← België

CannIbite contra B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240108.3N.3 Rolnummer: C.23.0155.N Zaak: CannIbite contra B. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2024-01-30 Raadplegingen: 1283 - laatst gezien 2026-06-18 20:14 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche Een aangifte van schuldvordering gedaan na de verzending van het ontwerp van verdeling moet als laattijdig worden beschouwd en komt bijgevolg niet meer in aanmerking, behoudens in geval van overmacht of goede trouw van de schuldeiser; de aangifte moet in die gevallen uiterlijk plaatsvinden vóór het verstrijken van de termijn om tegenspraak te voeren tegen het ontwerp van verdeling. Thesaurus CAS: BESLAG - GEDWONGEN TENUITVOERLEGGING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1627 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1629 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. C.23.0155.N CANNIBITE bv, met zetel te 2640 Mortsel, Prins Leopoldlei 12, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0560.771.945, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen

  1. M.B., met keuze van woonplaats bij mr. Florian Van Steenberge, advocaat, met kantoor te 1030 Schaarbeek, Auguste Reyerslaan 46,
  2. V.S.,
  3. CRELAN nv, met zetel te 1070 Anderlecht, Sylvain Dupuislaan 251, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0205.764.318,
  4. C.M., I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 23 januari
  5. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 7 november 2023 verwezen naar de derde kamer. Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  6. Overeenkomstig de artikelen 1627 en volgende Gerechtelijk Wetboek verzoekt de gerechtsdeurwaarder de schuldeisers die beslag of verzet hebben gedaan, aangifte te doen van hun schuldvordering. De gerechtsdeurwaarder gaat vervolgens over tot het opmaken van een ontwerp van verdeling. Hij zendt dit ontwerp aan de schuldeisers die daarvan verwittigd werden of hun schuldvordering hebben ingediend. Na het verstrijken van de termijn van vijftien dagen voor het voeren van tegenspraak wordt geen verzet meer aanvaard, noch in handen van de gerechtsdeurwaarder, noch voor de rechter.
  7. Een aangifte gedaan na de verzending van het ontwerp van verdeling moet als laattijdig worden beschouwd en komt bijgevolg niet meer in aanmerking, behoudens in geval van overmacht of goede trouw van de schuldeiser. De aangifte moet in die gevallen uiterlijk plaatsvinden vóór het verstrijken van de termijn om tegenspraak te voeren tegen het ontwerp van verdeling.
  8. Uit de stukken waarop het Hof kan acht slaan, blijkt dat: - de eerste verweerder op 7 augustus 2020 lastens de tweede verweerster uitvoerend beslag onder derden heeft laten leggen in handen van ING België nv en de derde verweerster; - het uitvoerend beslag onder derden op 13 augustus 2020 aan de tweede verweerster werd aangezegd; - de vierde verweerder op 21 april 2021 een ontwerp van verdeling heeft opgemaakt en verstuurd; - een bijzonder gevolmachtigde op 30 april 2021 namens de eiseres aangifte van schuldvordering heeft gedaan.
  9. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - gelet op de specifieke en verder toegelichte feitelijke omstandigheden van deze zaak de aangifte als laattijdig moet worden beschouwd; - de tweede verweerster de oprichter en onrechtstreeks ook de enige vennoot is van de eiseres en sinds 21 augustus 2014 daarvan ook de enige bestuurder is; - hierdoor mag worden aangenomen dat de eiseres, die bovendien geen werknemers heeft, via haar orgaan, de tweede verweerster, reeds sedert 13 augustus 2020 op de hoogte moet zijn geweest van het beslag; - de eiseres, zelfs al was zij door de vierde verweerder niet als schuldeiser aangeschreven, het bestaan van haar vordering reeds binnen een redelijke periode na het beslag aan de vierde verweerder had kunnen meedelen en niet pas ettelijke maanden later wanneer reeds een ontwerp van evenredige verdeling was opgesteld; - uit geen enkel element af te leiden valt dat de gerechtsdeurwaarder wist dat de eiseres door de tweede verweerster werd bestuurd en over een schuldvordering beschikte; - uit de balans en resultatenrekening per 31 december 2020 van de eiseres af te leiden valt dat haar voornaamste actief neerkomt op een batige rekening-courantverhouding op de tweede verweerster en op andere door haar gecontroleerde vennootschappen en dat tal van kosten worden geboekt zonder dat hier wezenlijke inkomsten uit normale economische activiteiten tegenover staan; - de tweede verweerster als bestuurder van de eiseres bewust ervoor geopteerd heeft om gedurende maanden te wachten met het melden van de vordering van de eiseres op haarzelf tot op het ogenblik dat zij vermoedde of waarschijnlijk te weten was gekomen dat de vierde verweerder een ontwerp van verdeling had opgemaakt; - het opmerkelijk is dat het schrijven waarin voor het eerst van deze schuldvordering melding wordt gemaakt, dateert van precies de dag na het opstellen van dit ontwerp; - de tegenspraak geen voorwendsel mag zijn om schuldvorderingen bewust laattijdig in te dienen om zo de evenredige verdeling te vertragen of te beperken ten nadele van andere schuldeisers.
  10. Met deze redenen, waarmee de appelrechters te kennen geven dat de eiseres bij de aangifte van haar schuldvordering niet te goeder trouw heeft gehandeld verantwoorden zij naar recht hun beslissing dat geen rekening kan worden gehouden met deze laattijdige aangifte. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 719,23 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 8 januari 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240108.3N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.