id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20
Art. 42
, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 505
, 3° en 4° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN Wettelijke bepalingen: Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.7 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Protocol nr. 7 bij het Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden - 22-11-1984 - Art. 4.1 - 33 Link Justel databank 19841122-33
Art. 42
, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 505
, 3° en 4° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Wettelijke bepalingen: Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.7 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Protocol nr. 7 bij het Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden - 22-11-1984 - Art. 4.1 - 33 Link Justel databank 19841122-33
Art. 42
, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 505
, 3° en 4° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: HELING Wettelijke bepalingen: Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.7 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Protocol nr. 7 bij het Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden - 22-11-1984 - Art. 4.1 - 33 Link Justel databank 19841122-33
Art. 42
, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 505
, 3° en 4° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.7 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Protocol nr. 7 bij het Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden - 22-11-1984 - Art. 4.1 - 33 Link Justel databank 19841122-33
Art. 42
, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 505, 3° en 4° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr.
P.23.1481.N S. B., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 22 september
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 50 Handvest Grondrechten EU, artikel 14.7 IVBPR en artikel 4 Zevende Aanvullend Protocol EVRM, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem: het arrest oordeelt ten onrechte dat de witwasmisdrijven en het basismisdrijf waaruit de witgewassen vermogensvoordelen zijn voortgevloeid niet te beschouwen zijn als onlosmakelijk verbonden feiten; de feitenrechter die vaststelt dat de witwasmisdrijven waarover hij moet oordelen betrekking hebben op vermogensvoordelen die geheel werden verkregen uit een basismisdrijf waarvoor de beklaagde reeds definitief werd veroordeeld, kan niet wettig beslissen dat deze feiten niet onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn; uit deze feitelijke vaststelling vloeit onvermijdelijk de vaststelling voort dat er een objectief verband bestaat tussen de witgewassen vermogensvoordelen en het basismisdrijf, namelijk het feit dat de vermogensvoordelen geheel afkomstig zijn uit het basismisdrijf; in een dergelijk geval sluit het witwasmisdrijf logischerwijze aan bij het basismisdrijf en is dermate nauw ermee verbonden dat het witwasmisdrijf niet kan worden gepleegd zonder het plegen van het daaraan voorafgaande basismisdrijf, zodat het om onlosmakelijk verbonden feiten gaat.
- Artikel 14.7 IVBPR bepaalt dat niemand voor een tweede keer mag worden berecht of gestraft voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds overeenkomstig de wet en het procesrecht van elk land bij einduitspraak is veroordeeld of waarvan hij is vrijgesproken.
- Artikel 4.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM bepaalt dat niemand opnieuw wordt berecht of gestraft in een strafrechtelijke procedure binnen de rechtsmacht van dezelfde staat voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld overeenkomstig de wet en het strafprocesrecht van die staat.
- Het algemene rechtsbeginsel non bis in idem heeft dezelfde draagwijdte.
- Artikel 4.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, houdt in dat een tweede vervolging verboden is wegens identieke feiten of substantieel dezelfde feiten die na een eerste vervolging hebben geleid tot een onherroepelijke beslissing van veroordeling of vrijspraak.
- Onder identieke of substantieel dezelfde feiten moet worden verstaan een geheel van concrete feitelijke omstandigheden met betrekking tot eenzelfde verdachte welke onlosmakelijk in tijd en ruimte met elkaar verbonden zijn. Een dergelijk verband vloeit niet noodzakelijk voort uit de vaststelling dat witgewassen vermogensvoordelen geheel afkomstig zijn uit het basismisdrijf en het witwasmisdrijf niet kan worden gepleegd zonder het plegen van het daaraan voorafgaande basismisdrijf.
- De rechter oordeelt onaantastbaar of de feiten die het voorwerp uitmaken van de vervolgingen identiek of substantieel dezelfde zijn. Het Hof gaat na of de rechter uit de door hem vastgestelde feiten geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt: - de eiser voert aan dat de strafvordering vervallen is bij toepassing van het beginsel non bis in idem (artikel 4 Zevende Aanvullend Protocol EVRM); hij werd voor de feiten al schuldig bevonden en tot straf veroordeeld bij arrest van 31 mei 2016 van de vierde kamer van het hof van beroep te Gent; - het hof van beroep beoordeelt in het licht van de gegevens van de zaak of de feiten die aanhangig zijn gemaakt identiek of substantieel dezelfde zijn als deze die het voorwerp waren van een eerdere strafvervolging die is beëindigd met een onherroepelijke beslissing van vrijspraak of veroordeling; - daarbij slaat het hof van beroep als feitenrechter acht op de feitelijke gedragingen en de werkelijk bedoelde omstandigheden waarop de eerste strafvordering betrekking heeft; - de eerder beoordeelde feiten hadden betrekking op het verkopen, te koop stellen, het bezit en de invoer van verdovende middelen, evenals als inbreuken op de Wapenwet; - de nu beoordeelde feiten slaan op het witwassen van illegale vermogensvoordelen uit drugtransacties; deze feiten maakten voorwerp uit van een afzonderlijk strafonderzoek; - de respectieve feiten van de betrokken strafvervolgingen zijn naar het oordeel van het hof van beroep geen identieke of substantieel dezelfde feiten; het betreffen onderscheiden feitelijke gedragingen die niet noodzakelijk of in casu wezenlijk deel uitmaken van hetzelfde feitencomplex; - het feit dat de eiser uit de drugshandel illegale vermogensvoordelen verwierf, is te onderscheiden van wat hij nadien met deze vermogensvoordelen deed, namelijk in casu het witwassen ervan; - het zijn geen feiten die onlosmakelijk verbonden zijn; de eiser had de uit de drughandel verkregen vermogensvoordelen ook niet kunnen witwassen; - dat de onderscheiden feiten zich temporeel in eenzelfde periode situeren, doet aan deze vaststelling geen afbreuk; - dat de eerste rechter in de zaak van de drugdelicten in de overweging van de straf verwees naar het nastreven van een persoonlijk voordeel en puur en snel geldgewin, is daarbij evenmin relevant; - bij het witwassen streefde de eiser het behoud van de verkregen vermogensvoordelen na, onder meer door de herkomst ervan te verhelen of te verhullen; tegelijk was het erop gericht met de witgewassen gelden aankopen te kunnen doen; overigens wordt in de vroegere en huidige zaak niet “het ongeoorloofde winstbejag” vervolgd, maar wel de feiten zoals ze in de respectieve telastleggingen zijn vermeld. Met deze redenen verantwoorden de appelrechters naar recht hun beslissing de strafvordering niet onontvankelijk te verklaren bij toepassing van het non bis in idem-beginsel. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 90,81 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 9 januari 2024 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240109.2N.7 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230627.2N.30 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div