← België

J. contra V.

Obsah (7)Art. 127Art. 135Art. 223Art. 159Art. 191Art. 212Art. 240

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 127

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 135

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 223

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 127

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 135

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 223

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 127

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 135

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 223

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 4 - 7 Uit artikel 6 EVRM volgt dat het onderzoeksgerecht dat zich heeft uit te spreken over de regeling van de rechtspleging, de partijen de voornaamste redenen moet laten kennen die hebben geleid tot de beslissing om de vraag tot bijkomend onderzoek af te wijzen; dit betekent echter niet dat het onderzoeksgerecht dient te antwoorden op elk detail in de conclusie van een burgerlijke partij die strekt tot het bevelen van bijkomend onderzoek

(1).
(1)Cass. 5 november 2019, AR P.19.0530.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191105.4, AC 2019, nr. 571. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regeling van de rechtspleging Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 127

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 135

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 223

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 127

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 135

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 223

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 127

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 135

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 223

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 127

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 135

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 223

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 8 - 13 Het indienen van een klacht met burgerlijke partijstelling en het instellen van hoger beroep tegen een beschikking tot buitenvervolgingstelling door een burgerlijke partij kan een tergend en roekeloos karakter vertonen wanneer die partij de bedoeling heeft de inverdenkinggestelde nadeel te berokkenen of wanneer zij haar recht om dit rechtsmiddel aan te wenden, uitoefent op een wijze die kennelijk de grenzen van de normale uitoefening ervan door een bedachtzaam en zorgvuldig persoon te buiten gaat; de rechter oordeelt onaantastbaar, op grond van het geheel van de omstandigheden van de zaak, of er sprake is van procesrechtsmisbruik en het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen naar recht het bestaan van procesrechtsmisbruik heeft kunnen afleiden

(1).
(1)Cass. 20 december 2017, AR P.17.0426.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171220.7, AC 2017, nr. 722. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Burgerlijke rechtsvordering (bijzondere regels) Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 159

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 191

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 212

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 240

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 159

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 191

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 212

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 240

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regeling van de rechtspleging Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 159

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 191

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 212

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 240

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 159

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 191

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 212

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 240

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTSMISBRUIK Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 159

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 191

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 212

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 240

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 159

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 191

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 212

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 240- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.

P.23.1380.N A. J., burgerlijke partij, eiser, met als raadsman mr. Dries Pattyn, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, tegen W. B. V., inverdenkinggestelde, verweerder, met als raadsman mr. Reinhard Van Hecke, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 11 september

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede middel Eerste onderdeel
  2. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 127, 135 en 223 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 193, 194, 196, 197, 210bis en 213 Strafwetboek: het arrest stelt de verweerder buiten vervolging wegens valsheid in geschriften, gebruik van valse stukken en valsheid in informatica (telastleggingen B, C en G); het beantwoordt niet eisers verweer in verband met de waarheidsvermomming, namelijk dat de evaluatie van de eiser is herleid van “uitzonderlijk” naar “voldoet aan de verwachtingen” omwille van beleidsmatige redenen die niets te maken hadden met de beoordeling van eisers prestaties; met het oordeel dat er geen aanwijzingen zijn dat de verweerder handelde met bedrieglijk opzet, onderzoekt het arrest evenmin of de verweerder heeft gehandeld met de bedoeling om te schaden en beantwoordt het niet eisers verweer daarover.
  3. In zijn appelsyntheseconclusie, zoals aangehaald in het onderdeel, heeft de eiser een geheel van feitelijke gegevens aangevoerd waaruit in essentie moet blijken dat de aanpassing van zijn evaluatie door de verweerder niet was gesteund op een beoordeling van zijn prestaties, maar op het uitgangspunt dat er te veel evaluaties “uitzonderlijk” werden gegeven. De eiser heeft echter niet specifiek geargumenteerd over het feit dat de verweerder zou hebben gehandeld met het oogmerk om te schaden. Het bestaan van dergelijke argumentatie volgt niet uit de enkele vermelding in eisers appelsyntheseconclusie (p. 34) dat: “De evaluaties arbitrair, bedrieglijk en met het oogmerk te schaden [werden] gewijzigd”. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
  4. In zijn syntheseconclusie voor de raadkamer (p. 2-3) heeft de verweerder onder meer uiteengezet dat: - in de ICT-applicatie “Crescendo”, waarlangs alle evaluaties van het federaal openbaar ambt verlopen, de verweerder als directeur slechts volgende zaken kan ingeven: ofwel akkoord gaan met het voorstel tot evaluatie door het evaluatieformulier samen met evaluator en geëvalueerde te ondertekenen, ofwel niet-akkoord gaan met het voorstel door in de applicatie de knop “niet akkoord” in te drukken, eventueel met ingave van een korte tekst, waarna dit evaluatieformulier naar het diensthoofd/evaluator wordt teruggestuurd. Voor het overige kan de directeur niets opladen, verwijderen of manipuleren; - het dossier de schermafdruk uit de applicatie bevat waarmee de verweerder zijn “niet akkoord” met de evaluatie van de eiser meedeelde. Deze schermafdruk vermeldt ook de tekst van de verweerder voor de automatische e-mail naar de eiser. Dit is de enige tussenkomst van de verweerder in de applicatie; - nadien de evaluator, via de applicatie, “ambtshalve” de standaard-eindvermelding van “voldoet aan de verwachtingen” heeft toegekend, wat resulteerde in een tweede en definitief evaluatieformulier dat door de evaluator werd ondertekend via eID. Dit is, anders dan de eiser aanvoert, niet de digitale handtekening van de verweerder, die als directeur enkel kan tekenen in het vak “Hiërarchie" en niet in het vak “Hiërarchische meerdere”; - elke beschuldiging omtrent enige vervalsing aan het adres van de verweerder dan ook elke grondslag mist. Met verwijzing naar die uiteenzetting heeft de beroepen beschikking, waarvan het arrest de redenen overneemt via de vordering van het openbaar ministerie, beslist tot een gebrek aan bezwaren, alsook geoordeeld als volgt: “Naar het oordeel van de raadkamer wees het gerechtelijk onderzoek immers uit dat de stellingen en argumenten van [de eiser] (…) allen onvoldoende geobjectiveerde beweringen en/of subjectieve interpretaties van feiten of procedures betreffen die enerzijds lijken ingegeven door frustraties van [de eiser] ten aanzien van zijn hiërarchisch overste en zijn situatie op de werkvloer en anderzijds lijken ingegeven door een onjuiste invulling en kennis van de te volgen regels bij de evaluatieprocedure. (…) Naast de afwezigheid van afdoende bezwaren met betrekking tot de materialiteit van de ten laste gelegde feiten, stelt de raadkamer ten overvloede vast dat uit het gerechtelijk onderzoek sowieso ook nergens aanwijzingen van enig bedrieglijk opzet in hoofde van [de verweerder] blijken.” Daarnaast leidt het arrest (nr. 4.2, p. 7-8) uit de feiten die het bijkomend vaststelt af wat volgt: “[De eiser] zaait voortdurend verwarring over de digitale weg van evaluatie en de papieren weg. Uit het strafdossier blijkt nochtans duidelijk dat [de verweerder] op een wettelijke wijze de evaluatie van [de eiser] digitaal afhandelde. Met de papieren versie van die evaluatie heeft [de verweerder] niets te maken. Dat de papieren weg anders zou verlopen zijn dan de digitale weg is niet te wijten aan [de verweerder]. Er is in hoofde van [de verweerder] geen enkel bezwaar voor enige valsheid die zou gepleegd zijn in voormelde evaluatieprocedure.” Vervolgens beslist het arrest (ro 4.2 en 4.3, p. 8), na te hebben geoordeeld dat er evenmin bezwaren voorhanden zijn voor de telastleggingen pesten op het werk, belaging of knevelarij, dat “Gelet op de bovenstaande overwegingen de buitenvervolgingstelling van [de verweerder] voor voormelde feiten, voorwerp van de tenlasteleggingen A, B, C, D, E, F en G, [dient] te worden bevestigd.”
  5. Met die redenen onderzoeken de appelrechters wel degelijk het voorhanden zijn van een waarheidsvermomming en van een bedrieglijk opzet bij de verweerder als constitutieve bestanddelen van de door de eiser aangeklaagde valsheid, beantwoorden zij eisers argumentatie en verantwoorden zij hun beslissing naar recht. De enkele omstandigheid dat het arrest niet uitdrukkelijk vermeldt dat de verweerder niet heeft gehandeld met het oogmerk om de eiser te schaden, doet daaraan geen afbreuk. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  6. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces: met de redenen die het bevat en die enkel bestaan uit een overname van de redenen van de vordering van het openbaar ministerie, vermeldt het arrest niet de voornaamste redenen op grond waarvan het beslist dat er geen aanwijzingen zijn dat de evaluaties “uitzonderlijk" arbitrair en met het oogmerk om te schaden werden gewijzigd en stelt het de eiser niet in staat de beslissing tot buitenvervolgingstelling te begrijpen.
  7. Uit artikel 6.1 EVRM volgt niet dat het onderzoeksgerecht dat te oordelen heeft over de regeling van de rechtspleging, verplicht is om te antwoorden op elk detail in de conclusie van een burgerlijke partij over de bezwaren. Het volstaat dat het onderzoeksgerecht de partijen de voornaamste redenen laat kennen die hebben geleid tot de beslissing tot buitenvervolgingstelling. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  8. Met de redenen die blijken uit het antwoord op het eerste onderdeel vermeldt het arrest de voornaamste redenen voor de buitenvervolgingstelling van de verweerder en laat het de eiser toe de beslissing te begrijpen, zonder dat het in het bijzonder moet ingaan op eisers argumentatie over het beweerde arbitraire karakter van de handelwijze van de verweerder. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Eerste middel Eerste onderdeel
  9. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 127, 135, 223 en 228, 1°, Wetboek van Strafvordering: het arrest beslist dat het onderzoek volledig werd gevoerd en er geen aanvullende onderzoekshandelingen zijn vereist; het preciseert echter niet de gegevens waarop het die beslissing steunt; aldus beantwoordt het arrest niet eisers appelsyntheseconclusie, waarin hij vroeg om via de logbestanden na te gaan wie de elektronisch geregistreerde evaluatie “voldoet aan de verwachtingen” elektronisch heeft ondertekend.
  10. De kamer van inbeschuldigingstelling die uitspraak doet over de regeling van de rechtspleging is op grond van de artikelen 127, 135 en 223 Wetboek van Strafvordering ertoe gehouden te antwoorden op de conclusie van een burgerlijke partij waarin wordt gevraagd bijkomend onderzoek te bevelen. Wanneer die conclusie echter geen duidelijke, precieze en ondubbelzinnige vraag om bijkomend onderzoek inhoudt, maar enkel een suggestie daartoe, dient de kamer van inbeschuldigingstelling de verwerping ervan niet in het bijzonder motiveren, maar kan zij ermee volstaan de zaak te beoordelen op een wijze waaruit blijkt dat het bevelen van het gesuggereerde onderzoek niet vereist is. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  11. In zijn appelsyntheseconclusie (nr. 12.a, p. 7) heeft de eiser aangevoerd: “Zoals reeds vermeld in zijn conclusies van 24 januari 2024 is [de eiser] bereid om de kwestie van de logbestanden die [de verweerder] zelf heeft opgeworpen, uit te klaren middels inzageverzoek gebaseerd op de regelgeving openbaarheid van bestuur en de Algemene Verordening Gegevensbescherming bij de FOD BOSA, tenzij de K.I. deze bijkomende onderzoeksdaad alsnog beveelt via een apart arrest. Te dien einde heeft [de eiser] op 22 maart 2023 alvast twee verzoeken verzonden naar de FOD BOSA (…) ten einde de waarheid aan het licht te brengen.” Aldus bevat die conclusie enkel een suggestie en geen duidelijke, precieze en ondubbelzinnige vraag tot het bevelen van bijkomend onderzoek.
  12. Het arrest (p. 6 en p. 8) oordeelt zoals het onderdeel aangeeft, alsook zoals vermeld in het antwoord op het tweede middel. Met die redenen beantwoordt het arrest eisers conclusie en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  13. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces: met de redenen waarmee het arrest eisers verzoek tot het bevelen van aanvullende onderzoekshandelingen beantwoordt, vermeldt het niet de voornaamste redenen van de beslissing dat de zaak in staat is en geen aanvullend onderzoek vereist.
  14. Uit artikel 6 EVRM volgt dat het onderzoeksgerecht dat zich heeft uit te spreken over de regeling van de rechtspleging, de partijen de voornaamste redenen moet laten kennen die hebben geleid tot de beslissing om de vraag tot bijkomend onderzoek af te wijzen. Dit betekent echter niet dat het onderzoeksgerecht dient te antwoorden op elk detail in de conclusie van een burgerlijke partij die strekt tot het bevelen van bijkomend onderzoek. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  15. Met de redenen vermeld in het antwoord op het tweede middel laat het arrest de eiser toe de voornaamste redenen te kennen van de beslissing dat de zaak in staat is en er geen bijkomend onderzoek is vereist. Het middel kan niet worden aangenomen. Derde middel Eerste onderdeel
  16. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek, de artikelen 159, 191, 212 en 240 Wetboek van Strafvordering en artikel 51 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna Algemeen Procedurereglement Raad van State): het arrest leidt het procesrechtsmisbruik van de eiser en diens bedoeling om met zijn klacht met burgerlijkepartijstelling de verweerder nadeel te berokkenen af uit het loutere tijdsverloop tot aan de klacht, zonder bij deze beoordeling het door de eiser aangevoerde artikel 51 Algemeen Procedurereglement Raad van State te betrekken, dat de gevallen bepaalt waarin de procedure voor de Raad van State in geval van een valsheidsvordering wordt geschorst in afwachting van een uitspraak van de bevoegde rechter; aldus stelt het arrest onwettig de foutieve gedraging van de eiser vast en beantwoordt het eisers verweer niet.
  17. Het indienen van een klacht met burgerlijkepartijstelling en het instellen van hoger beroep tegen een beschikking tot buitenvervolgingstelling door een burgerlijke partij kan een tergend en roekeloos karakter vertonen wanneer die partij de bedoeling heeft de inverdenkinggestelde nadeel te berokkenen of wanneer zij haar recht om dit rechtsmiddel aan te wenden, uitoefent op een wijze die kennelijk de grenzen van de normale uitoefening ervan door een bedachtzaam en zorgvuldig persoon te buiten gaat. De rechter oordeelt onaantastbaar, op grond van het geheel van de omstandigheden van de zaak, of er sprake is van procesrechtsmisbruik. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen naar recht het bestaan van procesrechtsmisbruik heeft kunnen afleiden.
  18. Na met de redenen vermeld onder het tweede middel te hebben geoordeeld dat er geen bezwaren tegen de verweerder bestonden voor de hem door de eiser verweten feiten, oordeelt het arrest: “Dit hof (van beroep) is van oordeel dat [de eiser] zijn recht om klacht met burgerlijke partijstelling in te dienen en zijn recht om tegen de bestreden beschikking hoger beroep in te stellen wel degelijk heeft uitgeoefend op een wijze die de grenzen van de normale uitoefening ervan door een bedachtzaam en zorgvuldig persoon overschrijdt. Tevens werd het hoger beroep enkel ingesteld om [de verweerder] in zijn professionele naam of faam te schaden of een andere procedure te verstoren. (…). Uit [de] uitgebreide uiteenzetting [in de appelsyntheseconclusie van de verweerder] blijkt dat [de eiser] - goed wetende dat tal van procedures tegen [de verweerder] omtrent zijn aandeel in de evaluatieprocedure en omtrent zijn gedrag op de werkvloer als ongegrond werden afgewezen - er bewust voor koos om de strafvordering lastens [de verweerder] nominatim lichtzinnig in te stellen. Een illustratie van voormeld gedrag blijkt uit het gegeven dat [de eiser] ondanks het feit dat hij in juli 2017 reeds aandrong op het volgen van de procedure van artikel 51 van het Besluit van de Regent van 23 augustus 1948, meer concreet de gelasting van het auditoraat met het onderzoek van het tussengeschil, pas klacht voor valsheid in geschrifte neerlegde op 12 februari
  19. Op die manier kon en kan [de eiser] de procedure voor de Raad van State waarbij [de verweerder] geen partij is immers maximaal rekken. Dat daarbij de professionele naam en faam van [de verweerder] als gewestelijk afdelingsdirecteur werd geschaad, werd door [de eiser] blijkbaar als afgeleide schade aanzien. De vordering tot toekenning van een schadevergoeding van 5.000,00 euro, moreel en materieel vermengd, wegens tergend en roekeloos procederen is derhalve gegrond.”
  20. Op grond van die redenen, waarmee het arrest wel degelijk artikel 51 Algemeen Procedurereglement Raad van State in de redenering betrekt en eisers verweer over de door de verweerder ingestelde burgerlijke rechtsvordering (hierna vordering) beantwoordt, kan het arrest wettig het bestaan van procesrechtsmisbruik bij de eiser afleiden en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  21. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 135 Wetboek van Strafvordering: het arrest beantwoordt niet eisers verweer dat de beroepen beschikking de blijvende rechtsgevolgen van de valse evaluatie miskent, steunt op onjuiste rechtsopvattingen over de evaluatieprocedure en miskent het gewijsde van het tussenarrest nr. 254.384 van 2 september 2022 van de Raad van State; evenmin beantwoordt het arrest eisers verweer dat hij de beroepsprocedures tegen de vermelde evaluatie heeft uitgeput vooraleer bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring in te stellen en dat hij heeft gepoogd om zijn werkrelatie met de verweerder te normaliseren; het arrest beantwoordt verder niet eisers verweer dat de rechtsvordering tot schadevergoeding en de hoegrootheid ervan een onrechtmatige inmenging vormen in het recht van de eiser op toegang tot de rechter, vrije meningsuiting, recht op gezonde, veilige en waardige arbeidsomstandigheden en vrijheid van vakvereniging.
  22. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die de rechtspleging regelen. De beslissingen van die gerechten zijn namelijk geen vonnissen in de zin van dat artikel, ook niet wanneer zij een beslissing tot buitenvervolgingstelling samen met een beslissing over een vordering tot schadevergoeding van een inverdenkinggestelde wegens een tergend en roekeloos initiatief van een burgerlijke partij bevatten.
  23. De motiveringsverplichting die in dat geval voor de kamer van inbeschuldigingstelling voortvloeit uit de artikelen 127, 135 en 223 Wetboek van Strafvordering, impliceert niet dat die kamer het verweer van een partij tot in de bijzonderheden dient te beantwoorden, noch dat zij dient te antwoorden op argumenten die enkel zijn aangevoerd ter ondersteuning van een verweer, maar die geen zelfstandig verweer uitmaken. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  24. Uit de redenen vermeld onder het eerste, derde en vierde onderdeel blijkt dat de appelrechters wel degelijk het verweer hebben onderzocht dat de eiser heeft laten gelden met betrekking tot de vordering van de verweerder tot het verkrijgen van schadevergoeding wegens het indienen van een tergende en roekeloze klacht met burgerlijkepartijstelling en het instellen van een tergend en roekeloos hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer tot buitenvervolgingstelling van de verweerder. Met die redenen verwerpen en beantwoorden de appelrechters ook dat verweer, zonder elk aspect ervan te moeten weerleggen of te moeten antwoorden op elk argument tot loutere ondersteuning ervan. Aldus is de beslissing regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  25. De aangevoerde schending van artikel 135 Wetboek van Strafvordering is afgeleid uit het vergeefs aangevoerde motiveringsgebrek. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Vierde onderdeel
  26. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 10 en 11 EVRM en de artikelen 23, 26 en 27 Grondwet, alsmede miskenning van de vrijheid van vakvereniging en het recht op vrije meningsuiting: het arrest verklaart de vordering tot schadevergoeding van de verweerder ontvankelijk en gegrond en veroordeelt de eiser tot betaling van een schadevergoeding van 5.000,00 euro aan de verweerder; de eiser voerde in zijn appelsyntheseconclusie zijn syndicale activiteiten en zijn hoedanigheid van syndicaal militant aan; de eiser voerde aan dat zowel de vordering tot schadevergoeding van de verweerder als de hoegrootheid ervan een inmenging vormen in zijn syndicale en sociale rechten en dat de vordering tot schadevergoeding een ontradend effect beoogt om de eiser of zijn collega’s ervan te weerhouden hun vrijheid van vakvereniging en hun vrije meningsuiting uit te oefenen; uit de redenen van het arrest blijkt niet dat de kamer van inbeschuldigingstelling de aangevoerde vrijheid van vakvereniging en het recht op vrije meningsuiting van de eiser heeft afgewogen tegen de andere rechten bedoeld in de artikelen 10.2 en 11.2 EVRM, waaronder de bescherming van de rechten van de verweerder; uit die redenen blijkt evenmin dat de aangevoerde beperking van de vrijheid van vakvereniging en het recht op vrije meningsuiting van de eiser door een veroordeling tot schadevergoeding, in acht genomen de concrete omstandigheden, beantwoordt aan een dwingende sociale noodwendigheid en pertinent is en dat door de opgelegde beperking de evenredigheid wordt geëerbiedigd tussen het aangewende middel en het beoogde doel; het arrest betrekt het ontradend effect van de vordering tot schadevergoeding en de hoegrootheid ervan op de vrijheid van vakvereniging en het recht op vrije meningsuiting niet bij de beoordeling.
  27. In zijn appelsyntheseconclusie heeft de eiser aangevoerd dat de vordering tot schadevergoeding van de verweerder en de hoegrootheid ervan niet los kunnen worden gezien van eisers syndicale activiteiten. De eiser heeft daaruit de miskenning van de in het onderdeel vermelde rechten afgeleid.
  28. Eensdeels oordeelt het arrest met overname van de redenen van de appelsyntheseconclusie van de verweerder (p. 38) onder meer dat de eiser op geen enkele manier werd gehinderd of afgerekend ingevolge zijn rol als syndicaal militant. Anderdeels houden de redenen op grond waarvan het arrest het procesrechtsmisbruik van de eiser vaststelt en hem veroordeelt tot schadevergoeding aan de verweerder geen verband met enig syndicaal of sociaal recht van de eiser, maar enkel met de concrete onredelijkheid van eisers handelwijze, die het arrest vaststelt. Aldus geeft het arrest te kennen dat de door de eiser aangevoerde rechten niet pertinent zijn voor het aanmerken van eisers handelwijze als rechtsmisbruik en het bepalen van de daaruit voor de verweerder voortvloeiende schade. Die beslissing, die de door de eiser vooropgestelde afwegingen overbodig maakt, is naar recht verantwoord. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde onderdeel
  29. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet eisers verweer dat de verweerder het bestaan, de omvang en de becijfering van de beweerde materiële en morele schade niet bewijst; evenmin beantwoordt het eisers verweer met betrekking tot de onderscheiden schadeposten, noch zijn verweer dat de vordering tot schadevergoeding van de verweerder een afschrikkend effect beoogt teneinde de eiser of zijn collega’s ervan te weerhouden hun syndicale en sociale rechten uit te oefenen.
  30. In zoverre het onderdeel schending van artikel 149 Grondwet aanvoert, faalt het om de redenen vermeld in het antwoord op het tweede onderdeel naar recht.
  31. Met overname van de redenen van de appelsyntheseconclusie van de verweerder (p. 33-39) oordeelt het arrest onder meer dat: - ingevolge de diverse grondige onderzoeken van onafhankelijke instanties, de eiser op het moment van het indienen van zijn klacht met burgerlijkepartijstelling al jarenlang wist dat de telastleggingen elke grondslag misten; - een dergelijke handelwijze niet anders kan worden geïnterpreteerd dan een voortzetting van de jarenlange strategie om de verweerder systematisch te overstelpen met klachten en onderzoeken, teneinde hem in diskrediet te brengen en zijn goede reputatie maximaal schade toe te brengen; - de verweerder zich jarenlang diende in te spannen om het hoofd te bieden aan de onophoudelijke stroom aan zinloze procedures van de eiser, hetgeen bij de verweerder niet enkel materiële schade zoals administratiekosten, verplaatsingskosten, voorbereidingstijd enz. heeft veroorzaakt, maar ook morele schade in de vorm van reputatieschade, bijkomende inspanningen, zorgen waarmee een juridische procedure gepaard gaat en druk op het privéleven; - de verweerder de geleden schade, moreel en materieel vermengd, raamt op 1,00 euro per telastlegging en per dag dat hij de negatieve gevolgen van de klacht voor zeven ernstige telastleggingen heeft dienen te ondergaan, wat een afgerond bedrag van 5.000,00 euro oplevert. Met die redenen en deze vermeld onder het vierde onderdeel beantwoordt het arrest eisers verweer, zonder te moeten antwoorden op elke aspect ervan of op elk argument tot loutere ondersteuning ervan, en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 87,31 euro, waarvan 52,31 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 9 januari 2024 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240109.2N.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.392 precedenten: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171220.7 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191105.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.