← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240109.2N.10 Rolnummer: P.23.1603.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2024-01-15 Raadplegingen: 534 - laatst gezien 2026-06-15 06:09 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Wanneer een beklaagde wordt veroordeeld voor de feiten van twee telastleggingen tot één minimumgeldboete ingevolge eenheid van opzet dan is het cassatiemiddel dat impliceert dat de beklaagde had moeten worden veroordeeld tot afzonderlijke geldboeten en dus tot een zwaardere bestraffing bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - STRAFZAKEN - Belang Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 65 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 65 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.23.1603.N Ch. V., beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Geert Ampe, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8400 Oostende, Kerkstraat 38, waar de eiseres woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 29 september

  1. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, artikel 14.2 IVBPR, artikel 149 Grondwet en artikel 65 Strafwetboek, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het vermoeden van onschuld en het recht van verdediging met inbegrip van het recht op tegenspraak: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat er eenheid van opzet is tussen de feiten omschreven onder de telastleggingen A en B; het vermoeden van onschuld wordt miskend door op basis van algemene wetenschappelijke bijdragen te beslissen tot die eenheid van opzet; het bestreden vonnis laat na te motiveren uit welk dossiergegeven het afleidt dat de intoxicatie een noodzakelijke voorwaarde was voor het ongeval; de loutere verwijzing naar wetenschappelijke bijdragen kan niet afdoende motiveren dat er een causaal verband is tussen de intoxicatie en het in slaap vallen met het ongeval als gevolg; elk geval moet individueel worden beoordeeld; het oordeel van de appelrechters houdt in dat een ongeval door een geïntoxiceerde altijd het gevolg van een intoxicatie is; dit oordeel werd ook niet aan de tegenspraak van partijen onderworpen; evenmin kan worden aangenomen dat de eiseres een onervaren bestuurster is aangezien zij volgens het strafdossier sinds 21 februari 2006 over een rijbewijs beschikt en zij een blanco strafregister heeft, ook in het verkeer; het bestreden vonnis is niet regelmatig met redenen omkleed en niet naar recht verantwoord.
  3. Het bestreden vonnis veroordeelt de eiseres voor de feiten omschreven onder de telastleggingen A en B tot één straf en dat is de minimumgeldboete waarin artikel 34, § 2, 1°, Wegverkeerswet voorziet voor het feit omschreven onder de telastlegging A.
  4. Het middel impliceert dat het bestreden vonnis de eiseres had moeten veroordelen tot afzonderlijke geldboeten voor de feiten omschreven onder de telastleggingen A en B en haar dus een zwaardere bestraffing had moeten opleggen. Het middel is bijgevolg bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  5. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 64,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 9 januari 2024 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240109.2N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.