id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 21 december 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231221.1N.7 Rolnummer: F.22.0033.N Zaak: HET VLAAMS GEWEST contra DS COM nv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2024-02-12 Raadplegingen: 382 - laatst gezien 2026-06-17 04:17 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231221.1N.7 Fiche Uit de samenhang van de artikelen 2.9.7.0.3, § 2, en 3.6.0.0.6, § 1, 2°, VCF en de wetsgeschiedenis van dat laatste artikel volgt dat de betreffende verklaring moet blijken uit een geregistreerde overeenkomst, gedateerd minder dan een jaar nadat de opschortende voorwaarde waaraan de eerste overeenkomst is onderworpen, is vervuld
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: REGISTRATIE (RECHT VAN) Wettelijke bepalingen: Decreet 13 december 2013 houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit - 13-12-2013 - Art. 2.9.7.0.3 - 06 ELI link Pub nr 2013036154 Decreet 13 december 2013 houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit - 13-12-2013 - Art. 3.6.0.0.6 - 06 ELI link Pub nr 2013036154 Annotaties Publicaties: AFT-Algemeen fiscaal tijdschrift - 2024, nr. 4, p. 29-
- - SPRUYT, Eric; Noot'Minnelijke ontbinding compromis en tarief van 10 euro via ontheffing: Cassatie hakt knoop door inzake berekening termijnen' Tekst van de conclusie F.22.0033.N Conclusie van advocaat-generaal Van der Fraenen:
- Situering. Uit de feitelijke vaststellingen van de appelrechter blijkt dat verweerster op 7 december 2005 een onderhandse akte ondertekende om voor de prijs van 300.000 EUR, een onroerende goed (een perceel grond met magazijnen) aan te kopen van de NV Universal Rubber Manufacturing onder de opschortende voorwaarde van de aflevering van een positief bodemattest. Het duurde tot 19 november 2014 alvorens een positief bodemattest werd afgeleverd. De onderhandse verkoopovereenkomst werd op 18 maart 2015 geregistreerd. Op 27 juli 2015 werd een aanslag in de registratiebelasting gevestigd voor het aanslagjaar 2014 voor een bedrag van (300.000x10%=) 30.000 EUR. Op 9 september 2015 sloten verweerster en de NV Universal Rubber Manufacturing een dadingovereenkomst om een hangend gerechtelijk geschil over de verkoopovereenkomst te beëindigen. In de dadingovereenkomst wordt bepaald dat de onderhandse verkoopovereenkomst van 7 december 2005 ontbonden wordt verklaard. De dadingovereenkomst werd op 21 september 2017 geregistreerd. Bij brief van 9 mei 2018 diende verweerster bij eiser een verzoek in tot ambtshalve ontheffing van de aanslag in de registratiebelasting op grond van artikel 3.6.0.0.6, § 1, 2° VCF, welk verzoek bij beslissing van 8 juni 2018 door eiser werd afgewezen. Het fiscaal verzoekschrift dat verweerster op 30 juli 2018 indiende bij de rechtbank van eerste aanleg, Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, werd bij vonnis van 20 april 2020 onontvankelijk verklaard. Bij verzoekschrift van 17 augustus 2020 stelde verweerster hoger beroep in tegen dit vonnis. Bij arrest van 2 november 2021 verklaarde het hof van beroep te Gent het hoger beroep gegrond, zegde voor recht dat het verzoek tot ambtshalve ontheffing vanwege verweerster van 9 mei 2018 ontvankelijk en gegrond is en besliste dat de bestreden aanslag geheel wordt ontheven. Eiser komt op tegen dit arrest met één middel tot cassatie.
- Bespreking van het enig middel. 2.
- Eiser voert de schending aan van de artikelen 2.9.7.0.3, § 2 en 3.6.0.0.6, § 1, 2° VCF en van artikel 1181 van het oud B.W. Eiser laat gelden dat om aanspraak te kunnen maken op een teruggave van de registratierechten in toepassing van artikel 3.6.0.0.6, § 1, 2° VCF, de verklaring tot minnelijke ontbinding moet blijken uit een geregistreerde overeenkomst gedateerd van minder dan één jaar na de dagtekening van de eerste overeenkomst. Wanneer die eerste overeenkomst onder opschortende voorwaarde wordt aangegaan, geldt dat de dagtekening van de overeenkomst en niet de datum van vervulling van de opschortende voorwaarde de termijn van één jaar doet aanvangen. Eiser verwijst naar artikel 1181 oud B.W. krachtens hetwelke een overeenkomst, die onder opschortende voorwaarde is aangegaan, reeds bestaat hangende de overeenkomst. Artikel 3.6.0.0.6, § 1, 2° VCF mag volgens eiser niet geïnterpreteerd worden tegen de achtergrond van artikel 2.9.7.0.3, § 2 VCF, hetwelk bepaalt dat op een rechtshandeling onderworpen aan een opschortende voorwaarde het verkooprecht pas wordt geheven als de opschortende voorwaarde is vervuld. De appelrechter zou dan ook niet wettig hebben beslist dat de termijn van één jaar een aanvang nam vanaf de datum van vervulling van de opschortende voorwaarde en dat dienvolgens de betwiste aanslag moest ontheven worden. 2.
- Artikel 3.6.0.0.6, § 1, 2°, VCF laat een teruggave van de registratiebelasting toe “wanneer alle partijen die betrokken zijn bij een overeenkomst waarop het verkooprecht van toepassing is, verklaren deze overeenkomst in der minne te hebben ontbonden of te hebben vernietigd, of verklaren dat een voorwaarde die uitdrukkelijk bedongen is in de overeenkomst, al is vervuld. Die verklaring moet blijken uit een geregistreerde overeenkomst, gedateerd minder dan een jaar na de dagtekening van de eerste overeenkomst”. De kern van de discussie draait rond de vraag of de vereiste “dagtekening van de eerste overeenkomst” wijzigt van de uitdrukkelijke datum van de overeenkomst naar het ogenblik waarop de opschortende voorwaarde, waaraan de overeenkomst is verbonden, in vervulling gaat. Eiser meent, anders dan de appelrechter besliste, dat de dagtekening niet wijzigt met de opname van een opschortende voorwaarde. 2.
- Eiser steunt zijn standpunt op wat auteur SPRUYT schreef: “(…) het is wel de datum van onderhandse koopovereenkomst die bepalend is als vertrekpunt voor de berekening van deze termijn van één jaar. Bevat de koopovereenkomst een opschortende voorwaarde dan is het niet de datum van het in vervulling gaan van deze opschortende voorwaarde”
(1). Dat standpunt lijkt SPRUYT impliciet te steunen op de duidelijkheid van de wettekst
(2), waarop ook eiser zich verlaat. De auteurs DE DECKER, DOUNY, GUSTIN, PELGROMS en MASSCHELEIN nemen in dezelfde zin standpunt in als SPRUYT
(3). Auteurs DOUNY en GUSTIN halen bovendien een argument uit het feit dat de gerealiseerde opschortende voorwaarde retroactief werkt. Het is alsof de overeenkomst nooit voorwaardelijk is geweest. Voor hen brengt dat met zich mee dat als startpunt van de termijn moeilijk de realisatie van de opschortende voorwaarde te verkiezen is boven de datum waarop de voorwaardelijke overeenkomst is gesloten
(4). Daartegenover nemen de fiscale administraties
(5)en meerdere andere auteurs aan dat de “dagtekening van de eerste overeenkomst” in het geval van een voorwaardelijke overeenkomst te begrijpen is als de datum waarop de opschortende voorwaarde in vervulling gaat
(6). De federale administratie gaf aan artikel 209, eerste lid, 2°bis, Vl.W.Reg., de gelijkluidende voorloper van artikel 3.6.0.0.6, § 1, 2°, VCF
(7), deze draagwijdte: “Ingeval van een overeenkomst onder opschortende voorwaarde begint de termijn van één jaar slechts te lopen vanaf de vervulling van de opschortende voorwaarde”
(8). In het Waals gewest en het Brussels hoofdstedelijk gewest is in 2019 een eensluidend standpunt ingenomen omtrent de gelijkluidende tegenhangers van artikel 3.6.0.0.6, § 1, 2°, VCF
(9). Artikel 209, 3°ter van het Waalse W.Reg. vereist voor een teruggave van verkooprechten dat “de nietig verklaarde, vernietigde, geannuleerde of ontbonden overeenkomst niet meer dan één jaar voor het sluiten van de overeenkomst tot nietig verklaring, vernietiging, annulering of ontbinding is gesloten”. Artikel 209, 3°/2, c, van het Brusselse W.Reg. vereist voor teruggave dat “de nietig verklaarde, vernietigde, geannuleerde of ontbonden overeenkomst […] niet meer dan één jaar vóór het sluiten van de overeenkomst tot nietigverklaring, vernietiging, annulering of ontbinding [is] gesloten”. In een standpunt van 14 juni 2019 besliste de betreffende administratie dat “En cas de convention sous condition suspensive, le délai d’un an ne commence à courir qu’au moment de la réalisation de la condition suspensive”
(10). 2.4. Daar waar eiser zich lijkt te beroepen op de duidelijkheid van de wettekst en een strikte interpretatie ervan voorstaat, dient dit m.i. te worden gerelativeerd. Zoals hoger aangehaald, aanvaarden de administratie en bepaalde auteurs tegen de (zogenaamd duidelijke) termen van de wet in een ruimere draagwijdte. Zo vermeldt artikel 3.6.0.0.6, § 1, 2°, VCF enkel dat teruggave mogelijk is als de partijen verklaren dat een uitdrukkelijk bedongen “voorwaarde” is vervuld
(11). De term “voorwaarde” is burgerrechtelijk niet hetzelfde als een uitdrukkelijk ontbindend beding. Nochtans brengen de administratie en een aantal auteurs toch dat beding onder die noemer onder bij artikel 3.6.0.0.6, § 1, 2°, VCF
(12). Artikel 3.6.0.0.6, § 1, 2°, VCF heeft het ook over een minnelijke vernietiging, wat burgerrechtelijk niet bestaat. De eveneens vermelde minnelijke ontbinding is ook ongekend in burgerrechtelijke kringen. Wel bekend is de beëindiging in onderling overleg (mutuus dissensus)
(13). Er lijkt mij derhalve maar weinig gewicht toegekend te kunnen worden aan het argument van de zogenaamd duidelijke wettekst. 2.5. Er dient vastgesteld dat artikel 3.6.0.0.6, § 2, VCF niet de hypothese van een overeenkomst onder opschortende voorwaarde behandelt. De VCF voorziet in die hypothese veelal wel in de gevallen waarin een termijnberekening wordt vastgekoppeld aan de datum van een geschrift. Te denken valt niet alleen, zoals eiser aanvoert, aan artikel 3.6.0.0.6, § 2, vierde lid, VCF
(14), maar ook bijvoorbeeld ook aan de recent toegevoegde artikelen 2.9.4.2.11, § 4, VCF
(15)en 2.9.4.2.12, § 3, VCF
(16)of aan artikel 2.9.4.2.13, § 2, VCF
(17). Aldus blijkt dat in de VCF zelf het argument van de retroactieve werking van de vervulde opschortende voorwaarde herhaaldelijk terzijde wordt geschoven. Telkens de VCF, zoals voormeld, de startdatum van een termijn wijzigt naar de datum waarop de opschortende voorwaarde in vervulling gaat, wordt in wezen afbreuk gedaan aan het argument omtrent de retroactieve werking van die vervulde voorwaarde. 2.
- De vraag stelt zich dan of men er moet van uitgaan dat de decreetgever in het geval van artikel 3.6.0.0.6, § 1, 2°, VCF bedoeld heeft dat de dagtekening van de overeenkomst niet wijzigt wanneer een opschortende voorwaarde is opgenomen en de datum waarop de opschortende voorwaarde is vervuld derhalve niet als vertrekpunt voor de berekening van de termijn van één jaar in aanmerking mag worden genomen. Dat lijkt mij niet het geval te zijn. 2.6.
- De bedoeling van de wetgever met het oorspronkelijke artikel 209, eerste lid, 2°bis, Vl.W.Reg. was om een fiscaalvriendelijke oplossing te bieden voor de voorheen soms (drie)dubbel verschuldigde registratierechten. De eerste overdracht én de wederoverdracht ingevolge de ontbinding of vernietiging gaven immers aanleiding tot de heffing van het verkooprecht (soms nog gevolgd door een nieuwe verkoop, met nogmaals een heffing). Om die (drie)dubbele heffing te vermijden, is de teruggavemogelijkheid van betaalde verkooprechten ingevoerd
(18). Eerst kon enkel bij een gerechtelijke ontbinding of vernietiging van de verkoopovereenkomst een volledige teruggave van registratierechten worden gevraagd en verkregen. Die regeling werd te streng en te formalistisch bevonden. Het was dan ook meer dan wenselijk dat ook partijen die het eens zijn en, buiten de rechter om, de overeenkomst beëindigen, van die teruggave konden genieten
(19). Met artikel 209, eerste lid, 2°bis, Vl.W.Reg. kreeg deze visie ingang. In de VCF is deze visie op de teruggave overgenomen zonder dat de decreetgever wou tornen aan artikel 209, eerste lid, 2°bis, Vl.W.Reg. De materieelrechtelijke bepalingen uit de Vl.W.Reg. werden in de VCF immers in beginsel niet gewijzigd, maar wel aangepast aan de structuur van de VCF en taalkundig gestroomlijnd. Als er al inhoudelijke aanpassingen gebeurden, lichtte de decreetgever die wijzigingen toe
(20). Auteur SPRUYT besluit dan ook dat de bepalingen in de VCF, tenzij anders is aangegeven, te interpreteren zijn als voordien in het Vl.W.Reg., inclusief de interpretatie die de federale administratie voorstond
(21). Daarbij dient vastgesteld dat de decreetgever artikel 209, eerste lid, 2°bis, Vl.W.Reg. gelijkluidend overnam in artikel 3.6.0.0.6, § 1, 2°, VCF, met kennis van het standpunt van de federale administratie omtrent het artikel 209, eerste lid, 2°bis, Vl.W.Reg.: “Ingeval van een overeenkomst onder opschortende voorwaarde begint de termijn van één jaar slechts te lopen vanaf de vervulling van de opschortende voorwaarde”
(22). De decreetgever getroostte zich geen moeite om dat standpunt bij te sturen
(23), ondanks de naar zijn zeggen “screening” van de voordien geldende regels “zodat deze op maat van de Vlaamse belastingen kan herschreven worden”
(24). Aldus toont de wetsgeschiedenis aan dat met de VCF het administratieve standpunt ten tijde van het Vl.W.Reg. gestand bleef. Ook nadien is Vlabel niet uitdrukkelijk met een andersluidend standpunt naar buiten getreden. Vlabel heeft wel eens in een standpunt van 2016 (en dus na de vervulling van de opschortende voorwaarde en de minnelijke ontbinding in casu) geschreven: “De voorwaarden voor een fiscaalvriendelijke minnelijke vernietiging of ontbinding van een onderhandse verkoopovereenkomst zijn op duidelijke wijze decretaal geregeld. Deze decretale regeling is niet vatbaar voor interpretatie”
(25). Het is maar de vraag of deze visie, geuit in een ander kader dan een opschortende voorwaarde, werkelijk inhoudt dat de tekst van artikel 3.6.0.0.6 VCF te nemen is zoals hij is, wetende dat, zoals hoger aangehaald, deze tekst burgerrechtelijk ongekende begrippen herbergt en door de administratie tegen de woorden in wordt verruimd. 2.6.2. Verder dient vastgesteld dat het standpunt van eiser zodanig het toepassingsgebied van artikel 3.6.0.0.6, § 1, 2°, VCF beperkt dat kan worden betwijfeld of dat werkelijk de bedoeling van de decreetgever kan geweest zijn. De voormelde bedoeling van een minder strenge, minder formalistische en fiscaalvriendelijke teruggave van betaalde (of in casu verschuldigde) registratierechten kan bij een voorwaardelijke overeenkomst pas uitwerking krijgen eenmaal de opschortende voorwaarde is vervuld. Pas bij de realisatie van de opschortende voorwaarde is het verkooprecht verschuldigd. Voordien is er enkel registratie aan het vast recht. Van teruggave kan met andere woorden maar sprake zijn eenmaal de opschortende voorwaarde is vervuld. Het artikel 3.6.0.0.6, § 1, 2°, VCF kan in eiser’s visie slechts spelen als de opschortende voorwaarde zich realiseert binnen een periode van één jaar na de datum waarop de voorwaardelijke overeenkomst is gesloten (want anders is er geen verkooprecht verschuldigd en kan er geen sprake zijn van teruggaaf) én de minnelijke ontbinding binnen datzelfde jaar wordt overeengekomen
(26). De termijn van één jaar wordt in dat standpunt derhalve drastisch ingekort. In sommige gevallen waar de voorwaarde zich pas realiseert na één jaar na de datum vermeld op de overeenkomst is er dan gewoonweg geen ruimte meer voor enige teruggave bij een daaropvolgende minnelijke ontbinding
(27). De partijen worden in een dergelijk geval naar de strengere en formalistischere teruggavemogelijkheid na gerechtelijke ontbinding gedreven. 2.6.3. Tot slot dient ook nog gewezen op de vergelijkbare situatie bedoeld in het artikel 3.6.0.0.6, § 1, 3°, VCF. Volgens dat artikel is er mogelijkheid tot teruggave van betaalde verkooprechten als “een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest de ontbinding of de herroeping uitspreekt of vaststelt van een overeenkomst, op voorwaarde dat uit de beslissing blijkt dat ten hoogste één jaar na de overeenkomst het geding, zelfs bij een onbevoegde rechter, is ingeleid”. Aangezien een overeenkomst pendente conditione reeds bestaat en rechten en plichten met zich meebrengt, is een gerechtelijke ontbinding pendente conditione denkbaar. Evenwel zal doorgaans pendente conditione nog geen koopprijs verschuldigd zijn
(28). Als de opschortende voorwaarde dan later dan één jaar na de datum van de overeenkomst vervuld geraakt en daarmee de koopprijs opeisbaar wordt, doch niet wordt betaald, zou in de visie van de eiser voor de verkoper geen teruggave bij (minnelijke én gerechtelijke) ontbinding meer open staan
(29). Dat komt onbillijk voor aangezien de verkoper de reden voor de ontbinding, te weten de wanbetaling, maar kon kennen eens de voorwaarde vervuld was. De administratie neemt daarom in deze materie een soepeler standpunt in: “Wanneer het een contract onder opschortende voorwaarde geldt, gaat voormelde termijn van één jaar slechts in op de datum van de vervulling der voorwaarde”
(30). 2.
- Op grond van hetgeen supra werd uiteengezet, meen ik dat in zoverre het middel ervan uitgaat dat de verklaring, waarvan sprake in artikel 3.6.0.0.6, § 1, 2°, VCF, moet blijken uit een geregistreerde overeenkomst, gedateerd minder dan een jaar na de dagtekening van de eerste overeenkomst, ook al is die eerste overeenkomst aan een opschortende voorwaarde onderworpen, naar recht faalt. 2.
- In zoverre het middel aanvoert dat artikel 1181 Oud Burgerlijk Wetboek is geschonden omdat de appelrechter ontkent dat de overeenkomst hangende de opschortende voorwaarde bestaat, lijkt het mij te berusten op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag. In zoverre het middel ervan uitgaat dat de appelrechter artikel 2.9.7.0.3, § 2, VCF naar analogie toepast, berust het m.i. op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en mist het eveneens feitelijke grondslag.
- Besluit: Verwerping. ____________________________________
(1)E. SPRUYT, “Registratierecht – fiscaalvriendelijke ontbinding van koopovereenkomst in Vlaanderen in werking”, Notariaat 2008, afl. 3, 1, voetnoot 1. Zie ook later: E. SPRUYT, “Tarieven” in E. SPRUYT, N. GEELHAND DE MERXEM, H. PELGROMS (eds.), De registratie- en erfbelasting in de Vlaamse Codex Fiscaliteit, Mechelen, Kluwer 2016, 364, voetnoot 803.
(2)In die zin ook: A.-M. D’HOORE, “Minnelijk ontbinden van verkoopovereenkomst niet langer fiscaal afgestraft”, Masterproef UGent 2008-09, 39.
(3)H. DE DECKER, “De problematiek van ontbinding en nietigheid van verkoopovereenkomste m.b.t. vastgoed en de wederzijds gekruiste opties als valabel alternatief voor dergelijke verkoopovereenkomsten”, Not.Fisc.M. 2008, 289, voetnoot 29; R. DOUNY en M. GUSTIN, “La nouvelle résolution du compromis de vente en Flandre – Un anéantissement très amiable”, Rev.gén.enr.not. 2008, nr. 25989, 380-381; M.A. MASSCHELEIN, “De minnelijke ontbinding van de onderhandse koopovereenkomst: fiscale aspecten”, NNK 2008/1, 36 (deze auteur behandelt de hypothese van een voorwaardelijke overeenkomst waarvan de voorwaarde is vervuld en meldt daarbij steeds enkel dat de startdatum de onderhandse overeenkomst is); H. PELGROMS, “Vlaamse registratierechten – Geen evenredige verkooprechten meer bij minnelijke ontbinding van een onderhandse verkoopovereenkomst”, https://www.e-notariaat.be/, bericht van 31 oktober 2007, ref. 4468. Opmerkelijk is dat sommige van de voormelde auteurs steun zoeken bij andere auteurs, die evenwel de hypothese van een voorwaardelijke overeenkomst niet behandelen, zoals: D. MEULEMANS en P. CLAEYS, “De minnelijke ontbinding van de onderhandse koopovereenkomst”, TVV 2009, 9 en 14 (behandelen niet de hypothese van de voorwaardelijke overeenkomst, zodat uit die bijdrage daaromtrent geen conclusies te trekken vallen).
(4)R. DOUNY en M. GUSTIN, “La nouvelle résolution du compromis de vente en Flandre – Un anéantissement très amiable”, Rev.gén.enr.not. 2008, nr. 25989, 380-381.
(5)Administratieve beslissingen zijn niet bindend voor de rechtsonderhorige, de rechtbanken of de administratie zelf. Ze hebben de waarde van “rechtsleer”. Zie: L. WEYTS, Notarieel fiscaal recht, Deel 1, Mechelen, Kluwer 2021, 86.
(6)J. GRILLET, “De fiscale gevolgen van de minnelijke ontbinding van een onderhandse onroerende koop in het Vlaamse Gewest (vanaf 1 november 2007)”, T.Not. 2008, 73; A. GHYSENS, “Inning en invordering” in F. WERDEFROY (ed.), Registratierechten, Mechelen, Kluwer, 2017, 54; G. SCHENK, Chronologisch ‘stap-voor-stap-draaiboek’ vastgoedmakelaar bij de verkoop van een onroerend goed in Het onroerend goed in de praktijk, Mechelen, Kluwer 2013, losbl., II.K.7-5 (Deze auteur meldt dat de wettekst wel de datum van de onderhandse overeenkomst vooropstelt, maar dat dit niet de beste oplossing is en keurt dan ook het andersluidende standpunt van de administratie goed).
(7)Artikel 209, eerste lid, 2°bis, Vl.W.Reg.: “Zijn vatbaar voor teruggaaf: de evenredige rechten geheven op een overeenkomst zoals omschreven in artikel 44, als bij het overeenkomstig artikel 217 ingediende verzoek tot teruggave een geregistreerde overeenkomst is gevoegd, gedateerd minder dan een jaar na de dagtekening van de eerste overeenkomst, waarin alle bij de overeenkomst betrokken partijen verklaren de eerste overeenkomst in der minne te hebben ontbonden of te hebben vernietigd of waarin ze verklaren dat een in de eerste overeenkomst uitdrukkelijk bedongen ontbindende voorwaarde al is vervuld. Die teruggave is niet mogelijk voor de evenredige rechten geheven op een overeenkomst die bij authentieke akte is vastgesteld, noch op een inbreng door een natuurlijke persoon van een woning in een Belgische vennootschap, noch op een overeenkomst die onderworpen is aan het tarief, vermeld in artikel 62”.
(8)Adm. Besl. 13 januari 2009, R 209, 2°bis-VL/02-01.
(9)Daar waar in de VCF sprake is van “dagtekening van de eerste overeenkomst”, hebben de Waalse en Brusselse W.Reg. het over “het sluiten van” de beëindigde overeenkomst.
(10)Adm. Besl. 14 juni 2019, E 209, 3°ter/01-01 – Rég. Wallonne, Réc.gén.enr.not., 2019/9, 404; Adm. Besl. 14 juni 2019, E 209, 3°/2/01-01 – Région Bruxelles-Capitale, Réc.gén.enr.not., 2019/9, 404.
(11)Zie ook artikel 2.9.4.2.9 VCF omtrent het vast recht van 10 euro bij een gelijktijdige aanbieding van beëindigde en beëindigende overeenkomst, dat spreekt van een “uitdrukkelijk bedongen ontbindende voorwaarde”.
(12)R. DOUNY en M. GUSTIN, “La nouvelle résolution du compromis de vente en Flandre – Un anéantissement très amiable”, Rev.gén.enr.not. 2008, nr. 25989, 379 (“En dépit de son apparente clarté, le champ d’action du décret recèle donc des écueils civils susceptibles d’induire chez le contribuable la croyance erronée que le seul fait de se conformer aux exigences fiscales permet d’abolir définitivement le compromis intervenu”); T. WUSTENBERGHS en A. PEETERS, Handboek registratierechten, Brussel, Intersentia 2016, 133 (bevestigen dat uitdrukkelijk ontbindend beding is geviseerd).
(13)R. DOUNY en M. GUSTIN, “La nouvelle résolution du compromis de vente en Flandre – Un anéantissement très amiable”, Rev.gén.enr.not. 2008, nr. 25989, 378-379; D. MEULEMANS en P. CLAEYS, “De minnelijke ontbinding van de onderhandse koopovereenkomst”, TVV 2009, 8 (die wel nog spreken van “minnelijke ontbinding” terwijl het gaat om de mutuus dissensus uit artikel 1134, tweede lid, Oud BW); L. WEYTS, “De gerechtelijke, buitengerechtelijke en minnelijke ontbinding van de koop onder de fiscale microscoop”, T.Not. 2021, 765 (die stelt dat een “minnelijke ontbinding” civielrechtelijk geen probleem vormt, doch onmiddellijk nuanceert en enkel nog melding maakt van een minnelijke of wederzijdse opzegging en zelfs stelt dat “meestal is hier geen wanprestatie van de koper aan de hand”, terwijl ontbinding een wanprestatie vereist).
(14)Artikel 3.6.0.0.6, § 2, derde en vierde lid, VCF: “De wederverkoop, vermeld in het eerste lid, moet bij authentieke akte vastgesteld zijn binnen twee jaar na de datum van de authentieke akte van verkrijging. Als de verkrijging of de wederverkoop heeft plaatsgevonden onder een opschortende voorwaarde, wordt de termijn van wederverkoop berekend op basis van de datum waarop die voorwaarde is vervuld”.
(15)Artikel 2.9.4.2.11, § 4, VCF: “In geval van een overdracht, die aan een opschortende voorwaarde is onderworpen die nog niet is vervuld op datum van de authentieke akte, wordt voor de toepassing van dit artikel de datum van vervulling van de voorwaarde in de plaats gesteld van de datum van de authentieke akte”.
(16)Artikel 2.9.4.2.12, § 3, VCF: “In geval van een overdracht, die aan een opschortende voorwaarde is onderworpen die nog niet is vervuld op datum van de authentieke akte, wordt voor de toepassing van dit artikel de datum van vervulling van de voorwaarde in de plaats gesteld van de datum van de akte”.
(17)Artikel 2.9.4.2.13, § 2, VCF: “In geval van een overdracht, die aan een opschortende voorwaarde is onderworpen die nog niet is vervuld op datum van de authentieke akte, wordt voor de toepassing van dit artikel de datum van vervulling van de voorwaarde in de plaats gesteld van de datum van de authentieke akte”.
(18)J. GRILLET, “De fiscale gevolgen van de minnelijke ontbinding van een onderhandse onroerende koop in het Vlaamse Gewest (vanaf 1 november 2007)”, T.Not. 2008, 62.
(19)Parl.St. Vl. Parl. 2007-08, 1344, nr. 3, 3-4; M.A. MASSCHELEIN, “De minnelijke ontbinding van de onderhandse koopovereenkomst: fiscale aspecten”, NNK 2008/1, 34; D. MEULEMANS en P. CLAEYS, “De minnelijke ontbinding van de onderhandse koopovereenkomst”, TVV 2009, 9; E. VOLCKAERT, “Minnelijke ontbinding compromis”, NJW 2008, 198-199.
(20)MvT Ontwerp van decreet tot wijziging van het decreet van 13 december 2013 houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit, Parl.St. 2014-15, 114, nr. 1, 4 (“De materieelrechtelijke bepalingen werden in beginsel niet gewijzigd, doch voornamelijk aangepast aan de structuur van de VCF en taalkundig gestroomlijnd. Waar er inhoudelijke aanpassingen voorliggen, zal dit nader worden toegelicht in deze toelichting”) en 11 (“De materieelrechtelijke bepalingen met betrekking tot de erf- en registratiebelasting worden toegevoegd aan titel 2 (Belastingheffing) onder de hoofstukken 7 tot en met 11. De bepalingen hebben, zoals reeds aangehaald, dezelfde draagwijdte als degene gegeven aan de overeenkomstige bepalingen opgeheven naar aanleiding van deze codificatie (zie concordantietabel), tenzij hierna anders is bepaald. De stroomlijning van het woordgebruik van deze bepalingen is dan ook louter bedoeld om de leesbaarheid en verstaanbaarheid te verhogen, en in geen geval om hun draagwijdte te wijzigen”).
(21)E. SPRUYT, “Principe: geen inhoudelijke wijzigingen tenzij expliciet aangegeven” in E. SPRUYT, N. GEELHAND DE MERXEM, H. PELGROMS (eds.), De registratie- en erfbelasting in de Vlaamse Codex Fiscaliteit, Mechelen, Kluwer 2016, 125-126.
(22)Adm. Besl. 13 januari 2009, R 209, 2°bis-VL/02-01.
(23)Bij de invoering van artikel 3.6.0.0.6 VCF vermeldt de decreetgever in de memorie van toelichting enkel het volgende relevante: “Dit artikel is gebaseerd op artikelen 209 tot en met 213 Wb. Reg. Het taalgebruik werd aangepast, en de artikelen werden geïntegreerd in één artikel, aangezien de betrokken bepalingen allemaal betrekking hebben op de ontheffing (teruggave) van de registratiebelasting in specifieke gevallen. De oorspronkelijke artikelen werden samengevoegd. In de eerste paragraaf wordt artikel 209 van het Wb. Reg. gedeeltelijk hernomen. In het nieuwe artikel wordt in een termijn voorzien waarbinnen de aanvraag tot teruggave dient te gebeuren. Dit is in overeenstemming met de algemene regel uit artikel 3.6.0.0.1 en de regels van toepassing op de erfbelasting (artikel 3.6.0.0.4 en 3.6.0.0.5 VCF). […] Wat wel uitdrukkelijk wordt overgenomen is de mogelijkheid tot ontheffing zoals voorzien in artikel 209, eerste lid, 2°, 2°bis en 3°, Wb. Reg. Vermits die bepalingen ruimer zijn geformuleerd dan de ontheffingsmogelijkheden, vermeld in artikel 3.6.0.0.1 VCF, worden deze bepalingen integraal overgenomen als bijkomende ontheffingsmogelijkheid” (MvT Ontwerp van decreet tot wijziging van het decreet van 13 december 2013 houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit, Parl.St. 2014-15, 114, nr. 1, 33-34).
(24)Voor de “screening”: MvT Ontwerp van decreet tot wijziging van het decreet van 13 december 2013 houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit, Parl.St. 2014-15, 114, nr. 1, 3.
(25)Adm. Besl. 3 oktober 2016, SP 16090.
(26)Bij een ontbinding vooraleer de opschortende voorwaarde is vervuld, zijn geen evenredige rechten verschuldigd, doch wel een vast recht van 10 euro. Bijvoorbeeld: J. GRILLET, “De fiscale gevolgen van de minnelijke ontbinding van een onderhandse onroerende koop in het Vlaamse Gewest (vanaf 1 november 2007)”, T.Not. 2008, 72.
(27)J. GRILLET, “De fiscale gevolgen van de minnelijke ontbinding van een onderhandse onroerende koop in het Vlaamse Gewest (vanaf 1 november 2007)”, T.Not. 2008, 73; G. SCHENK, Chronologisch ‘stap-voor-stap-draaiboek’ vastgoedmakelaar bij de verkoop van een onroerend goed in Het onroerend goed in de praktijk, Mechelen, Kluwer 2013, losbl., II.K.7-5.
(28)Ook in die zin: L. WEYTS, “De gerechtelijke, buitengerechtelijke en minnelijke ontbinding van de koop onder de fiscale microscoop”, T.Not. 2021, 769.
(29)Bij artikel 3.6.0.0.6, § 1, 3°, VCF geldt immers hetzelfde argument van een duidelijke wettekst. Deze wetsbepaling koppelt uitdrukkelijk vast aan “de overeenkomst”. Dat wijst normaliter naar de dagtekening van die overeenkomst. Die wetsbepaling behandelt voorts evenmin als artikel 3.6.0.0.6, § 1, 2°, VCF de hypothese van een voorwaardelijke overeenkomst.
(30)Adm. Besl. 3 oktober 1968, nr. E.E./80.601, Repertorium R.J. R209, 3°, nr. 02.02. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231221.1N.7 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231221.1N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div