← België

D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240109.2N.4 Rolnummer: P.23.1740.N Zaak: D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2024-01-15 Raadplegingen: 748 - laatst gezien 2026-06-18 23:17 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Uit de bepalingen van de artikelen 25/3, § 1, 28, § 2, 30, §§ 1 en 2, 33, § 1, 34, § 1, 36, § 1, en 37, eerste lid, Wet Strafuitvoering volgt dat bij een eerste verzoek om een strafuitvoeringsmodaliteit de strafuitvoeringsrechter onaantastbaar oordeelt of hij de veroordeelde wenst te horen en zo hij dit niet nodig acht beslist hij over het al dan niet toekennen van de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit louter op basis van de stukken met inbegrip van de uitgebrachte adviezen, maar zonder rechtszitting; in deze procedure is niet voorzien dat de veroordeelde over de uitgebrachte adviezen tegenspraak kan voeren voor de strafuitvoeringsrechter. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 25/3, § 1 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 28, § 2 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 30, §§ 1 en 2 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 33, § 1 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 34, § 1 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 36, § 1 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 37, eerste lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 25/3, § 1 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 28, § 2 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 30, §§ 1 en 2 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 33, § 1 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 34, § 1 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 36, § 1 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 37, eerste lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Fiches 3 - 4 Uit het enkele feit dat niet blijkt dat aan de veroordeelde een afschrift werd bezorgd van het door het openbaar ministerie bij toepassing van artikel 33, § 1, Wet Strafuitvoering uitgebrachte advies, kan geen miskenning van zijn recht van recht van verdediging worden afgeleid. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 33, § 1 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 33, § 1 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Tekst van de beslissing Nr. P.23.1740.N J. D., veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiseres, met als raadsman mr. Julie Crowet, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de Nederlandstalige strafuitvoeringsrechter Brussel van 12 december 2023. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middelen 1. Het eerste middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 33, § 1, Wet Strafuitvoering: het vonnis is gewezen zonder dat de eiseres overeenkomstig artikel 33 Wet Strafuitvoering het advies van het openbaar ministerie mocht ontvangen; niettegenstaande haar vraag werd haar nooit een bewijs bezorgd waaruit bleek dat dit advies haar werd bezorgd; zij kon dan ook nooit verweer voeren betreffende de in dit negatief advies ontwikkelde elementen. Het tweede middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 35, § 1, Wet Strafuitvoering, alsook miskenning van het recht van verdediging: het vonnis is gewezen na een behandeling op de openbare rechtszitting van 12 december 2023 zonder dat de eiseres en haar raadsman waren opgeroepen, terwijl artikel 35 Wet Strafuitvoering erin voorziet dat de strafuitvoeringsrechter de veroordeelde en de raadsman hoort, alsook het openbaar ministerie en zo de veroordeelde gedetineerd is de directeur; de eiseres heeft in haar verzoek om toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied gevraagd dat haar raadsman op de hoogte zou worden gehouden van de procedure, wat niet is gebeurd; het recht van verdediging van de eiseres is manifest miskend. Het derde middel voert schending van artikel 36 Wet Strafuitvoering en de artikelen 91, tweede lid, en 779, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek: uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 12 december 2023 blijkt dat de zaak werd behandeld op een openbare rechtszitting, terwijl artikel 36 Wet Strafuitvoering bepaalt dat de zitting plaatsvindt met gesloten deuren; volgens dit proces-verbaal was de zetel niet enkel samengesteld uit de strafuitvoeringsrechter, maar ook uit een lid van het openbaar ministerie. 2. Het vonnis oordeelt over het door de eiseres voor de eerste keer ingediende verzoek tot toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op de verwijdering van het grondgebied. 3. Artikel 6 EVRM is niet van toepassing op de strafuitvoeringsrechter die uitspraak doet over het al dan niet toekennen van een strafuitvoeringsmodaliteit. De strafuitvoeringsrechter spreekt zich immers niet uit over de gegrondheid van een strafvervolging. In zoverre het eerste en het tweede middel schending van die verdragsbepaling aanvoeren, falen ze naar recht. 4. Volgens artikel 28, § 2, Wet Strafuitvoering kan de door artikel 25/3, § 1, Wet Strafuitvoering bedoelde strafuitvoeringsmodaliteit van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op de verwijdering van het grondgebied worden toegekend aan de veroordeelde die voldoet aan de tijdsvoorwaarden, voor zover de in de eerst vermelde bepaling opgesomde tegenaanwijzingen niet bestaan. 5. Artikel 30, § 1, Wet Strafuitvoering bepaalt dat deze strafuitvoeringsmodaliteit wordt toegekend door de strafuitvoeringsrechter op schriftelijk verzoek van de veroordeelde. 6. Artikel 30, § 2, Wet Strafuitvoering bepaalt dat de directeur een advies uitbrengt overeenkomstig artikel 31 Wet Strafuitvoering. Volgens artikel 31, § 4, Wet Strafuitvoering wordt een afschrift van dit advies meegedeeld aan de veroordeelde. 7. Artikel 33, § 1, Wet Strafuitvoering bepaalt dat het openbaar ministerie indien het dit nodig acht een advies kan uitbrengen en zo het dit doet, een afschrift ervan wordt bezorgd aan de veroordeelde. 8. Artikel 34, § 1, Wet Strafuitvoering bepaalt dat de strafuitvoeringsrechter uitspraak doet over het verzoek om de strafuitvoeringsmodaliteit. Uit artikel 36, § 1, Wet Strafuitvoering volgt dat de strafuitvoeringsrechter niet verplicht is de veroordeelde te horen, maar als hij dit nodig acht de in deze bepaling beschreven procedure moet worden gevolgd. Artikel 37, eerste lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat wanneer de strafuitvoeringsrechter de toekenning van de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit heeft geweigerd, de veroordeelde het recht heeft om bij het volgende verzoek tot toekenning van dezelfde strafuitvoeringsmodaliteit te vragen om te worden gehoord. 9. Uit de voormelde bepalingen volgt dat bij een eerste verzoek om een strafuitvoeringsmodaliteit de strafuitvoeringsrechter onaantastbaar oordeelt of hij de veroordeelde wenst te horen. Zo hij dit niet nodig acht, beslist hij over het al dan niet toekennen van de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit louter op basis van de stukken met inbegrip van de uitgebrachte adviezen, maar zonder rechtszitting. In deze procedure is niet voorzien dat de veroordeelde over de uitgebrachte adviezen tegenspraak kan voeren voor de strafuitvoeringsrechter. 10. In zoverre de middelen ervan uitgaan dat in deze procedure de veroordeelde door de rechter moet worden gehoord als hij daarom verzoekt, de strafuitvoeringsrechter de zaak moet behandelen op een rechtszitting en de veroordeelde de mogelijkheid moet hebben om tegenspraak te voeren over de uitgebrachte adviezen, falen ze naar recht. 11. Uit het enkele feit dat niet blijkt dat aan de veroordeelde een afschrift werd bezorgd van het door het openbaar ministerie uitgebrachte advies, kan geen miskenning van zijn recht van recht van verdediging worden afgeleid. In zoverre het eerste middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 12. Uit de samenlezing van de vermeldingen in het vonnis (p. 4) en het proces-verbaal van de rechtszitting van 12 december 2023 blijkt dat het door de strafuitvoeringsrechter gewezen en door haar en de griffier ondertekende vonnis werd uitgesproken op de openbare rechtszitting van die datum in aanwezigheid van de vermelde magistraat van het openbaar ministerie. In zoverre het derde middel ervan uitgaat dat dit proces-verbaal van de rechtszitting de behandeling weergeeft door de strafuitvoeringsrechter van het verzoek van de eiseres op die rechtszitting, waarbij alsdan van de zetel de vermelde magistraat van het openbaar ministerie deel zou hebben uitgemaakt, mist het feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek 13. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 9 januari 2024 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240109.2N.4 Gerelateerde publicatie(
  2. s)zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241002.2F.14 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250205.2F.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.