← België

D. contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 3

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 61quinquies - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 127 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 3

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 61quinquies - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 127 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regeling van de rechtspleging Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 3

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 61quinquies - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 127 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 3

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 61quinquies - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 127 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 5 - 8 De verplichting een officieel onderzoek te voeren dat effectief moet zijn, is een middelen- en geen resultaatsverbintenis en slechts die onderzoekshandelingen moeten worden gesteld die gelet op de concrete omstandigheden redelijkerwijze kunnen leiden tot het verzamelen van bewijselementen, het aan het licht brengen van de waarheid en de identificatie en de bestraffing van de verantwoordelijken

(1); aldus moet het onderzoeksgerecht dat de rechtspleging regelt, geen gevolg geven aan onwaarschijnlijke hypothesen of loutere speculaties van een partij; het staat aan het onderzoeksgerecht om daarover onaantastbaar te oordelen maar het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt.
(1)Cass. 29 november 2022, AR P.22.1077.N, AC 2022, nr. 779 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221129.2N.3 en de verwijzingen aldaar. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regeling van de rechtspleging Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 3

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 61quinquies - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 127 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 3

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 61quinquies - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 127 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 3

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 61quinquies - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 127 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 3

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 61quinquies - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 127 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.23.1288.N D. D. J. burgerlijke partij, eiser, met als raadsman mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie Gent, tegen 1. D. D. L. 2. M. V. D. S. inverdenkinggestelden, verweerders, beiden met als raadsman mr. Jacques Heyvaert, advocaat bij de balie Dendermonde. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 8 juni 2023, op verwijzing gewezen ingevolge het arrest van het Hof van 29 november 2022. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel 1. Het middel voert schending aan van de artikelen 3, 5, 6 en 13 EVRM: het arrest beslist dat het onderzoek volledig werd gevoerd en dat er geen redenen zijn tot vervolging van de verweerders 1 en 2 voor wat betreft de telastleggingen B en C; het verleent aan de onderzoeksrechter eveneens ontslag van onderzoek naar eventuele onbekend gebleven verdachten inzake die telastleggingen en het veroordeelt de eiser tot bijdrage en kosten; uit de als geschonden aangewezen bepalingen, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt dat wanneer een rechtsonderhorige klacht neerlegt wegens feiten van politiegeweld of van onrechtmatige vrijheidsberoving, op de overheid de positieve verplichting rust om een daadwerkelijk onderzoek naar die feiten te voeren; hieruit volgt onder meer dat wanneer de klager aanvoert dat er sprake is van beeldmateriaal dat relevant is voor de beoordeling van dergelijke feiten, het eerlijk karakter van de procedure wordt aangetast door de weigering om dat beeldmateriaal volledig aan het dossier te voegen zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat; het arrest leidt uit de vaststelde feiten af dat “niet kan aangenomen worden dat verder onderzoek, eventueel met een deskundige, van en naar (

  1. de)camerabeelden, zoals gevorderd [door de eiser], redelijkerwijze zal leiden tot nadere waarheidsvinding, te meer [de eiser] geenszins aannemelijk maakt dat er zich nog andere camera’s bevinden in en rond het commissariaat en er geknipt werd in de beelden”; een effectief onderzoek naar feiten zoals aangeklaagd door de eiser vereist echter dat hetzij alle beschikbare beeldmateriaal wordt voorgelegd waaruit de volledige toedracht van de interventie door de politie kan worden gevolgd, minstens vanaf de vrijheidsberoving tot het ogenblik waarop de burger in de cel is gebracht, hetzij een geloofwaardige en verifieerbare verklaring wordt gegeven waarom slechts bepaalde beelden worden voorgelegd, waarbij de garantie wordt gegeven dat al het beschikbare beeldmateriaal werd voorgelegd en waarbij, wanneer beelden ontbreken van cruciale fasen van de politie-interventie, de beoordeling door de rechter van deze verklaring aan een bijzonder en kritisch onderzoek zal worden onderworpen; de appelrechters stellen echter niet vast dat alle beschikbare beeldmateriaal werd voorgelegd, zonder dat er sprake is van een geloofwaardige, verifieerbare en kritisch beoordeelde verklaring voor het ontbreken van de beelden. 2. Uit de artikelen 3 en 5 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt dat indien een persoon op geloofwaardige wijze aanvoert dat hij door politieambtenaren op een wijze werd behandeld die een inbreuk uitmaakt op deze verdragsbepalingen, de Staat verplicht is om een officieel onderzoek te voeren dat effectief moet zijn, in die zin dat het moet kunnen leiden tot de identificatie en de bestraffing van de verantwoordelijken. 3. Het staat aan het onderzoeksgerecht om, binnen de grenzen van zijn bevoegdheid, bij de regeling van de rechtspleging na te gaan of het onderzoek volledig werd gevoerd dan wel of het desgevallend niet moet worden aangevuld, alsook om vervolgens te oordelen of het gerechtelijk onderzoek voldoende bezwaren heeft opgeleverd om personen tegen wie de strafvordering werd ingesteld, te verwijzen naar het vonnisgerecht. Aldus wordt voldaan aan de uit de voormelde verdragsbepalingen voortvloeiende procedurele verplichtingen. 4. De verplichting een officieel onderzoek te voeren dat effectief moet zijn, is een middelen- en geen resultaatsverbintenis. Slechts die onderzoekshandelingen moeten worden gesteld die gelet op de concrete omstandigheden redelijkerwijze kunnen leiden tot het verzamelen van bewijselementen, het aan het licht brengen van de waarheid en de identificatie en de bestraffing van de verantwoordelijken. Aldus moet het onderzoeksgerecht dat de rechtspleging regelt, geen gevolg geven aan onwaarschijnlijke hypothesen of loutere speculaties van een partij. 5. Het staat aan het onderzoeksgerecht om daarover onaantastbaar te oordelen. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt. 6. Eensdeels beschrijft het arrest aan de hand van de bewijselementen die het aanwijst, met inbegrip van de inmiddels bij het strafdossier gevoegde camerabeelden van het gebeuren in het politiekantoor te S-N. in de nacht van 30 oktober 2016, omstandig het concrete incident dat zich heeft voorgedaan. Dat incident bestaat in essentie erin dat de eiser, na onder meer door de ter plaatse gekomen verweerders te zijn aangesproken op nachtlawaai ter gelegenheid van een tuinfeest, in de loop van de verdere nacht veelvuldig telefonisch contact heeft gezocht met het politiekantoor en, toen hij de gewenste persoon niet aan de lijn kreeg, in dronken toestand verhaal is komen halen op het politiekantoor, waar de verweerders zijn toestand hebben ingeschat als openbare dronkenschap en hem in samenspraak met hun hiërarchisch overste bestuurlijk hebben aangehouden, zonder dat daarbij geweld blijkt te zijn gebruikt. Anderdeels oordeelt het arrest onder meer als volgt: - de eiser voert aan dat het onderzoek ook na het bijbrengen van de camerabeelden nog steeds niet ernstig wordt gevoerd omdat er slechts beperkte beelden van drie camera's werden gevoegd, er niet werd vastgesteld of er nog andere camera's aanwezig zijn in en rond het gebouw, onder meer op de parking, dat bepaalde beelden niet kunnen worden afgespeeld, dat er werd geknipt in de beelden waardoor kennelijk bepaalde beelden ontbreken, dat er niet werd onderzocht wie toegang had tot de beelden en op grond van welke criteria er daarin werd geknipt en dat de loutere overhandiging van de beelden door een vertegenwoordiger van de politiezone S-N. aan de inspecteur van de Algemene Inspectie niet volstaat, te meer daar de verweerders gedurende jaren toegang konden nemen tot de systemen van de politiezone S-N.; - de eiser maakt zijn beweringen dat ook op de parking aan het politiekantoor camera's aanwezig zijn, dat er geknipt werd in de beelden en dat de verweerders toegang konden nemen tot de camerasystemen van de politiezone S-N. geenszins aannemelijk. Dat van de tientallen camerabeelden zes camerabeelden omwille van technische redenen niet meer kunnen worden afgespeeld, brengt niet met zich mee dat het verzamelen van bewijselementen en de waarheidsvinding, onder meer door het onderzoek van de tientallen andere camerabeelden, onmogelijk wordt gemaakt; - er moeten slechts die onderzoekshandelingen worden gesteld die gelet op de concrete omstandigheden redelijkerwijze kunnen leiden tot het verzamelen van bewijselementen, het aan het licht brengen van de waarheid en de identificatie en bestraffing van de verantwoordelijken; - de beelden werden niet zomaar door een vertegenwoordiger van de politiezone S-N. overhandigd aan de Algemene Inspectie, maar wel door de dienst intern toezicht van de politiezone S-N. en meer bepaald door een onpartijdig blijkende commissaris van deze dienst; - de eiser legt geen enkel stuk voor waaruit enige lichamelijke schade opgelopen in de nacht van 29 op 30 oktober 2016 blijkt; - op grond van de beschreven concrete omstandigheden kan niet worden aangenomen dat verder onderzoek, eventueel met een deskundige, van en naar de camerabeelden redelijkerwijze zal leiden tot nadere waarheidsvinding, te meer de eiser geenszins aannemelijk maakt dat er zich nog andere camera's bevinden in en rond het commissariaat en er geknipt werd in de beelden; - het onderzoek is volledig en laat toe om te oordelen. 7. Op grond van die redenen, waaruit blijkt dat er naar het oordeel van de appelrechters redelijkerwijze geen voor de waarheidsvinding nuttige bewijsgegevens meer kunnen worden achterhaald, kan het arrest wettig oordelen dat het onderzoek naar de door de eiser aangeklaagde feiten van politiegeweld en wederrechtelijke vrijheidsberoving op een effectieve en grondige wijze is gevoerd en vervolgens oordelen zoals in het middel is aangegeven. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 113,71 euro, waarvan 78,71 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 2 januari 2024 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240102.2N.3 Gerelateerde publicatie(
  2. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240625.2N.28 precedenten: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221129.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.