id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 21 december 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231221.1N.8 Rolnummer: F.22.0004.N Zaak: D. contra BELGISCHE STAAT, MINISTER FINANCIEN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2024-03-20 Raadplegingen: 400 - laatst gezien 2026-06-19 03:01 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231221.1N.8 Fiche De termijn voor het vestigen van een nieuwe aanslag eindigt drie maanden nadat de termijn bedoeld in artikel 1385undecies Gerechtelijk Wetboek is verstreken; daarbij moet niet worden onderzocht of de belastingplichtige een belang heeft om op te komen tegen de vernietiging van de oorspronkelijke aanslag
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Aanslagtermijnen Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 355 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 375 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1385undecies - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de conclusie F.22.0004.N Conclusie van advocaat-generaal Van der Fraenen: (….)
- Bespreking van het enig middel. 2.
- Eisers voeren de schending aan van de artikelen 355, eerste lid, en 375, § 1, WIB92, 17, 18, 569, 32°, en 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek. Eisers komen op tegen de beslissing van de appelrechter dat de nieuwe belastingaanslag op grond van artikel 355 WIB92 tijdig is. Zij voeren aan dat wanneer de belastingaanslag door de bevoegde adviseur-generaal of de door hem gedelegeerde ambtenaar volledig wordt vernietigd, er geen vordering voor de rechter meer kan worden gesteld en de termijn voor het vestigen van een nieuwe aanslag dan onmiddellijk begint te lopen. Derhalve zou de op 22 februari 2018 gevestigde nieuwe aanslag laattijdig zijn aangezien de initiële aanslag al op 28 september 2017 werd vernietigd. 2.
- Luidens artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek wordt de vordering inzake de geschillen bedoeld in artikel 569, eerste lid, 32°, tegen de belastingadministratie slechts toegelaten indien de eiser voorafgaandelijk het door of krachtens de wet georganiseerde administratief beroep heeft ingesteld. De vordering wordt ingesteld ten vroegste zes maanden vanaf de datum van ontvangst van het administratief beroep zo over dit beroep geen uitspraak is gedaan en, op straffe van verval, uiterlijk binnen een termijn van drie maanden vanaf de kennisgeving van de beslissing met betrekking tot het administratief verhaal. Krachtens artikel 355, eerste lid, WIB92 kan de administratie, wanneer een aanslag nietig verklaard is omdat hij niet werd gevestigd overeenkomstig een wettelijke regel, met uitzondering van een regel betreffende de verjaring, zelfs wanneer de voor het vestigen van de aanslag gestelde termijn reeds is verlopen, ten name van dezelfde belastingschuldige, op grond van dezelfde belastingelementen of op een gedeelte ervan, een nieuwe aanslag vestigen binnen drie maanden vanaf de datum waarop de beslissing van de directeur van de belastingen of van de door hem gedelegeerde ambtenaar niet meer voor de rechter kan worden gebracht. Artikel 375, tweede lid, tweede zin, WIB92 bepaalt dat de beslissing van de directeur der belastingen of van de door hem gedelegeerde ambtenaar onherroepelijk is wanneer geen vordering is ingesteld binnen de in artikel 1385undecies Gerechtelijk Wetboek vermelde termijn. Zoals verweerder terecht opwerpt in zijn memorie, volgt uit deze wetsbepalingen dat de termijn voor het vestigen van een nieuwe aanslag krachtens artikel 355 WIB92 een aanvang neemt op het ogenblik dat de termijn bedoeld in artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek is verstreken. Daarbij moet niet worden onderzocht of de belastingplichtige een belang heeft om op te komen tegen de vernietiging van de oorspronkelijke aanslag. Het Hof oordeelde al in die zin in arresten van 30 juni 2003 en 22 juni 2007
(1). Deze arresten werden gewezen onder de toenmalige fiscale procedure, waarbij de directeur der directe belastingen oordeelde in eerste aanleg en tegen zijn beslissing enkel hoger beroep bij het hof van beroep (en vervolgens voorziening in cassatie) openstond. De fiscale procedure werd grondig hervormd bij Wet van 15 maart 1999. Sindsdien is de procedure voor directeur der directe belastingen een louter administratieve procedure. In geval van niet-akkoord met de beslissing van de directeur der directe belastingen (of wanneer een beslissing uitblijft), kan de belastingplichtige thans zijn zaak bij de rechtbank van eerste aanleg aanhangig maken (en vervolgens bij het hof van beroep, eventueel gevolgd door een voorziening in cassatie). Daardoor is thans niet langer de beslissing van de directeur der directe belasting het voorwerp van een procedure voor de rechtbank, maar wel de initiële aanslag zelf
(2). De hervorming van de fiscale procedure is terecht zonder invloed gebleken op de voornoemde rechtspraak van het Hof. Dat niet de door de directeur der belastingen of de in zijn naam genomen beslissing maar de aanslag zelf het voorwerp uitmaakt van het geschil dat desgevallend voor de rechter wordt gebracht, doet immers aan die rechtspraak geen afbreuk, noch het feit dat thans is vermeld dat de nieuwe aanslag moet worden gevestigd binnen drie maanden vanaf de datum waarop de beslissing "niet meer voor de rechter kan worden gebracht" en niet "niet meer vatbaar is voor een voorziening als bedoeld in artike11385undecies van het Gerechtelijk Wetboek". In het arrest van 27 september 2012 in de zaak F.11.0109.F bevestigde het Hof haar eerdere rechtspraak, deze keer in de context van het hier toepasselijke artikel 355 WIB92
(3). Het Hof lijkt mij er ook in de context van artikel 355 WIB92 vanuit te gaan dat voor het bepalen van de datum waarop de beslissing van de directeur van de belastingen niet meer voor de rechter kan worden gebracht enkel met het verstrijken van de termijn (thans voorzien in artikel 1385undecies Gerechtelijk Wetboek) rekening moet worden gehouden en dat die datum niet wordt bepaald door het belang dat de belastingplichtige heeft bij het al dan niet aanwenden van een rechtsmiddel. Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, lijkt mij te falen naar recht. 3. Besluit: Verwerping. _____________________________________
(1)Cass. 22 juni 2007, AR F.05.0029.N, AC 2007, nr. 350 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070622.4; Cass. 30 juni 2003, AR F.02.0048.F, AC 2003, nr. 385, ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030630.10.
(2)Cass. 31 januari 2014, AR F.12.0030.F, AC 2014, nr. 86, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140131.2.
(3)Cass. 27 september 2012, AR F.11.0109.F, arrest niet gepubliceerd, met gelijkluidende concl. van advocaat-generaal HENKES. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231221.1N.8 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231221.1N.8 citeert: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030630.10 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070622.4 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140131.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div