id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240104.1N.6 Rolnummer: C.21.0525.N Zaak: ARCHITECTS IN MOTION bv contra GEMEENTE LILLE Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Overige Invoerdatum: 2024-01-29 Raadplegingen: 778 - laatst gezien 2026-06-18 18:25 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR Fiches 1 - 2 Het Hof van Cassatie is in beginsel gehouden zelf een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof over de schending, door de wet, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, wanneer de appelrechters dit hebben geweigerd en de eiser in zijn cassatiemiddel niet alleen de afwijzing van zijn vraag aanvecht maar tevens de beslissing bekritiseert over het geschil zelf dat voor hem de grond oplevert tot het opwerpen van een prejudiciële vraag. Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: Prejudiciële vraag - Gehoudenheid van het Hof van Cassatie om een prejudiciële vraag te stellen - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, §§ 1 en 2, eerste en derde lid - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Vrije woorden: Grondwettelijk Hof - Gehoudenheid van het Hof van Cassatie om een prejudiciële vraag te stellen - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, §§ 1 en 2, eerste en derde lid - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Fiche 3 Gezien de vraag rijst of de wetgever bij verlenging van de verjaringstermijn en de andere termijnen om in rechte op te treden op grondwettig toegelaten wijze een onderscheid heeft gemaakt tussen enerzijds de rechtzoekende die een vervaltermijn moet naleven bij het instellen van een vordering, en anderzijds degene die een vervaltermijn moet naleven bij het instellen van een rechtsmiddel, bestaat er grond om het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 Vrije woorden: Artikel 11 - Covid-19 pandemie - Volmachtenbesluit - KB nr. 2 - Al dan niet verlenging van vervaltermijnen - Mogelijke schending van het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel - Prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10 en 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 KB nr. 2 van 9 april 2020 met betrekking tot de verlenging van de verjaringstermijnen en de andere termijnen om in rechte te treden, alsmede de verlenging van de termijnen van de rechtspleging en de schriftelijke behandeling voor de hoven en rechtbanken - 2 - 09-04-2020 - Art. 1, §§ 1 en 2, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 2020030581 Nota: Art. 1, §§ 1 en 2, eerste lid, KB nr. 2 van 9 april 2020, zoals gewijzigd door het Koninklijk Besluit van 28 april 2020, bekrachtigd bij wet van 24 december 2020. Tekst van de beslissing Nr. C.21.0525.N ARCHITECTS IN MOTION bv, met zetel te 2300 Turnhout, Parklaan 146, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0414.377.664, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, bij wie de eiseres woonplaats kiest, tegen 1. GEMEENTE LILLE, vertegenwoordigd door haar College van burgemeester en schepenen, met zetel te 2275 Lille, Rechtestraat 44, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0207.502.794, 2. AUTONOOM GEMEENTEBEDRIJF LILLE, met zetel te 2275 Lille, Rechtestraat 44, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0879.926.689, verweersters, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, bij wie de verweersters woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 14 september 2021. Het Hof heeft bij arrest van 7 oktober 2022 een prejudiciële vraag gesteld aan het Grondwettelijk Hof. Bij arrest van 16 februari 2023 heeft het Grondwettelijk Hof deze vraag beantwoord. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat is opgenomen in het arrest van het Hof van 7 oktober 2022, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Derde onderdeel 1. In voormeld arrest van 7 oktober 2022 verwierp het Hof het eerste en tweede onderdeel en stelde aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag: "Schenden artikel 1, § 1 en § 2, eerste lid van het Koninklijk Besluit nr. 2 van 9 april 2020 met betrekking tot de verlenging van de verjaringstermijnen en de andere termijnen om in rechte te treden, alsmede de verlenging van de termijnen van de rechtspleging en de schriftelijke behandeling voor de hoven en rechtbanken, zoals gewijzigd door het Koninklijk Besluit van 28 april 2020 tot verlenging van sommige maatregelen genomen bij het Koninklijk Besluit nr. 2 van 9 april 2020 met betrekking tot de verlenging van de verjaringstermijnen en de andere termijnen om in rechte te treden, alsmede de verlenging van de termijnen van de rechtspleging en de schriftelijke behandeling voor de hoven en rechtbanken, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat deze bepalingen tot gevolg hebben dat de vervaltermijn om een vordering in rechte in te stellen bij een burgerlijk gerecht die verstrijkt vanaf 4 mei 2020 tot en met 17 mei 2020, van rechtswege wordt verlengd tot 17 juni 2020, terwijl de vervaltermijn om een rechtsmiddel in de zin van artikel 21 van het Gerechtelijk Wetboek aan te wenden die verstrijkt in diezelfde periode, niet van rechtswege wordt verlengd?" 2. Het Grondwettelijk Hof heeft bij arrest van 16 februari 2023 deze vraag bevestigend beantwoord en heeft voor recht gezegd dat artikel 1 van het Koninklijk Besluit van 28 april 2020 tot verlenging van sommige maatregelen genomen bij het Koninklijk Besluit nr. 2 van 9 april 2020 met betrekking tot de verlenging van de verjaringstermijnen en de andere termijnen om in rechte te treden, alsmede de verlenging van de termijnen van de rechtspleging en de schriftelijke behandeling voor de hoven en rechtbanken, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt in zoverre die bepaling niet geldt voor wat betreft de toepassing van artikel 1, § 2, van voormeld koninklijk besluit nr. 2 van 9 april 2020. 3. Door te oordelen dat "het door [de eiseres] gehekeld onderscheid in het K.B. van 28 april wat betreft de verlenging van de termijnen zoals bepaald in het K.B. nr.2 van 9 april 2020 klaarblijkelijk de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt" en vervolgens het door de eiseres ingesteld hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, verantwoordt de appelrechter zijn beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg en Myriam Ghyselen, en in openbare rechtszitting van 4 januari 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Els Herregodts, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221007.1N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.