, AR P.14.1161.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151215.5, AC 2015, nr. 752.
(18)Wetsontwerp van 2 februari 2006 houdende diverse maatregelen inzake vervoer, Parl. St. Kamer, Doc 51-2245/1, p. 4-5, www.dekamer.be.
(19)Naar het voorbeeld van Cass. 15 december 2015, AR P.14.1161.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151215.5, AC 2015, nr. 752, in een zaak over het niet-voldoen van verplichtingen die voortvloeien uit randnr. 7.5.7.1 ADR-Verdrag. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231219.2N.10 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231219.2N.10 citeert: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090203.3 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111129.1 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120522.6 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130910.1 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151215.5 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170516.4 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180130.3 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190409.5 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200519.2N.6 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201215.2N.14 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210119.2N.4 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210420.2N.4 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211214.2N.6 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220426.2N.7 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.5 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220503.2N.5 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230418.2N.12 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231107.2N.12 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231114.2N.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div