id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20
Art. 8
.4, eerste lid - 29 ELI link Pub nr 2019A12168 Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Burgerlijk Wetboek - Boek 8:
Art. 8
.4, eerste lid - 29 ELI link Pub nr 2019A12168 Thesaurus CAS: LASTGEVING Wettelijke bepalingen: Burgerlijk Wetboek - Boek 8:
Art. 8
.4, eerste lid - 29 ELI link Pub nr 2019A12168 Thesaurus CAS: VERBINTENIS Wettelijke bepalingen: Burgerlijk Wetboek - Boek 8:
Art. 8.4, eerste lid - 29 ELI link Pub nr 2019A12168 Tekst van de beslissing Nr.
C.23.0139.N H.V., eiser, vertegenwoordigd door mr. Martin Lebbe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1060 Brussel, Jourdanstraat 31, waar de eiser woonplaats kiest, tegen M.H., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 21 december
- Advocaat-generaal Els Herregodts heeft op 11 december 2023 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Krachtens artikel 8.4, eerste lid, Burgerlijk Wetboek moet hij die meent een ander in rechte te kunnen aanspreken, de rechtshandelingen of feiten bewijzen die daaraan ten grondslag liggen. Krachtens het tweede lid moet hij die beweert bevrijd te zijn, de rechtshandelingen of feiten bewijzen die zijn bewering ondersteunen. Uit deze bepaling volgt dat de schuldeiser het bestaan van een contractuele verbintenis moet bewijzen en dat, eens dit bewijs is geleverd, het aan de schuldenaar die beweert dat hij de verbintenis heeft uitgevoerd, toekomt om daarvan het bewijs te leveren. Wanneer bijgevolg de lastgever aanvoert dat de lasthebber de opdracht niet heeft uitgevoerd en hij terugbetaling vordert van de gelden die hij aan de lasthebber ter beschikking heeft gesteld om de opdracht uit te voeren, komt het aan de lasthebber toe om het bewijs te leveren dat hij de opdracht heeft uitgevoerd.
- De eiser heeft voor de appelrechter aangevoerd dat hij aan de verweerder een bedrag van 65.000 euro heeft overhandigd met het oog op het bouwen van huizen in Kosovo, dat de verweerder de opdracht niet heeft uitgevoerd en de gelden voor eigen rekening heeft aangewend en dat hij dan ook gehouden is tot terugbetaling van het bedrag van 65.000 euro.
- De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - beide partijen het erover eens zijn dat het hun gemeenschappelijke bedoeling was om een lastgevingsovereenkomst te sluiten; - de kwalificatie als lastgeving impliceert dat de verweerder de van de eiser ontvangen gelden diende aan te wenden om in naam en voor rekening van de eiser een woning te laten bouwen; - de vraag is of de verweerder al dan niet tekortgeschoten is bij de uitvoering van zijn verbintenissen uit de lastgevingsovereenkomst; - de eiser dient aan te tonen dat de verweerder de overhandigde gelden niet heeft aangewend voor het beoogde doel; - dergelijke stukken evenwel niet voorliggen; - de verweerder zelf bewijsstukken voorlegt die volgens hem aantonen dat hij 50.000 euro heeft overhandigd aan een aannemer, maar dat deze gelden vervolgens geen aanleiding hebben gegeven tot het verhoopte resultaat maar integendeel tot gerechtelijke procedures tussen deze aannemer en de promotor van een Kosovaars bouwproject; - de bewijswaarde van deze stukken volgens de eiser zeer onbetrouwbaar is aangezien de verweerder onder één hoedje zou spelen met de aannemer om hem zijn gelden afhandig te maken; - dergelijk scenario mogelijk overeenstemt met de werkelijkheid maar geenszins vaststaat; - wat er ook van zij, de bewijslast bij de eiser berust en hij bijgevolg moet bewijzen dat hij werd bedrogen; - sommige elementen van het dossier weliswaar indicaties opleveren van kwade trouw in hoofde van de verweerder, maar andere elementen tegelijk wijzen op de even aannemelijke these dat de verweerder het nodige heeft gedaan om zijn opdracht te volbrengen maar dat juridische problemen in Kosovo de oorzaak zijn van het feit dat de verweerder de woning in Kosovo nog niet heeft verkregen; - onmogelijk met zekerheid kan worden uitgemaakt welke van de door de partijen geponeerde voorstellingen van de feiten de correcte en ware is, zodat de twijfel dient te werken ten nadele van degene die de bewijslast en bewijsrisico draagt, namelijk de eiser.
- Door aldus de bewijslast van de uitvoering van de verbintenis uit de lastgevingsovereenkomst bij de eiser te leggen, schendt de appelrechter artikel 8.4, tweede lid, Burgerlijk Wetboek. Het middel is gegrond. (…) Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg en Myriam Ghyselen, en in openbare rechtszitting van 4 januari 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Els Herregodts, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240104.1N.5 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240104.1N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div