← België

UNIA contra Christelijke gemeente van Jehovah’s Getu

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 19 december 2023

Art. 8

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 9

- 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 19 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 22 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen en discriminatie - 10-05-2007 - Art. 22 - 35 ELI link Pub nr 2007002099 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 8 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 8

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 9

- 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 19 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 22 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen en discriminatie - 10-05-2007 - Art. 22 - 35 ELI link Pub nr 2007002099 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 19 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 8

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 9

- 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 19 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 22 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen en discriminatie - 10-05-2007 - Art. 22 - 35 ELI link Pub nr 2007002099 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 22 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 8

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 9

- 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 19 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 22 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen en discriminatie - 10-05-2007 - Art. 22 - 35 ELI link Pub nr 2007002099 Thesaurus CAS: RACISME. XENOFOBIE Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 8

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 9

- 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 19 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 22 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen en discriminatie - 10-05-2007 - Art. 22 - 35 ELI link Pub nr 2007002099 Annotaties Publicaties: JT-Journal des tribunaux - 2024, n° 28, p. 488-

  1. - CHRISTIANS, Louis-Léon; Note'Autonomie des cultes et hiérarchie des normes: règle religieuse versus discrimination?' NC-Nullum Crimen: Tijdschrift voor straf-en strafprocesrecht - 2024, nr. 4, p. 253-
  2. - JANSEN, Sanne; Noot'Shunning: van vrijheid van godsdienst tot strafbare gedraging?' Tekst van de conclusie P.22.0971.N Conclusie van advocaat-generaal DE SMET: “Het door ex-gelovigen van de Getuigen van Jehova aangeklaagde uitsluitingsbeleid getoetst aan art. 22 Antidiscriminatiewet en de vrijheid van godsdienst (artikelen 9 EVRM en 19 Grondwet) ”.
  3. Probleemstelling en procesverloop.
  4. In deze zaak is de vraag aan de orde of het zgn. ‘mijdingsbeleid’ vanwege de leden van de geloofsgemeenschap van de Getuigen van Jehova ten aanzien van uittredende leden of ‘afvalligen’ (ook gekend als ‘shunning’) strafbaar is op basis van artikel 22 Antidiscriminatiewet over het aanzetten tot discriminatie (ook in de vorm van intimidatie), haat of geweld ten aanzien van een persoon of een groep

(1). Een soepele interpretatie van de termen ‘aanzetten’, ‘discriminatie’ of ‘haat’, om getuigen van Jehova te bestraffen, kan afbreuk doen aan de bescherming van de godsdienstvrijheid (art. 9 EVRM en art. 19 Grondwet).
  1. Volgens burgerlijke partij en eiser I Unia voert Christelijke Gemeente van Jehova’s Getuigen (beklaagde, verweerster in cassatie) een beleid waarbij ex-leden in diverse geschriften van de geloofsgemeenschap worden bestempeld als ‘afvalligen’ en ‘onwaardigen’, waardoor deze ex-leden (die zijn uitgesloten of vrijwillig de banden verbraken met de organisatie) sociaal geïsoleerd raken en vaak niet kunnen terugvallen op een ander sociaal netwerk dan hun voormalige geloofsgemeenschap (p.23 arrest). Verder dient het uitsluitingsbeleid volgens Unia om ex-leden ertoe te dwingen zich opnieuw te schikken naar de geloofsregels en terug deel uit te maken van de geloofsgemeenschap, omdat anders de sociale isolatie dreigt, gezien de aangesloten gelovigen zich (strikt) moeten houden aan het uitsluitingsbeleid. Hierdoor wordt de vrije wil van de gelovigen aangetast (p. 31-32 arrest).
  2. Beklaagde Christelijke Gemeente van Jehova’s Getuigen wordt door het openbaar ministerie vervolgd voor de inbreuk op elk van de vier onderdelen van het aanzettingsmisdrijf van art. 22 Antidiscriminatiewet, meermaals, in de periode van 1 januari 2010 tot 31 december 2010 (feiten A en B, art. 22, 1° en 2°) en in de periode van 1 januari 2010 tot en met 25 mei 2018 (feiten C en D, art. 22, 3° en 4°). Daarnaast hebben vier burgerlijke partijen op basis van dezelfde telastleggingen een rechtstreekse dagvaarding uitgebracht tegen Christelijke Gemeente van Jehova’s Getuigen (zaken II en III), met andere tijdstippen voor feiten A en B (jaar 2015, jaar 2017 en juli 2020) en een ruimere periode voor feiten C en D (van 1 januari 2010 tot en met 4 september 2020 of 5 februari 2021).
  3. De vervolgende partijen lichten feiten A en B van aanzetten tot discriminatie, haat of geweld tegen een persoon toe als “door de uitsluiting van de burgerlijke partijen of benadeelden uit de geloofsgemeenschap publiek bekend te hebben gemaakt”. De feiten C en D van aanzetten tot discriminatie, haat of geweld tegen een groep worden nader omschreven als “door het uitsluitingsbeleid te propageren en binnen de lokale geloofsgemeenschappen te onderrichten, en daarmee op algemene wijze te hebben aangezet tot discriminatie of segregatie jegens de groep van de ex-leden, met name de leden die werden uitgesloten en zich hebben teruggetrokken uit de geloofsgemeenschap van Jehova’s getuigen” (p. 24 arrest).
  4. De correctionele rechtbank te Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, heeft op 16 maart 2021, de feiten A1, A2, A3, B1, B2, C en D bewezen verklaard voor de periode van 1 januari 2018 tot en met 25 mei 2018 en beklaagde veroordeeld tot een geldboete van 96.000 euro (incl. opdeciemen). Het vonnis werd in hoger beroep aangevochten door beklaagde (verweerster in cassatie), burgerlijke partij Erik Baeten (eiser II.2 in cassatie) en het openbaar ministerie.
  5. Het hof van beroep te Gent heeft op 7 juni 2022 verweerster vrijgesproken voor alle telastleggingen en de burgerlijke vorderingen van eisers in cassatie ongegrond verklaard. De kosten van het proces op strafgebied werden ten laste gelegd van de Staat. Burgerlijke partijen die niet zijn veroordeeld tot de kosten van de strafvordering hebben geen hoedanigheid om op te komen tegen de beslissing op strafgebied
(2). Het cassatieberoep van de burgerlijke partijen is niettemin ontvankelijk wat betreft de afwijzing van hun vordering tot schadevergoeding.
  1. Het misdrijf van art. 22 Antidiscriminatiewet. 2.
  2. Het letterlijk of in de praktijk aanzetten tot discriminatie.
  3. Eisers komen in hun eerste middel op tegen het oordeel (p.40): “Het mijdingsbeleid van Jehova’s getuigen-waarvan verweerster het bestaan als zodanig niet betwist- roept niet letterlijk op tot discriminatie in de zin van intimidatie, noch letterlijk tot haat of geweld. De strafinformatie bevat daarvoor geen overtuigende aanwijzingen en de burgerlijke partijen beweren dit over het algemeen ook niet”. Met de termen ‘letterlijk oproepen’ voegt het arrest een extra voorwaarde toe aan de strafbaarstelling van artikel 22 Antidiscriminatiewet, waardoor de vrijspraak van verweerster (op burgerlijk gebied) niet naar recht is verantwoord (eerste middel van Eiser I en eerste middel, tweede onderdeel van eiser 2).
  4. Beoordeling. Krachtens artikel 22 Wet ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie van 10 mei 2007, BS 30 mei 2007, (Antidiscriminatiewet) wordt met gevangenisstraf van een maand tot een jaar en/of met geldboete van vijftig euro tot duizend euro gestraft: 1° hij die in een van de in artikel 444 van het Strafwetboek bedoelde omstandigheden aanzet tot discriminatie jegens een persoon wegens een van de beschermde criteria, en dit, zelfs buiten de in artikel 5 bedoelde domeinen (feit A); 2° hij die in een van de in artikel 444 van het Strafwetboek bedoelde omstandigheden aanzet tot haat of geweld jegens een persoon wegens een van de beschermde criteria, en dit, zelfs buiten de in artikel 5 bedoelde domeinen (feit B); 3° hij die in een van de in artikel 444 van het Strafwetboek bedoelde omstandigheden aanzet tot discriminatie of tot segregatie jegens een groep, een gemeenschap of de leden ervan, wegens een van de beschermde criteria, en dit, zelfs buiten de in artikel 5 bedoelde domeinen (feit C); 4° hij die in een van de in artikel 444 van het Strafwetboek bedoelde omstandigheden aanzet tot haat of geweld jegens een groep, een gemeenschap of de leden ervan, wegens een van de beschermde criteria, en dit, zelfs buiten de in artikel 5 bedoelde domeinen (feit D).
  5. Tot de in artikel 5 Antidiscriminatiewet bedoelde domeinen behoren o.a. de arbeidsbetrekkingen, sociale voordelen en sociale zekerheid. Met ingang van 30 juli 2023 is de term “de beschermde criteria" vervangen door de woorden "een of meer beschermde criteria" (art. 31 Wet 28 juni 2023, BS 20 juli 2023). De beschermde criteria zijn thans leeftijd, seksuele oriëntatie, burgerlijke staat, geboorte, vermogen, geloof of levensbeschouwing, politieke overtuiging, syndicale overtuiging, taal, gezondheidstoestand, een handicap, een fysieke of genetische eigenschap, sociale afkomst of toestand (art. 4, 4° Antidiscriminatiewet)
(3). Het beschermd criterium ‘geloof of levensbeschouwing’ is sinds de oorspronkelijke versie van de Wet van 10 mei 2007 ongewijzigd gebleven
(4).
  1. De in artikel 444 Sw. bedoelde omstandigheden zijn 1° openbare bijeenkomsten of plaatsen; 2° in tegenwoordigheid van verscheidene personen, een plaats die niet openbaar is, maar toegankelijk voor een aantal personen die het recht hebben er te vergaderen of ze te bezoeken; 3° om het even welke plaats, in tegenwoordigheid van de beledigde en voor getuigen; 4° geschriften, al dan niet gedrukt, door prenten of zinnebeelden, die aangeplakt, verspreid of verkocht, te koop geboden of openlijk tentoongesteld worden en 5° geschriften, die niet openbaar gemaakt, maar aan verscheidene personen toegestuurd of meegedeeld worden.
  2. Voor de toepassing van de strafbaarstelling wordt “discriminatie” geïnterpreteerd, ten tijde van de feiten, als “elke vorm van opzettelijke directe discriminatie, opzettelijke indirecte discriminatie, opdracht tot discrimineren en intimidatie op grond van een beschermd criterium, alsook de weigering tot het maken van redelijke aanpassingen voor een persoon met een handicap” (art. 21 Antidiscriminatiewet). Met directe discriminatie wordt bedoeld een direct onderscheid op grond van een beschermd criterium (art. 4, 7°), waarbij een direct onderscheid zich voordoet wanneer iemand ongunstiger wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie, of zou worden behandeld op basis van één van de beschermde criteria (art. 4, 6°). Met indirecte discriminatie wordt bedoeld een ongerechtvaardigd indirect onderscheid op grond van een beschermd criterium (art. 4, 9°), waarbij een indirect onderscheid zich voordoet in de situatie wanneer een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelswijze, personen gekenmerkt door een bepaald beschermd criterium, in vergelijking met andere personen bijzonder kan benadelen (art. 4, 8°)
(5). 12. Met ‘intimidatie’ wordt bedoeld elk ongewenst gedrag dat met één van de beschermde criteria verband houdt, en tot doel of gevolg heeft dat de waardigheid van de persoon wordt aangetast en een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd (art. 4, 10°). De begrippen ‘haat’ en ‘geweld’ worden niet nader toegelicht in art. 4 Antidiscriminatiewet en moeten in hun gebruikelijke betekenis worden geïnterpreteerd
(6). Hierbij moet men opmerken dat gelet op het legaliteitsbeginsel in strafzaken (art. 7 EVRM en art. 12 en 14 Grondwet) de strafbaarstelling een strikte interpretatie vereist, waarbij twijfel over de draagwijdte van een term in het voordeel van de beklaagde wordt uitgelegd
(7). 13. Over het aanzetten tot racisme of xenofobie (Wet van 30 juli 1981) oordeelde uw Hof dat het voor de strafbaarheid van de gedraging of uitlating niet vereist is dat de daders ‘openlijk’ hun wil te kennen geven om iemand aan te zetten tot bepaalde daden van racisme of xenofobie. Evenmin is vereist dat de dader het publiek of een individu aanzet tot concrete, bepaalde of bepaalbare van die daden.
(8)Het Grondwettelijk Hof nam aan dat de term ‘aanzetten’ in artikel 22 Antidiscriminatiewet op zich aangeeft dat de strafbaar gestelde handelingen verder gaan dan het verstrekken van informatie, ideeën of kritiek. Het moet gaan om ‘aansporen om iets te doen, opzetten, aanstoken’
(9).
  1. Mij komt voor dat eisers er ten onrechte van uitgaan dat het hof van beroep hun burgerlijke vorderingen afwijst om de enkele reden dat verweerster niet letterlijk zou hebben opgeroepen tot discriminatie van afvallige gelovigen, in de zin van intimidatie, of tot haat of geweld tegen hen. Uit de aangehaalde redenen blijkt dat het bestreden arrest voldoende duidelijk en concreet heeft nagegaan of het mijdingsbeleid van de Jehova’s Getuigen niet alleen letterlijk, maar ook in de praktijk personen aanzette tot discriminatie, intimidatie, haat of geweld op basis van een beschermd criterium (in deze zaak geloof of levensbeschouwing), zoals vereist door artikel 22 Antidiscriminatiewet. Op p.43 van het arrest onderzoekt het hof van beroep “de praktijk van het mijdingsbeleid in verhouding tot de strafbepalingen van artikel 22 Antidiscriminatiewet”.
  2. Daarbij oordeelde het hof van beroep onaantastbaar onder meer, op basis van de voorgelegde stukken, dat: - Er bestaat tussen het openbaar ministerie, de burgerlijke partijen en de beklaagden geen betwisting over het feit dat de uitsluiting als lid van de Getuigen van Jehova op zich niet meer behelst dan een in de gemeenschappelijke religieuze ruimte gedane aankondiging dat “X niet langer één van Jehova’s getuigen is”. Daarbij worden er klaarblijkelijk geen verdere toelichtingen of gedragsinstructies gegeven, en wordt evenmin de reden of beweerde ‘zonde’ die aan de uitsluiting ten grondslag ligt, aan de geloofsgemeenschap meegedeeld (p. 26); - Het louter bekend maken van de naam van diegenen die geacht worden niet langer deel uit te maken van de geloofsgemeenschap van de Getuigen van Jehova, kan op zich niet aanzetten tot discriminatie, al dan niet in de zin van intimidatie (art. 22, 1° Antidiscriminatiewet), of tot haat en geweld (art. 22, 2° Antidiscriminatiewet) tegen de bedoelde personen (p. 26); - Burgerlijke partij UNIA leidt het bewijs tot het aanzetten van discriminatie, haat of geweld nagenoeg volledig af uit de praktische gevolgen van het mijdingsbeleid van verweerster (p.41); - Een passage in het blad “De Wachttoren” van december 1981 over ex-gelovigen of afvalligen in de zin van “de hond is tot zijn eigen braaksel teruggekeerd en de gebalde zeug tot het rollen in de modder” kan bezwaarlijk aantonen dat verweerster zich in de incriminatieperiode schuldig maakte aan inbreuken op art. 22 Antidiscriminatiewet (p. 41); - De door eiser 2 H. bijgebrachte uittreksels van “De Wachttoren” uitgegeven tijdens de incriminatieperiode bevatten geen taalgebruik waarvan voorshands zou moeten worden vastgesteld dat het letterlijk aanzet tot discriminatie in de zin van intimidatie, of tot haat of geweld ten aanzien van uitgesloten ex-leden van de Getuigen van Jehova (p. 41); - De geluidsopname van een voordracht van ‘broeder V.’ tijdens een congres van 2013 over ex-gelovigen van Jehova’s Getuigen als “de pest” geeft aan dat de spreker geen kritiek heeft op alle ex-gelovigen, maar alleen op ex-gelovigen die haat spuien via allerlei media of Jehova’s werk te bemoeilijken of zelfs te laten verbieden (p. 42); - Geloofsafvalligheid of apostasie geeft niet zelfde aanleiding tot georganiseerde sociale vervreemding ten aanzien van de leden van de oorspronkelijke geloofsgemeenschap. Het is van algemene bekendheid dat dit onder meer ook het geval is in brede lagen van de Islamitische geloofsgemeenschap en het streng-Orthodox Jodendom (p. 43); - Blijkens de verklaringen van de burgerlijke partijen en geregistreerde benadeelden leidt het mijdingsbeleid hoogstens tot sociale isolatie ten aanzien van andere leden van de geloofsgemeenschap van de Getuigen van Jehovah, en niet tot een veralgemeende sociale isolatie (p. 44); - Er blijkt geen enkele aanwijzing dat Jehova’s Getuigen op één of andere wijze ten aanzien van niet-gelovigen of andersgelovigen tussenkomen, wanneer een al dan niet vrijwillig aangesloten lid buiten de geloofsgemeenschap sociale contacten opbouwt, aansluiting zoekt tot bepaalde verenigingen of zich bekeert tot ander geloof (p. 44); - De strafinformatie toont niet aan dat het mijdingsbeleid ertoe strekt om ex-leden van Jehova’s Getuigen actief te doen benaderen, belagen, bedreigen of pesten (p. 46); - Hoezeer begrip kan worden opgebracht voor de gevoelens van afwijzing en isolatie ten aanzien van hun oorspronkelijke vrienden of kennissenkring, zoals ervaren door al dan niet vrijwillig uitgesloten leden van Jehova’s Getuigen, kunnen dergelijke gevoelens niet worden aanzien als resulterend uit intimidatie, haat of geweld, zoals bedoeld in artikel 22 Antidiscriminatiewet, zonder aan deze strafrechtelijke begrippen een draagwijdte te verlenen die op een al te verregaande wijze ingrijpt in de autonomie waarover eenieder op grond van de artikelen 8 en 9 EVRM en 19 en 22 Grondwet beschikt om zelfstandig te beslissen met wie sociale contacten worden onderhouden en met wie niet (p. 46); - Uit de documenten van verweerster blijkt dat het mijdingsbeleid niet zou aanzetten tot het verbreken van de banden voortvloeiende uit dichte afstamming of aanverwantschap, zoals tussen ouders en kinderen, of tussen echtgenoten (p. 46-53).
  3. Het eerste middel van eisers dat alleen ingaat tegen het oordeel dat verweerster niet letterlijk aanzet tot discriminatie (in de vorm van intimidatie), haat of geweld tegen ex-gelovigen, zonder daarin kritiek te uiten op vermelde redenen om het mijdingsbeleid van de Getuigen van Jehova ten aanzien van ex-gelovigen in de praktijk niet in strijd te achten met artikel 22 Antidiscriminatiewet, berust op een onvolledige lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag. 2.
  4. Bewijswaarde van oude teksten.
  5. In een derde middel stelt Eiser I dat het bestreden arrest tegenstrijdig is gemotiveerd wat betreft het aanwenden van oude geschriften als bewijs in het voordeel en nadeel van verweerster, zodat er schending is van de artikelen 149 Grondwet en 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek. De tegenstrijdigheid bestaat erin dat enerzijds het hof van beroep geen acht slaat op de stukken aangebracht door enkele burgerlijke partijen omdat deze teksten te oud zijn en niet aantonen dat verweerster zich tijdens de incriminatieperiode schuldig heeft gemaakt aan inbreuken op artikel 22 Antidiscriminatiewet en anderzijds de vrijspraak van verweerster steunt op door haar bijgebrachte oudere teksten waaruit blijkt dat het mijdingsbeleid geen afbreuk mag doen aan de huwelijksband tussen echtgenoten of aan de verplichtingen van ouders jegens hun kinderen. Volgens eiser moet het toekennen van bewijswaarde aan de stukken bijgebracht door de partijen consequent gelden voor zowel de elementen à charge als voor elementen à décharge.
  6. Beoordeling. Er is slechts sprake van een tegenstrijdigheid in de zin van de ingeroepen wetsbepalingen indien redenen of beschikkingen van eenzelfde rechterlijke beslissingen elkaar teniet doen of opheffen
(10), wat m.i. niet het geval is met de redenen bekritiseerd in het middel. Bij gebrek aan een tegenstrijdigheid die kan leiden tot cassatie mist het middel feitelijke grondslag. Verder komt het middel dat formeel een motiveringsgebrek aanvoert in werkelijkheid op tegen een onaantastbaar oordeel over de bewijswaarde van feitelijke gegevens, aangebracht door de burgerlijke partijen en de beklaagde, en is het middel op dit punt niet-ontvankelijk
(11).
  1. Godsdienstvrijheid. 3.
  2. Conflict tussen een nationale norm en artikel 9 EVRM.
  3. Het tweede middel, eerste onderdeel van Eiser I voert schending aan van artikel 9 EVRM, artikel 19 Grondwet en artikel 22 Antidiscriminatiewet, om reden dat het bestreden arrest oordeelt dat zelfs wanneer aan de bestanddelen van de aanzettingsmisdrijven in de Antidiscriminatiewet is voldaan, de godsdienstvrijheid de bestraffing van een concrete op een geloofsregel geïnspireerde gedraging verhindert. Volgens eisers doet artikel 22 Antidiscriminatiewet niet op onevenredige wijze afbreuk aan de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst en betreft het een maatregel die nodig is in een democratische samenleving. Daaruit volgt dat als de constitutieve bestanddelen van het misdrijf in deze bepaling zijn verenigd, de vrijheid van godsdienst en overtuiging de bestraffing niet belet. Het eerste middel, eerste onderdeel van eisers II heeft dezelfde strekking.
  4. Beoordeling. Bij de interpretatie van de begrippen ‘discriminatie’, ‘intimidatie’, ‘aanzetten’, ‘haat’ en ‘geloof of levensbeschouwing’ in de strafbaarstelling van artikel 22 Antidiscriminatiewet moet de strafrechter rekening houden met de vrijheid van godsdienst en levensbeschouwing. Bij een te ruime interpretatie van de begrippen in de Antidiscriminatiewet zou de strafrechter ingrijpen in religieuze voorschriften over hoe precies om te gaan met niet-gelovigen of ex-geloven, en daardoor de vrijheid van godsdienst aantasten. Daartegenover staat dat een te strikte interpretatie, waarbij geloofsgemeenschappen straffeloos haatdragende boodschappen kunnen richten tot niet-gelovigen onder het mom van godsdienstvrijheid, de Antidiscriminatiewet uitholt, in die zin dat de strafrechtelijke normen over aanzetten tot discriminatie, intimidatie, haat of geweld, niet van toepassing zouden zijn in een religieuze context. Dergelijke situatie is onverenigbaar met het gelijkheidsbeginsel tussen burgers (art. 14 EVRM en art. 10 en 11 GW) en met de eerbied voor de fysieke en psychische integriteit van niet-gelovigen
(12). 21. De godsdienstvrijheid is erkend in artikel 9.1 EVRM, dat bepaalt: “Eenieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst te veranderen, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als in zijn particuliere leven zijn godsdienst of overtuiging te belijden door de eredienst, door het onderwijzen ervan, of door de praktische toepassing ervan en het onderhouden van de geboden en voorschriften”
(13). Deze vrijheid is niet onbegrensd. Artikel 9.2 EVRM bepaalt hierover: “De vrijheid van godsdienst of overtuiging te belijden kan aan geen andere beperkingen zijn onderworpen dan die welke bij de wet zijn voorzien, en die in een democratische samenleving nodig zijn voor de openbare orde, gezondheid of zedelijkheid of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen”
(14). Artikel 18.1 Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke rechten (IVBPR, New York, 1966), heeft dezelfde draagwijdte. Zoals vermeld in het arrest (p. 26), verleent de vrijheid van godsdienst aan geloofsgemeenschappen het recht om zich te manifesteren in een georganiseerde structuur waarin het geloof in gemeenschap met medegelovigen kan worden beleden
(15). Daartegenover staat het recht van elk individu om geen deel uit te maken van een geloofsgemeenschap en zich af te schermen van religieuze opvattingen
(16), wat aansluit op het recht op eerbiediging van het privé leven (art. 8 EVRM). Artikel 19 Grondwet bepaalt: “De vrijheid van eredienst, de vrije openbare uitoefening ervan, alsmede de vrijheid om op elk gebied zijn mening te uiten, zijn gewaarborgd, behoudens bestraffing van de misdrijven die ter gelegenheid van het gebruikmaken van die vrijheden worden gepleegd
(17)”. 22. Uw Hof oordeelde reeds dat de overheid de vrijheid van het belijden van godsdienst en overtuiging niet mag beperken door gedragingen die verband houden met het belijden van die eredienst te onderwerpen aan de toepassing van strafbepalingen, behalve als de beperkende maatregelen gerechtvaardigd zijn, omdat ze evenredig zijn met één van de nagestreefde doelen, zoals de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen
(18). 23. Het Grondwettelijk Hof nam aan dat de strafbaarstelling van het aanzetten tot discriminatie, haat of geweld jegens een groep of de leden ervan, op grond van één van de beschermde criteria, niet op onevenredige wijze afbreuk doet aan de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst en aan de vrijheid van meningsuiting, gewaarborgd door de artikelen 9 en 10 EVRM
(19). 24. Verder moet worden gelet op de hiërarchie van rechtsnormen. De fundamentele rechten en vrijheden vervat in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) en de ermee overeenstemmende fundamentele rechten omschreven in de Grondwet hebben voorrang op de nationale strafbepalingen
(20). Het komt de strafrechter rechter en uw Hof toe het EVRM en de in de Grondwet beschermde vrijheden uit te leggen en toe te passen, onverminderd de bevoegdheid van het Grondwettelijk Hof
(21). Er ontstaat een conflict van rechtsnormen als religieuze voorschriften zouden neerkomen op het aanzetten tot discriminatie, intimidatie, haat, geweld tegen niet-gelovigen, ex-gelovigen of andersgelovigen. Het is aan de rechter om aan de hand van concrete omstandigheden van de zaak na te gaan of de strafbaarstelling kan worden toegepast op een concrete op een geloofsregel geïnspireerde gedraging die getuigt van vijandigheid of onverdraagzaamheid tegen vrijzinnigen of andersgelovigen. De rechter kan m.i. de strafbaarstelling buiten beschouwing laten als ze een onevenredige inbreuk vormt op de vrijheid van godsdienst en geweten, met controle op de wettigheid van de motieven door uw Hof. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar mijn mening naar recht. 25. Het hof van beroep stelt vast dat de vervolgende partijen niet betwisten dat het ‘mijdingsbeleid’ of ‘uitsluitingsbeleid’ van Jehova’s Getuigen voortvloeit uit een religieuze overtuiging of een geloofsregel (p. 27), meer bepaald een interpretatie van bepaalde Bijbelteksten (I Korintiërs 5, 11-13
(22)en Johannes 9-11). Over de verenigbaarheid van de nationale strafbaarstelling inzake Antidiscriminatie met artikel 9 EVRM en artikel 19 Grondwet oordeelt het bestreden arrest dat: 1° De strafrechter vermag wettelijke (straf)bepalingen niet concreet toe te passen op een wijze die onverenigbaar is met de grondwettelijke en verdragsrechtelijke grondrechten (p. 28) en 2° De beslissing van het Grondwettelijk Hof dat de misdrijven bedoeld in artikel 22 Antidiscriminatiewet als zodanig niet op onevenredige wijze afbreuk doen aan de vrijheid van geweten en godsdienst (GwH 12 februari 2009, arrest 17/2009, B.67.5-6) houdt geen vrijgeleide in om aan art. 22 Antidiscriminatiewet een concrete invulling te geven, die erop neerkomt dat een gedraging die beschermd wordt door de artikelen 9, 10 en 11 EVRM en artikel 19 Grondwet als strafbaar wordt beschouwd (p. 28). 3° Het is kennelijk disproportioneel om een geloofsgemeenschap het strafrechtelijk afdwingbaar verbod op te leggen om richtlijnen uit te vaardigen met betrekking tot de gewone sociale omgang als zodanig, waaronder vriendschapsbanden tussen leden van de geloofsgemeenschap en derden (andersgelovigen of ex-gelovigen) waarmee geen dichte familieband bestaat, wanneer deze richtlijnen dergelijke contacten enkel sterk afraden of als ‘zondig’ bestempelen, zonder dat zij evenwel aanzetten tot kennelijk wederrechtelijke gedragingen, zoals actieve benadering, grensoverschrijdend proselitisme, belaging, bedreigingen of pesterijen in het algemeen (p. 45).
  1. De appelrechters (p. 28) oordelen dat zij de zienswijze van de eerste rechter niet volledig volgen, waar deze lijkt aan te nemen dat uit het verenigd zijn van de constitutieve bestanddelen van de in artikel 22 Antidiscriminatiewet bedoelde misdrijven, voortvloeit dat de verweerster zich niet meer kan beroepen op in de artikelen 9, 10 en 11 EVRM en artikel 19 Grondwet vervatte grondrechten. Anders dan eisers aanvoeren, stellen de appelrechters niet vast dat wanneer de constitutieve bestanddelen van de aanzettingsmisdrijven in de Antidiscriminatiewet zijn verenigd, de godsdienstvrijheid steeds de bestraffing van een concrete op een geloofsregel geïnspireerde gedraging verhindert. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. Voor het overige lijkt mij het arrest met vermelde redenen correct aan te geven dat de strafrechter de strafbaarstelling van artikel 22 Antidiscriminatiewet alleen maar kan toepassen voor zover deze niet indruist tegen grondwettelijke en verdragsrechtelijke grondrechten. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  2. Verder geeft het bestreden arrest m.i. correct aan dat geloofsgemeenschappen niet steeds buiten de strafwet vallen, wanneer zij zouden oproepen tot discriminatie, intimidatie, haat of geweld tegen andersdenkenden. Het bestreden arrest stelt dat het juist is, zoals burgerlijke partij UNIA en de eerste rechter aangeven, dat het recht beschermd door artikel 9 EVRM niet onbegrensd is en de overheid bij wet mag tussenkomen in de uitoefening van gedragingen beschermd door de vrijheid van godsdienst, voor zover de inmenging gericht is op een wettig doel en noodzakelijk is in een democratische samenleving (p. 29). 3.
  3. Conflict tussen godsdienstvrijheid en het recht op privacy.
  4. In een tweede middel, tweede onderdeel voert eiser I aan de Belgische Staat de positieve verplichting heeft om wettelijke beperkingen te stellen aan de geloofsbelijdenis; met de bedoeling om de rechten en vrijheden van anderen te beschermen, meer bepaald de vrijheid om van geloof te veranderen (art. 9.1 EVRM) en het recht op bescherming van het privéleven, familieleven en gezinsleven (art. 8 EVRM en art. 22 Grondwet). Bij de afweging van de godsdienstvrijheid van de beklaagde en de fundamentele rechten van de burgerlijke partijen moet de rechter een gelijke bescherming bieden en de beide invalshoeken beoordelen. Met het oordeel dat de godsdienstvrijheid van de verweerster dermate omvattend is dat de appreciatiemarge van de rechter klein is, waardoor het kennelijk disproportioneel is om een geloofsgemeenschap een strafrechtelijk afdwingbaar verbod op te leggen om richtlijnen uit te vaardigen betreffende de sociale omgang van individuen voor zover die richtlijnen niet aanzetten tot kennelijk wederrechtelijke gedragingen (zoals actieve benadering, grensoverschrijdend proselitisme, belaging, bedreigingen of pesterijen in het algemeen), ontslaat het arrest de verweerster van rechtsvervolging; waardoor niet voldaan is aan de bescherming van fundamentele grondrechten van de burgerlijke partijen die voortvloeien uit de artikelen 19 en 22 Grondwet en de artikelen 8 en 9 EVRM.
  5. Beoordeling. Art. 8 EVRM bepaalt: “
  6. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie-en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
  7. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen”
(23). Artikel 22, eerste lid, Grondwet bepaalt: “Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé- leven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald”
(24). 30. Het Europees Hof te Straatsburg (EHRM) neemt aan dat als er sprake is van een conflict tussen twee grondrechten (in deze zaak het recht op godsdienstvrijheid van de beklaagde en het recht op godsdienstvrijheid en familieleden van de burgerlijke partijen), het de grondrechten in gelijke mate moet beoordelen en tegen elkaar moet afwegen, aangezien het ene grondrecht niet belangrijker is dan het andere
(25). De vrijheid van godsdienst en geweten (art. 9 EVRM) en het recht op bescherming van de privacy en het gezinsleven (art. 8 EVRM) zijn geen absolute waarborgen. Staten mogen maatregelen nemen die deze waarborgen beperken, voor zover de inmenging is voorzien in een wet die toegankelijk en voldoende voorspelbaar is
(26), de inmenging een wettig doel nastreeft (zoals de bescherming van andere grondrechten of de openbare orde) en de inmenging nodig is in een democratische samenleving
(27). Deze laatste voorwaarde houdt in dat er een evenredigheid moet bestaan tussen mate waarin een grondrecht wordt beperkt en het nagestreefde doel. 31. Het EHRM interpreteert de voorwaarde van evenredigheid vrij streng, in die zin dat lidstaten slechts beschikken over een ‘kleine marge van beoordeling’ (a narrow margin of appreciation) om in te grijpen in keuzes die burgers maken in hun private levenssfeer of het beleven van hun godsdienst of levensbeschouwing
(28). Reden is dat lidstaten neutraal moeten zijn tegenover levensbeschouwelijke keuzes die burgers voor zichzelf uitmaken
(29). Niettemin moeten de vrijheid van godsdienst en religieuze verdraagzaamheid niet zo worden opgevat dat lidstaten niet (strafrechtelijk) zouden kunnen optreden tegen extreme religieuze verklaringen en handelingen, die oproepen tot geweld, haat of discriminatie
(30).
  1. De motivering in het bestreden arrest is opgebouwd uit drie onderdelen. In het eerste deel wijst het hof van beroep op de terughoudendheid van de overheid bij het criminaliseren van religieuze praktijken. De appelrechters nemen aan (p. 29), na analyse van o.a. EHRM, 26 april 2016, Dogan e.a. t/Turkije ( § 109) over godsdienstvrijheid: “Het is onverenigbaar met het recht op vrijheid van godsdienst om een strafbepaling- weze het artikel 22 van de Antidiscriminatiewet of enige andere strafbepaling- dusdanig te interpreteren dat een geloofsgemeenschap ertoe zou worden gedwongen om haar geloofsvoorschriften, en de uitoefening daarvan, op zo’n manier te implementeren dat zij onmerkbaar zijn voor niet-of andersgelovigen, of dat zou worden vereist dat de onbewogenheid of onverschilligheid van niet-of andersgelovigen ten aanzien van deze geloofsvoorschriften en de uitoefening daarvan, ten allen tijden gegarandeerd blijft”.
  2. Uit artikel 9 EVRM leidt het arrest af dat “de verleende bescherming met betrekking tot religieuze gedragingen vrij omvattend is, en de appreciatiebevoegdheid van de overheid-ten deze de strafrechter-dienovereenkomstig klein is” (p. 29). Het hof van beroep leidt uit rechtspraak van het EHRM af dat (p. 30-31): 1° religieuze gedragingen die vervreemding teweegbrengen ten aanzien van niet-of andersgelovige familieleden, worden beschermd door artikel 9 EVRM (EHRM, Getuigen van Jehova Moskou e.a. t/Rusland, § 111), 2° het bestaan van ongeoorloofde druk bij bekeringsijver (proselitisme) kan niet kan worden aangetoond wanneer vaststaat dat de betrokkene, ook al bevond deze zich in een relatief kwetsbare toestand, de geloofsgemeenschap vermocht te verlaten (EHRM, Larissis e.a. t/Griekenland, § 45 en 49), en 3° artikel 9 EVRM laat toe dat een geloofsgemeenschap maatregelen neemt om te reageren tegen dissidentie of afvalligheid die een bedreiging vormt voor hun eenheid of imago, aangezien artikel 9 EVRM niet het recht waarborgt van het recht op een afwijkende mening of dissidentie binnen een geloofsgemeenschap; de vrijheid van godsdienst wordt in deze gevallen uitgeoefend door de geloofsgemeenschap te verlaten (EHRM, Sindicatul Pastoral Cel Bun t/Roemenië, § 137 en 165). Hieruit volgt dat een geloofsgemeenschap op basis van artikel 9 EVRM het recht heeft om geen kritiek te tolereren en om diegenen die zich niet meer kunnen vinden in de dogmatiek van de geloofsgemeenschap uit te sluiten (p. 31).
  3. In een tweede deel gaat het hof van beroep na of leden van Jehova’s getuigen die zich niet meer kunnen vinden in de leer of religieuze voorschriften, de vrijheid hebben om de geloofsgemeenschap te verlaten. Het arrest (p. 33-36) stelt vast dat uit strafinformatie niet blijkt dat het mijdingsbeleid concreet een zodanige draagwijdte heeft dat daardoor de vrije wil van de leden van Jehova’s Getuigen om desgewenst de geloofsgemeenschap te verlaten, op onrechtmatige wijze de rechten en vrijheden van de ex-gelovigen eisers II aantast. Daarbij wordt onder meer verwezen naar het frequent voorkomen van uittredingen uit de geloofsgemeenschap van Jehova’s getuigen en de normale contacten die de uitgesloten ex-gelovige J.S. bleef onderhouden met haar jongere zus, die lid bleef van Jehova’s getuigen. Voor zover eisers aannemen dat het hof van beroep hun recht om de geloofsgemeenschap te verlaten niet in rekening neemt, als onderdeel van de godsdienstvrijheid (art. 9 EVRM), terwijl het arrest duidelijk aangeeft dat het mijdingsbeleid dit recht niet aantast (p. 35-36), berust het onderdeel op een onvolledige lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  4. In een derde deel onderzoekt het hof van beroep of het mijdingsbeleid van Jehova’s Getuigen “de toets van artikel 22 Antidiscriminatiewet kan doorstaan” (p. 36). Het hof van beroep gaf bij de bespreking van de godsdienstvrijheid aan dat zijn beoordelingsmarge “in aanzienlijke mate wordt beperkt met betrekking tot de vraag of het mijdingsbeleid, zoals toegepast door Jehova’s Getuigen en beweerdelijk opgelegd door verweerster, één of meerdere van de in artikel 22 Antidiscriminatiewet bedoelde misdrijven oplevert” (p. 30). Het arrest oordeelt als volgt: - de strafinformatie toont niet aan dat het mijdingsbeleid als zodanig de door artikel 9 EVRM beschermde rechten van de gelovigen of ex-gelovigen, namelijk om de geloofsgemeenschap al dan niet te verlaten, aantast (p. 33 en 53); - de omstandigheden dat ex-gelovigen zich door het mijdingsbeleid gegriefd of gekwetst kunnen voelen, of zich sociaal afgesloten zien van hun oorspronkelijke vriendenkring, volstaan niet om de uitwerking van artikel 9 EVRM te neutraliseren door dergelijke richtlijnen te criminaliseren middels de strafbepalingen van de Antidiscriminatiewet (p. 46 en 53); - Hoezeer men begrip kan opbrengen voor de gevoelens van afwijzing en isolatie ten aanzien van hun oorspronkelijke kennissenkring, zoals ervaren door uitgesloten leden van Jehova’s Getuigen, kunnen dergelijke gevoelens niet worden aanzien als resulterend uit intimidatie, haat of geweld zoals bedoeld in artikel 22 Antidiscriminatiewet, zonder aan deze strafrechtelijke begrippen een draagwijdte te verlenen die op een alle verregaande wijze ingrijpt in de autonomie waarover eenieder op grond van de artikelen 8 en 9 EVRM en 19 en 22 van de Grondwet beschikt om zelfstandig te beslissen met wie sociale contacten worden onderhouden en met wie niet (p. 46); - de onder artikel 9 EVRM beschermde gedragingen kunnen desgevallend aanleiding geven tot vervreemding ten aanzien van de naaste omgeving en tot het kwetsen van de gevoelens van deze naasten (p. 46); - de strafinformatie toont niet aan dat het mijdingsbeleid zou aanzetten tot het verbreken van de banden voortvloeiende uit dichte afstamming of aanverwantschap, zoals tussen ouders en kinderen of tussen echtgenoten, banden die worden beschermd door artikel 8 EVRM en artikel 22 Grondwet (p. 47-48); - de strafinformatie toont niet aan dat het mijdingsbeleid ertoe strekt om ex-leden actief te benaderen, belagen, bedreigen of pesten (p. 37 en 46); er blijkt geen enkele aanwijzing dat Jehova’s getuigen op een of andere wijze ten aanzien van niet- gelovigen of andersgelovigen tussenkomen, wanneer een uitgesloten lid buiten de geloofsgemeenschap sociale contacten opbouwt, aansluiting zoekt tot bepaalde verenigingen of zich bekeert tot een ander geloof (p. 44); - het mijdingsbeleid leidt hoogstens tot sociale isolatie ten aanzien van andere leden van de geloofsgemeenschap en niet tot een veralgemeende sociale isolatie, temeer daar Jehova’s Getuigen in België een kleine geloofsgemeenschap vormt van 26.000 leden (p. 44); - de strafrechter heeft, overeenkomstig de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, slechts een kleine marge van appreciatie om tussen te komen in keuzes die mensen maken in hun private levenssfeer of bij het nastreven van een religieuze standaard van gedragingen binnen de sfeer van hun persoonlijke autonomie (p. 45); - het is kennelijk disproportioneel om een geloofsgemeenschap het strafrechtelijk afdwingbaar verbod op te leggen om richtlijnen uit te vaardigen met betrekking tot de gewone sociale omgang als zodanig, waaronder vriendschapsbanden tussen leden van een geloofsgemeenschap en derden waarmee geen dichte familieband bestaat, waarbij deze richtlijnen dergelijke contacten enkel sterk afraden en als ‘zondig’ bestempelen, zonder dat zij evenwel aanzetten tot kennelijk wederrechtelijke gedragingen, zoals actieve benadering, grensoverschrijdend proselitisme, belaging, bedreigingen of pesterijen in het algemeen (p. 45);
  5. Met deze redenen heeft het bestreden arrest m.i. naar recht verantwoord dat: 1° de voorwaarden die uit artikel 9 EVRM en artikel 19 Grondwet voortvloeien voor Staten om via een strafbaarstelling in te grijpen in het belijden van een eredienst geen vrijbrief inhouden voor geloofsgemeenschappen om hun leden op te roepen tot discriminatie, intimidatie, haat of geweld tegenover leden die de geloofsgemeenschap hebben verlaten, niet-gelovigen of andersgelovigen; 2° de bestraffing van een uitlating of daad in een religieuze context op basis van de Antidiscriminatiewet alleen toelaatbaar is, gelet op de artikelen 9 EVRM en 19 Grondwet, als dit nodig is om de grondrechten van niet-gelovigen om andersgelovigen te beschermen, waarbij meer specifiek ex-leden van de geloofsgemeenschap van hun keuze geen nadeel mogelijk ondervinden in de zin van belagen, bedreigen, pesten of actief benaderen door gelovigen; 3° het door eisers betwiste mijdingsbeleid ten aanzien van ex-leden van Jehova’s Getuigen niet op een onrechtmatige wijze afbreuk doet aan de rechten van eisers II, beschermd door de artikelen 8 en 9 EVRM en de artikelen 19 en 22 Grondwet; en 4° toepassing van de strafbaarstelling van artikel 22 Antidiscriminatiewet op vermeld mijdingsbeleid een ongeoorloofde beperking uitmaakt op de godsdienstvrijheid van de verweerster, zoals beschermd door artikel 9 EVRM en artikel 19 Grondwet, gelet op de beperkte gevolgen van de uitsluiting voor de betrokken ex-gelovigen en het ontbreken van wederrechtelijke handelingen die met de uitsluiting gepaard gaan, zoals bedreigingen; 5° het bestraffen van verweerster op basis van (een onderdeel van) artikel 22 Antidiscriminatiewet “kennelijk disproportioneel” is met het nagestreefde doel van deze strafbepaling, namelijk het ontraden van discriminerende handelingen of het aanzetten tot discriminatie, haat of geweld, waarbij dit aspect van proportionaliteit voortvloeit uit artikel 9.2 EVRM.
  6. Mij komt voor dat het hof van beroep op zorgvuldige, coherente en juridisch correcte wijze de belangen heeft onderzocht en afgewogen van de godsdienstvrijheid van verweerster (Jehova’s Getuigen) tegenover de grondrechten van eisers II als ex-gelovigen, meer bepaald hun recht op privacy en gezinsleven (art. 8 EVRM) en hun vrijheid van godsdienst en levensbeschouwing (art. 9 EVRM), die de vrijheid inhoudt om van geloof of overtuiging te veranderen (art. 9.1 EVRM). De appelrechters hebben de burgerlijke vorderingen van eisers niet afgewezen om reden dat de artikelen 9 EVRM en 19 Grondwet (steeds) een beletsel zouden vormen voor een strafonderzoek of een vervolging van een geloofsgemeenschap of haar leden. Zij hebben alleen nagegaan wat de impact is van deze (hogere) rechtsnormen op de toepassing van de Antidiscriminatiewet in een religieuze context en meer specifiek in de context van de geloofsgemeenschap van Jehova’s Getuigen.
  7. Daarbij valt op te merken dat de ‘kleine appreciatiemarge’ van de overheid om via het strafrecht tussen te komen in zaken die tot de privésfeer of religieuze opvattingen van burgers behoren, binnen hun persoonlijke autonomie (p. 45), uiteindelijk niet te eng is geïnterpreteerd. In de zaak van Jehova’s Getuigen tegen Armenië stelde het Europees Hof te Straatsburg dat geloofsgemeenschappen het recht hebben om hun geloof te ‘onderwijzen’ en mogen trachten niet-gelovigen te bekeren, voor zich te winnen, zonder daarbij gebruik te maken van ongeoorloofde druk (improper pressure)
(31). In de zaak Taganrog merkte het Europees Hof te Straatsburg op dat een religieuze organisatie (nl. een afdeling van Jehova’s Getuigen) het recht heeft te verkondigen dat haar geloof superieur is ten opzichte van andere godsdiensten of levensbeschouwingen, waarbij zij op een vreedzame wijze tracht haar geloofsgemeenschap uit te breiden. Dat niet-gelovigen aanstoot (kunnen) nemen aan die stellingen of dogma’s van een ‘ware geloofsleer’ mag geen reden zijn om de geloofsgemeenschap te verbieden of te bestraffen wegens het aanzetten tot haat of geweld (hate speech)
(32). Wel kan de overheid optreden als de religieuze standpunten neerkomen op het oproepen tot onverdraagzaamheid, het beledigen van kwetsbare groepen in de samenleving, voor zover de overheid het begrip ‘extremisme’ niet te ruim opvat
(33). Het Europees Hof was niet overtuigd van het oordeel van de rechtbank in Rostov dat Jehova’s Getuigen leden zou aanmoedigen om familiale relaties te vernietigen, door zich aan een uitsluitingsbeleid tegenover ex-gelovigen te houden
(34). Het is aan de nationale rechter om uit te maken of op een niet-gelovige of ex-gelovige een ongeoorloofde druk wordt uitgeoefend om zich aan te sluiten bij de geloofsgemeenschap. Het bestreden arrest lijkt mij daaraan tegemoet te komen door ‘actieve benadering’ en ‘grensoverschrijdend proselitisme’ als een kennelijk wederrechtelijke gedraging te bestempelen (p. 45), en aan de hand van concrete gegevens na te gaan dat het mijdingsbeleid van Jehova’s Getuigen niet onder deze noemer valt en bijgevolg verband houdt met de godsdienstvrijheid.
  1. Uit het geheel van redenen kan men naar mijn mening afleiden dat de overheid de strafbaarstelling van art. 22 Antidiscriminatiewet wel kan toepassen op religieuze voorschriften of praktijken over het afraden van contacten met ex-gelovigen of andersgelovigen, maar dat een bestraffing ‘kennelijk disproportioneel’ is als deze voorschriften of praktijken niet gepaard gaan met wederrechtelijke gedragingen tegen ‘afvalligen’ of ongelovigen, doch voor hen alleen een beperkt sociaal isolement betekenen, zonder dat de contacten worden verbroken met naaste familieleden die de geloofsgemeenschap trouw blijven.
  2. In zoverre het onderdeel opkomt tegen het oordeel over de kleine appreciatiemarge om regels van Jehova’s Getuigen te toetsen aan de strafwet, kan het niet worden aangenomen. In zoverre eiser het onderdeel ervan uitgaat dat het arrest de grondrechten van eisers II niet of onvoldoende in rekening bracht, terwijl het arrest oordeelt dat deze rechten door het mijdingsbeleid niet worden aangetast, berust het op een onvolledige lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  3. De vrijheid om van geloofsovertuiging te veranderen.
  4. In hun tweede middel, eerste onderdeel, komen eisers II op tegen het oordeel dat de rechter slechts een beperkte beoordelingsmarge heeft met betrekking tot de vraag of het mijdingsbeleid van Jehova’s Getuigen een of meerdere van de in artikel 22 Antidiscriminatiewet bedoelde misdrijven oplevert. Het arrest onderzoekt volgens hen niet, in strijd met art. 9 EVRM, of die beperkte beoordelingsmarge een schending oplevert van de positieve verplichtingen van de overheid tegenover de eisers II; meer bepaald het recht op een effectief onderzoek naar de personen die het recht belemmeren van gelovigen om van godsdienst of overtuiging te veranderen.
  5. Beoordeling. Het recht op vrijheid van gedachten, geweten en godsdienst, zoals beschermd door artikel 9.1 EVRM, omvat tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen
(35). Op de overheid rust de positieve verplichting om de vrijheid van eredienst te waarborgen, neutraal te zijn in religieuze aangelegenheden en om burgers te beschermen tegen inbreuken op hun geloofsbeleving of hun recht om van godsdienst of overtuiging te veranderen
(36).
  1. Het arrest (p. 35-36) stelt vast dat uit de strafinformatie niet blijkt dat het mijdingsbeleid concreet een zodanige draagwijdte heeft dat daardoor de vrije wil wordt aangetast van leden van de verweerster om desgewenst de geloofsgemeenschap te verlaten, waardoor afbreuk zou worden gedaan aan de fundamentele rechten van eisers II. Het bestreden arrest verwijst onder meer (p. 33-36) naar het feit dat: 1° bijna alle burgerlijke partijen en geregistreerde benadeelden gewezen leden zijn van Jehova’s Getuige, wat moeilijk lijkt te verzoenen met hun stelling dat het uittredingsbeleid de effectieve uittreding uit de geloofsgemeenschap onmogelijk zou maken of ernstig zou bemoeilijken, 2°uit hun verklaringen blijkt dat de uittredingen uit de geloofsgemeenschap regelmatig voorkomen en 3°uit de verklaringen van de burgerlijke partijen en benadeelden en het handboek “Weidt de kudde Gods” van een Gemeente van Jehova’s Getuigen niet kan worden afgeleid dat de geloofsgemeenschap van Jehova’s Getuigen een algemene en uniforme regel zou hanteren om diegene die zich niet aan het mijdingsbeleid houdt, zelf ook uit te sluiten. Voor zover eiseres ervan uitgaan dat hun godsdienstvrijheid niet in aanmerking is genomen, terwijl het arrest oordeelt dat de artikelen 9 EVRM en 19 Grondwet door het mijdingsbeleid niet worden aangetast (p. 36), berust het op een onvolledige lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  2. Voor zover eisers aanvoeren dat zij een schending van artikel 9 EVRM aannemelijk hebben gemaakt en het bestreden arrest die schending vaststelt, zonder een effectief onderzoek te voeren naar zij die de vrijheid inperken om van godsdienst te veranderen, berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 3.
  3. Aanzetten tot intimidatie in een religieuze context.
  4. In zijn tweede middel, derde onderdeel (dat schending aanvoert van de artikelen 4, 10°, 21 en 22 Antidiscriminatiewet) komt Eiser I Unia op tegen het oordeel dat het strafrechtelijk aanzettingsverbod van artikel 22 Antidiscriminatiewet niet kan worden afgedwongen ten opzichte van een geloofsgemeenschap wanneer die richtlijnen uitvaardigt met betrekking tot de sociale omgang van individuen die niet aanzetten tot kennelijk wederrechtelijke gedragingen, zoals actieve benadering, grensoverschrijdend proselitisme, belaging, bedreigingen of pesterijen in het algemeen (p. 45). Eiser stelt dat onder het aanzetten tot discriminatie ook aanzetten tot intimidatie wordt begrepen, hetgeen uitgaat van het objectieve criterium van de eerbiediging van het gevoel van de menselijke waardigheid (art. 4, 10° Antidiscriminatiewet). Er kan ook sprake zijn van intimidatie zonder dat het oproepen tot kennelijke of actieve wederrechtelijke gedragingen. Een doelbewust mijden van een persoon kan een uiting vormen van minachting voor een persoon of het als minderwaardig beschouwen van die persoon.
  5. Beoordeling. Het bestreden arrest oordeelt niet dat het strafrechtelijk aanzettingsverbod van artikel 22 Antidiscriminatiewet, met inbegrip tot het aanzetten tot discriminatie in de zin van intimidatie, steeds betekent dat de dader een kennelijk wederrechtelijke gedraging moet stellen, zoals actieve benadering, grensoverschrijdend proselitisme (bekeringsdrang), belaging, bedreigingen of pesterijen in het algemeen. Het arrest lijkt mij enkel aan te geven dat bij toepassing van deze strafbepaling in een religieuze context er moet worden gelet op de godsdienstvrijheid (artikel 9 EVRM en artikel 19 Grondwet), en termen als het aanzetten tot discriminatie in die context niet te ruim mogen worden geïnterpreteerd. Daarbij wordt verwezen naar EHRM-rechtspraak over regels die geloofsgemeenschappen opleggen aan hun leden over hun gedrag in de privésfeer en hun contacten met dissidenten
(37). Deze afweging van belangen leidt er volgens het hof van beroep toe dat het ‘kennelijk disproportioneel is’ om een strafrechtelijk afdwingbaar verbod op te leggen voor het uitvaardigen van richtlijnen betreffende de gewone sociale omgang, waaronder vriendschapsbanden tussen leden van een geloofsgemeenschap en derden (andersgelovigen en ex-gelovigen) waarmee geen dichte familieband bestaat (p. 45).
  1. Er is volgens het arrest geen sprake van intimidatie in de zin van artikel 22 Antidiscriminatiewet wanneer de religieuze voorschriften dergelijke contacten met derden enkel sterk afraden en als zondig bestempelen, zonder dat zij evenwel aanzetten tot ‘kennelijk wederrechtelijke gedragingen’, zoals actieve benadering, grensoverschrijdend proselitisme, belaging, bedreigingen of pesterijen in het algemeen. Voor zover het onderdeel ervan uitgaat dat bij toepassing van de begrippen discriminatie en intimidatie er geen rekening kan worden gehouden met de verplichtingen die voortvloeien uit de godsdienstvrijheid, kan het niet worden aangenomen.
  2. Voorts blijkt m.i. uit het arrest dat het aspect intimidatie in de zin van artikelen 4, 10° en 22 Antidiscriminatiewet wel is beoordeeld, ook het effect van het mijdingsbeleid op de waardigheid van de ex-gelovige en het creëren van een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving. Het arrest licht de ‘kennelijk wederrechtelijke gedragingen’ die in een religieuze context onverenigbaar zijn met artikel 22 Antidiscriminatiewet toe met “zoals actieve benadering, grensoverschrijdend proselitisme, belaging, bedreigingen of pesterijen in het algemeen” (p. 45). Het arrest sluit met de term ‘zoals’ bijgevolg niet uit dat handelingen die niet neerkomen op één van deze laakbare gedragingen, zoals kwetsende uitlatingen waarbij een ex-gelovige als onwaardig wordt opgevat, strafbaar kunnen zijn op basis van artikel 22 Antidiscriminatiewet.
  3. Verder namen de appelrechters onaantastbaar aan dat de gevoelens van afwijzing van ex-gelovigen van Jehova’s Getuigen niet het resultaat zijn van intimidatie zoals bedoeld in artikel 22 Antidiscriminatiewet, rekening houdend met de vrijheid van het individu om zelf te beslissen met wie hij of zij sociale contacten onderhoudt (p. 46). In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
  4. Recht op een eerlijk proces.
  5. Eisers II voeren in hun tweede middel, tweede onderdeel een schending aan van de artikelen 6.1 en 9 EVRM en de artikelen 190 en 211 Wetboek van Strafvordering, omdat de appelrechters ondanks de vaststelling van een eenzijdig gevoerd opsporingsonderzoek geen enkel initiatief namen om personen te ondervragen als getuigen die in de verklaringen van benadeelden zijn genoemd en geen enkele reden opgaven voor het niet-horen van getuigen. De strafrechter dient actief mee te zoeken naar de waarheid en initiatief te nemen om het onderzoek te vervolledigen, in het bijzonder wanneer de vrijheid van godsdienst van de benadeelden zou zijn miskend, temeer daar een burgerlijke partij niet over de mogelijkheid beschikt om getuigen te doen horen om haar recht op een eerlijk proces uit te oefenen.
  6. Beoordeling. In zoverre het onderdeel steunt op de onjuiste veronderstelling dat het arrest een schending van artikel 9 EVRM vaststelt jegens de eisers II, mist het feitelijke grondslag. Verder heeft de vonnisrechter een beoordelingsruimte in het achterhalen van de waarheid. Het is juist dat het strafproces in België steunt op een inquisitoir schema, in die zin dat de rechter zelf het initiatief kan nemen tot bijkomende onderzoeksdaden en zich niet moet beperken tot gegevens aangebracht door de partijen
(38). Dit betekent evenwel niet dat de rechter steeds bijkomend onderzoek moet bevelen, wanneer hij merkt dat het strafdossier onvoldoende informatie bevat om de eis van een partij gegrond te verklaren. 52. Artikel 190, derde lid, Wetboek van Strafvordering, dat ingevolge artikel 211 Wetboek van Strafvordering van toepassing is op de hoven van beroep, bepaalt dat de getuigen voor en tegen worden gehoord, indien daartoe grond bestaat
(39). Men kan hieruit afleiden dat als de burgerlijke partij tijdens het onderzoek ter terechtzitting geen getuigen heeft opgeroepen, de rechter niet ambtshalve getuigen moet (doen) oproepen, ter ondersteuning van de eis van de burgerlijke partij
(40). Zelfs als de strafrechter de resultaten van het vooronderzoek onvolledig acht om de beklaagde te veroordelen (ook op burgerlijk gebied), moet er op de terechtzitting geen bewijs worden geproduceerd op zijn initiatief. De strafrechter oordeelt immers onaantastbaar of een bijkomend onderzoek nodig is om de waarheid te achterhalen en het recht op verdediging van elke partij te waarborgen, ook als geen enkele partij op de terechtzitting een concrete onderzoeksdaad voorstelt. 53. Niets belet de vonnisrechter die vaststelt dat het onderzoek eenzijdig is gevoerd of vooral bestaat uit tegenstrijdige verklaringen van personen die zelf partij zijn of nauwe banden hebben met een partij om de debatten ten gronde verder te zetten zonder enige bijkomende onderzoeksdaad te bevelen. Het is weinig zinvol de zaak uit te stellen als de rechter kan inschatten dat verder onderzoek weinig nieuwe (objectieve) gegevens aan het licht zal brengen. Het Hof nam op 15 maart 2023 aan dat de rechter die vaststelt dat de voorliggende bewijsgegevens ontoereikend zijn, de beklaagde mag vrijspreken zonder ambtshalve aanvullend onderzoek te stellen om lacunes in het vooronderzoek weg te werken
(41). In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  1. Het bestreden arrest stelt over het ontbreken van bewijs à charge vast dat (p. 38-40): 1° enkele benadeelden (eisers in cassatie) in hun schriftelijke verklaringen vroegen bepaalde leden van de geloofsgemeenschap en familieleden te verhoren over het mijdingsbeleid van Jehova’s Getuigen, waarop in het opsporingsonderzoek niet werd ingegaan; 2° het dossier uit gedeeltelijk tegenstrijdige verklaringen bestaat van enerzijds de burgerlijke partijen en geregistreerde benadeelden en anderzijds verklaringen van gelovigen bijgebracht door verweerster; 3° het hof van beroep niet beschikt over verklaringen van onafhankelijke getuigen die een min of meer objectief beeld zouden kunnen bijbrengen en 4° het onvolledig onderzoek niet aan de beklaagde (verweerster in cassatie) kan worden verweten, nu zij vermoed wordt onschuldig te zijn tot bewijs van het tegendeel en zij er niet toe gehouden is mee te werken aan de bewijsvoering voor haar eigen strafvervolging.
  2. Met deze redenen geven de appelrechters m.i. correct en voldoende duidelijk aan dat verder onderzoek niet opportuun is voor de beoordeling van de burgerlijke vordering van eisers in cassatie. Het bestreden arrest lijkt mij verenigbaar met het recht op een eerlijk proces (art. 6.1 EVRM) en de ingeroepen artikelen 190 en 211 Wetboek van Strafvordering. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  3. Uit de stukken waarmee het Hof mag rekening houden blijkt niet dat Eisers II zelf getuigen hebben gedagvaard op de terechtzitting
(42)of het hof van beroep hebben verzocht om getuigen te horen of te laten verhoren, wat zij hadden kunnen doen. Voor zover eisers II voor het eerst in cassatie een schending opwerpen van art. 6 EVRM, wegens het ontbreken van getuigenverhoren op de terechtzitting van het hof van beroep, is het onderdeel nieuw en bijgevolg niet-ontvankelijk. Besluit: Verwerping van de cassatieberoepen. ______________________________
(1)Met dank aan Dr. Sanne Jansen, referendaris bij het Hof van Cassatie, voor haar medewerking bij het tot stand komen van deze tekst.
(2)Cass. 18 januari 2022, AR P.21.0780.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220118.2N.8, AC 2022, nr. 37, met concl. OM, ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220118.2N.8; Cass. 18 april 2001, AR P.01.0072.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010418.20, AC 2001, nr. 213.
(3)S. SOTTIAUX, “De rechtvaardigingsgronden in het federale discriminatierecht”, in De nieuwe federale antidiscriminatiewetten; Die Keure 2008, 229-256. Over de beschermde criteria inzake antidiscriminatie, in de ‘gesloten lijst’ van art. 4 Antidiscriminatiewet, zie GwH 12 februari 2009, arrest 17/2009, B.14; GwH 2 april 2009, arrest 64/2009, B.7, www.const-court.be
(4)Over deze rechtsgrond E. BREMS, “Nieuwe discriminatiegronden in de wet bestrijding discriminatie”, in De wet bestrijding discriminatie in de praktijk, Intersentia 2004, 56-59.
(5)Zie hierover GwH 11 maart 2009, arrest 39/2009, B.21 en B.52, www.const-court.be.
(6)GwH 12 februari 2009, arrest 17/2009, B.67.3; GwH 11 maart 2009, arrest 40/2009, B.58, www.const-court.be.
(7)C.J. VANHOUDT en W. CALEWAERT, Belgisch strafrecht, I, Story-Scientia 1968, 242-249; L. DUPONT en R. VERSTRAETEN, Handboek Belgisch strafrecht, Acco 1990, 119-123; F. KUTY, Principes généraux du droit pénal belge. tI. La loi pénale, Larcier 2018, 211-276; T. MOREAU en D. VANDERMEERSCH, Eléments de droit pénal, Die Keure 2022, 39-41; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina 2022, 88-94. Over de interpretatiemoeilijkheden in zaken van discriminatie zie T. VANDER BEKEN, “Voor de sport. De strafrechtelijke aanpak van discriminatie vanaf 2003”, in De Wet bestrijding discriminatie in de praktijk, Intersentia 2004, 271.
(8)Cass. 19 mei 1993, AR P.93.0110.F ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940509.15, AC 1993, nr. 248, ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930519.13, RDPC 1993, 880, JT 1993, 573.
(9)GwH 12 februari 2009, arrest 17/2009, B.67.2, www.const-court.be.
(10)Vb. Cass. 18 april 2023, AR P.23.0463.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230418.2N.18, AC 2023, nr. 292, RO 25; Cass 7 februari 2023, AR P.22.1457.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230207.2N.2, AC 2023, nr. 97, RO 29, met concl. OM, Cass. 1 juni 2021, AR P.21.0261.N, AC 2021, nr. 395, RO 4. Zie B. MAES, De motiveringsverplichting van de rechter, Kluwer 1990, 26-36; S. MOSSELMANS, Rechterlijke motivering, Larcier 2011, 16-17, 22-23.
(11)Vb. Cass. 18 april 2023, AR P.23.0463.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230418.2N.18, AC 2023, nr. 292, RO 18, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210601.2N.7.
(12)Over de bescherming van iemands integriteit als onderdeel van art. 8 EVRM, zie J. DE HERDT, Fysiek interpersoonlijk geweld, Intersentia 2014, 72-73.
(13)Over de verschillende onderdelen van godsdienstvrijheid zie EHRM 25 september 2012, Jehovas Zeugen in Österreich t/Oostenrijk, § 29, www.echr.coe.int.
(14)A. ALEN, Algemene inleiding tot het Belgisch publiek recht, Deel V, Rechten en vrijheden, Kluwer 1989, 323-328; P. DE POOTER, De rechtspositie van erkende erediensten en levensbeschouwingen in Staat en maatschappij, Larcier 2003, 40-104; E. BREMS, M. VAN DE PUTTE en B. VANLERBERGHE, “Enkele bedenkingen over godsdienstvrijheid”, in ICM-Jaarboek Mensenrechten 1993, Maklu 1994, 205-236; K. HANSON, “Artikel
  1. Vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst”, in Handboek EVRM. Deel
  2. Artikelsgewijze commentaar, Intersentia 2004, 789-836; M.F. RIGAUX en J.L. CHRISTIAENS, “La liberté de culte » in Les droits constitutionnels en Belgique, II, Bruylant 2011, 865-897 ; A. OVERBEEKE, “Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en kerk- en staatverhoudingen in een religieus pluriforme samenleving. Grondwettelijk en verdragsrechtelijk kader”, in Recht in een multiculturele samenleving, Intersentia 2018, 43-60; K. REYBROUCK en S. SOTTIAUX, De federale bevoegdheden, Intersentia 2019, 130-139; G. GONZALEZ, “Liberté de pensée, de conscience et de réligion”, in Charte des droits fondamentaux de l’Union européenne, Bruylant 2023, 271-
  3. Voor een concrete afweging van de criteria van art. 9.2 EVRM zie vb. EHRM 10 juni 2010, Jehova’s Witnesses of Moscow e.a. t/Rusland, § 104-159; EHRM 20 februari 2020, Nasrirov e.a. t/Azerbeidzjan, § 60; EHRM 22 maart 2022, Christian Religious Organization of Jehova’s Witnesses in het NKR t/Armenië, § 57-82, www.echr.coe.int
(15)EHRM 26 oktober 2010, Hasan en Chaush t./ Bulgarije, § 62 en EHRM 10 juni 2010, Getuigen van Jehova Moskou t/ Rusland, § 99, www.echr.coe.int
(16)EHRM 20 februari 2020, Nasrirov e.a. t/Azerbeidzjan, § 59, www.echr.coe.int.
(17)Over deze waarborg zie R. RIMANQUE, De grondwet toegelicht, gewikt en gewogen, Intersentia 2004, 57-61.
(18)Cass. 6 september 2016, AR P.15.0614.N, AC 2016, nr. 457, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160906.1, NC 2017, 80 noot J. DE HERDT, “Druggebruik versus godsdienstvrijheid” (81-86).
(19)GwH 12 februari 2009, arrest 17/2009, B.67.5 en 67.6, www.const-court.be.
(20)Cass. 9 november 2004, AR P.04.0849.N, AC 2004, nr. 539, ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041109.13. Zie eveneens Cass. 27 mei 1971, AC 1971, 959 (Franco Suisse Le Ski: “Overwegende dat wanneer het conflict bestaat tussen een internrechtelijke norm en een internationaalrechtelijke norm die rechtstreekse gevolgen heeft in de interne rechtsorde, de door het verdrag bepaalde regel moet vooraan; dat deze voorrang volgt uit de aard zelf van het bij verdrag bepaald internationaal recht”); A. ALEN, Algemene beginselen en grondslagen van het Belgisch Publiek recht. Deel 1, De instellingen, Kluwer 1988, 114-117; O. DE SCHUTTER en S. VAN DROOGHENBROECK, Droit international des droits de l’homme devant le juge international, Larcier 1999, 239-240 ; S. GEHLEN, “Hiérarchie des normes”, APT 2006,
(20)22-23; F. DERUYCK en Y. VAN LANDEGHEM, Overzicht van het Belgisch algemeen strafrecht, Die Keure, 2021, 17; S. SOTTIAUX, Grondwettelijk recht, Antwerpen, Intersentia 2021, 96-97; T. MOREAU en D. VANDERMEERSCH, Eléments de droit pénal, Die Keure 2022, 24-26.
(21)Y. LEJEUNE, Droit constitutionnel belge. Fondement et institutions, Larcier 2022, 147-150.
(22)In de Willibrord-Verlating van het Nieuwe Testament weergegeven als: “Ik verbood u om te gaan met elke zogenaamde christen die er op los leeft of hebzuchtig is of afgodendienaar, lasteraar, dronkaard of oplichter. Met zo iemand moet gij zelfs niet eten”
(11)en: “Over anderen zal God wel oordelen. Verwijdert de boosdoeners uit uw midden”
(13).
(23)P. DE HERT, “Artikel
  1. Recht op privacy”, in Handboek EVRM. Deel
  2. Artikelsgewijze commentaar, Intersentia 2004, 705-788; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina 2022, 803-808; N. CARIAT, “Respect de la vie privée et familiale », in Charte des droits fondamentaux de l’Union européenne. Commentaire article par article, Bruylant 2023, 173-199.
(24)M. VAN OVERSTRAETEN, « Le droit au respect de la vie privée et le corps humain », in Les droits constitutionnels en Belgique, II, Bruylant 2011, 865-897 ; J.L. RENCHON en G. WILLEMS, “Le droit au respect de la vie familiale” in Les droits constitutionnels en Belgique, II, Bruylant 2011, 1037-1063.
(25)EHRM 12 oktober 2010, Mosley t/ Verenigd Koninkrijk, § 111; EHRM 10 november 2015, Couderc en Hachette Filipacci Associés, § 90-93; EHRM 30 oktober 2018, Kaboglu en Oran t/Turkije, www.echr.coe.int.Over de beoordeling van conflicten tussen grondrechten, die allen even belangrijk zijn, zie E. BREMS, “Conflicten van mensenrechten: het recht op een eerlijk proces (art. 6 EVRM)”, in Goed procesrecht-goed procederen, Kluwer 2003, 413-462, meer specifiek 423-424.
(26)Over dit aspect van de voorzienbare strafwet, als onderdeel van het legaliteitsbeginsel, zie Cass. 15 januari 2019, AR P.18.0722.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190115.2, AC 2019, nr. 21; Cass. 16 mei 2017, AR P.15.0807.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170516.4, AC 2017, nr. 336.
(27)Vb. EHRM 7 juni 2022, Taganrog RO e.a. t/Rusland, www.echr.coe.int; Y. HAECK en J. VANDE LANOTTE, “Hfdst. 4. Rechten en vrijheden-Aard-Reikwijdte-Beperkingen”, in Handboek EVRM, Intersentia 2005, 123-145; A. OVERBEEKE, “Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en kerk- en staatverhoudingen in een religieus pluriforme samenleving. Grondwettelijk en verdragsrechtelijk kader”, in Recht in een multiculturele samenleving, Intersentia 2018, 52-60.
(28)EHRM 10 juni 2010, Jehova’s Witnesses of Moscow e.a. t/Rusland, § 119, EHRM 7 juni 2022, Taganrog LRO e.a. t/Rusland, § 272, www.echr.coe.int
(29)EHRM 3 mei 2007, Members of the Gldani Congregation of Jehova’s Witnesses e.a. t/Georgië, § 131, www.echr.coe.int; EHRM 10 juni 2010, Getuigen van Jehova Moskou e.a. t. Rusland, §119, EHRM 8 april 2014, Magyar Keresztény Mennonita Egyaz e.a. t/Hongarije, § 76; EHRM 26 april 2016, Izettin Dogan e.a. t/Turkije, § 96 en § 124; EHRM 22 maart 2022, Christian Religious Organization of Jehova’s Witnesses in het NKR t/Armenië, § 76; EHRM 7 juni 2022, Taganrog LRO en anderen t. Rusland, § 272, www.echr.coe.int.
(30)EHRM 7 juni 2022, Taganrog LRO en anderen t. Rusland, § 155 en 272, ECLI:CE:ECHR:2022:0607JUD003240110.
(31)EHRM 22 maart 2022, Christian Religious Organization of Jehova’s Witnesses in het NKR t/Armenië, § 73, www.echr.coe.int Over de druk uitgeoefend door de geloofsgemeenschap van Jehova’s Getuigen ten aanzien van ex-gelovigen (mijdingsbeleid) en de beoordeling ervan door de nationale rechter zie EHRM 10 juni 2010, Jehova’s Witnesses of Moscow e.a. t/Rusland, § 115-159, www.echr.coe.int Zie ook EHRM 25 mei 1993, Kokkinakis t/Griekenland en EHRM 24 februari 1998, Larissis e.a. t/Griekenland, besproken door K. HANSON, “Artikel 9. Vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst”, in Handboek EVRM. Deel 2. Artikelsgewijze commentaar, Intersentia, 2004, 832-833.
(32)EHRM 7 juni 2022, Taganrog LRO e.a. t/Rusland, § 154, § 156 en 271, www.echr.coe.int.
(33)EHRM 7 juni 2022, Taganrog LRO e.a. t/Rusland, § 155 en § 158, www.echr.coe.int.
(34)EHRM 7 juni 2022, Taganrog LRO e.a. t/Rusland, § 177-180, www.echr.coe.int.
(35)K. HANSON, “Artikel
  1. Vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst”, in Handboek EVRM. Deel
  2. Artikelsgewijze commentaar, Intersentia 2004, 816-817.
(36)EHRM 3 mei 2007, Members of the Gldani Congregation of Jehova’s Witnesses e.a. t/Georgië, § 133-134, EHRM 10 juni 2010, Jehova’s Witnesses of Moscow e.a. t/Rusland, § 119; EHRM 8 april 2014, Magyar Keresztény Mennonita Egyaz e.a. t/Hongarije, § 76; EHRM 26 april 2016, Izettin Dogan e.a. t/Turkije, § 96 en § 124, EHRM 22 maart 2022, Christian Religious Organization of Jehova’s Witnesses in het NKR t/Armenië, § 76, www.echr.coe.int.
(37)Het arrest verwijst (p. 43) naar EHRM, Getuigen van Jehova Moskou e.a. t/Rusland, § 118 en EHRM, Sindicatul ‘Pastoral Cel Bun’ t/Roemenië, § 137 en 165, www.echr.coe.int.
(38)D. HOLSTERS, “Bewijsmiddelen in strafzaken”, in Comm. Strafr. 1995, 2; J. ROZIE, “De onderzoeksbevoegdheden van het vonnisgerecht”, in Wie is er bang van het strafrecht? Postuniversitaire Cyclus Willy Delva 1997-98, Mys & Breesch 1998, 248; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina 2022, 1301.
(39)D. DE WOLF, Handboek correctioneel procesrecht, Intersentia 2013, 66-85.
(40)K. VAN HOOGENBEMT en D. DE WOLF, “Art. 190 Sv.” in Duiding Strafprocesrecht, Gent, Larcier 2017, nr. 4.
(41)Cass. 15 maart 2023, AR P.23.1399.N, AC 2023, nr. 203 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231024.2N.18, Zie eveneens Cass. 26 mei 1999, AR P.99.0096.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990526.16, AC 1999, nr. 311; M.-A. BEERNAERT, H.-D. BOSLY et D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 11-12 en EHRM 1 juni 2023, Grosam t/Tsjechië, § 130, www.echr.coe.int (betrof een disciplinaire zaak).
(42)Over die mogelijkheid zie D. DE WOLF, Handboek correctioneel procesrecht, Intersentia 2013, 67. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231219.2N.16 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231219.2N.16 citeert: ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930519.13 ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940509.15 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990526.16 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010418.20 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041109.13 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160906.1 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170516.4 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190115.2 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210601.2N.7 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220118.2N.8 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220118.2N.8 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230207.2N.2 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230418.2N.18 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231024.2N.18 ECLI:CE:ECHR:2022:0607JUD003240110 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.