← België

B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240109.2N.15 Rolnummer: P.23.1795.N Zaak: B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2024-01-15 Raadplegingen: 632 - laatst gezien 2026-06-15 06:09 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Uit de bepalingen van artikel 16, § 2, vijfde en zesde lid, Voorlopige Hechteniswet, volgt niet dat indien de onderzoeksrechter de verdachte heeft meegedeeld dat tegen hem een bevel tot aanhouding kan worden uitgevaardigd hij de verdachte en de raadsman afzonderlijk naar hun opmerkingen moet vragen betreffende de mogelijkheid dat een bevel tot aanhouding kan worden uitgevaardigd zodat het volstaat dat de onderzoeksrechter dit vraagt aan de verdachte zelf, wat dan zowel de verdachte als de aanwezige raadsman de mogelijkheid biedt om elk hun opmerkingen over een eventuele aanhouding te formuleren; evenmin volgt uit die bepalingen dat indien de verdachte en de raadsman hun opmerkingen beperken tot de wijze waarop het verhoor is verlopen, de onderzoeksrechter hen opnieuw en uitdrukkelijk naar hun opmerkingen moet vragen betreffende een eventueel uit te vaardigen bevel tot aanhouding aangezien zij die mogelijkheid reeds hebben gehad. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - BEVEL TOT AANHOUDING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 2, vijfde en zesde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSRECHTER Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 2, vijfde en zesde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.23.1795.N M. A. B., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Jürgen Millen, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 26 december

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 5.4 EVRM en artikel 16, § 2, vijfde lid, Voorlopige Hechteniswet: het arrest oordeelt ten onrechte dat de onderzoeksrechter bij het verlenen van het bevel tot aanhouding artikel 16, § 2, vijfde lid, Voorlopige Hechteniswet heeft nageleefd; aan de raadsman van de verdachte moet de mogelijkheid worden geboden standpunt in te nemen over de mogelijkheid om een bevel tot aanhouding uit te vaardigen, wat niet is gebeurd; de raadsman heeft enkel opmerkingen geformuleerd betreffende het verhoor; het proces-verbaal van verhoor is tegenstrijdig voor wat betreft het formuleren van opmerkingen betreffende het verhoor; door de raadsman van de eiser niet de gelegenheid te geven opmerkingen te formuleren betreffende het uitvaardigen van een bevel tot aanhouding heeft de onderzoeksrechter een schijn van partijdigheid gewekt; hoewel de Voorlopige Hechteniswet niet uitdrukkelijk dit verzuim sanctioneert, volgt uit artikel 5.4 EVRM dat die onregelmatigheid tot de onmiddellijke invrijheidstelling van de eiser moet leiden.
  3. Uit artikel 16, § 2, vijfde lid, Voorlopige Hechteniswet volgt dat de onderzoeksrechter bij het verhoor van de verdachte als bedoeld door het eerste lid van die bepaling de verdachte moet meedelen dat tegen hem een aanhoudingsbevel kan worden uitgevaardigd en dat hij de verdachte en voorkomend geval zijn raadsman in hun opmerkingen moet horen. Volgens artikel 16, § 2, zesde lid, Voorlopige Hechteniswet worden al deze gegevens vermeld in het proces-verbaal van verhoor.
  4. Uit die bepaling volgt niet dat indien de onderzoeksrechter de verdachte heeft meegedeeld dat tegen hem een bevel tot aanhouding kan worden uitgevaardigd: - hij de verdachte en de raadsman afzonderlijk naar hun opmerkingen moet vragen betreffende de mogelijkheid dat een bevel tot aanhouding kan worden uitgevaardigd. Het volstaat dat de onderzoeksrechter dit vraagt aan de verdachte zelf, wat dan zowel de verdachte als de aanwezige raadsman de mogelijkheid biedt om elk hun opmerkingen over een eventuele aanhouding te formuleren; - en de verdachte en de raadsman hun opmerkingen beperken tot de wijze waarop het verhoor is verlopen, de onderzoeksrechter hen opnieuw en uitdrukkelijk naar hun opmerkingen moet vragen betreffende een eventueel uit te vaardigen bevel tot aanhouding. Zij hebben die mogelijkheid immers gehad. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  5. Uit het proces-verbaal van verhoor van de verdachte door de onderzoeksrechter blijkt wat volgt: - de onderzoeksrechter heeft de eiser ingelicht over zijn rechten; - hij heeft hem een beknopte omschrijving gegeven van de feiten waarover het verhoor zou gaan; - de eiser heeft vervolgens een verklaring afgelegd; - het verhoor werd onderbroken voor een bijkomend vertrouwelijk overleg tussen de eiser en zijn raadsman; - daarna werd het verhoor verder gezet; - de onderzoeksrechter heeft daarop de eiser in verdenking gesteld en hem daarvan kennis gegeven; - de onderzoeksrechter heeft vervolgens aan de eiser meegedeeld dat tegen hem een aanhoudingsbevel omtrent deze feiten kon worden uitgevaardigd; - de eiser heeft daarop geantwoord: “Ik heb geen idee. Ik wil graag onder elektronisch toezicht geplaatst worden”; - de raadsman van de eiser heeft daarop twee opmerkingen geformuleerd: “Eerste opmerking wenst hij te melden dat [de eiser] niet in de mogelijkheid is geweest een gesprek te voeren. Tweede opmerking dat het beroepen op zijn zwijgrecht niet betekend dat hij niks wilt zeggen. Hij is medisch niet in staat om zich zaken te herinneren”; - daarna heeft onderzoeksrechter gevraagd of de verklaringen van de eiser dienden te worden verbeterd of aangevuld; - vervolgens heeft de onderzoeksrechter de eiser meegedeeld dat hij werd aangehouden op grond van de vermelde feiten; - na het afsluiten van het verhoor heeft de raadsman van de eiser meegedeeld geen opmerkingen te formuleren over het verhoor, maar verzocht hij om een elektronisch toezicht, nadat de eiser in kennis werd gesteld van het feit dat hij werd aangehouden.
  6. Daaruit volgt dat de onderzoeksrechter de eiser, in aanwezigheid van zijn raadsman, heeft meegedeeld dat tegen hem een bevel tot aanhouding kon worden uitgevaardigd, dat zowel de eiser als zijn raadsman daarop hebben gereageerd en dat hun opmerkingen werden genoteerd in het proces-verbaal van verhoor, waarna de onderzoeksrechter de eiser heeft meegedeeld dat hij werd aangehouden.
  7. In zoverre het middel aanvoert dat de onderzoeksrechter de beslissing tot aanhouding heeft genomen zonder dat de raadsman van de eiser de gelegenheid had om daarover opmerkingen te maken, mist het feitelijke grondslag.
  8. De aangevoerde schending van artikel 5.4 EVRM is afgeleid uit die onjuiste lezing van het proces-verbaal van verhoor. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  9. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 61,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 9 januari 2024 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240109.2N.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.