← België

DRUWEL INVEST contra Vlaamse Gewest

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240111.1N.4 Rolnummer: C.22.0364.N Zaak: DRUWEL INVEST contra Vlaamse Gewest Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Belastingrecht Invoerdatum: 2024-02-06 Raadplegingen: 868 - laatst gezien 2026-06-19 00:24 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240111.1N.4 Fiche 1 Een interpretatieve wet is een wet die betreffende een punt waar de rechtsregel onzeker of betwist is, een oplossing geeft die door de rechtspraak had kunnen worden aangenomen. Een interpretatieve wet kan de geïnterpreteerde wet niet wijzigen, opheffen of aanvullen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - UITLEGGING Fiche 2 Het “betrokken onroerend goed” waarvan sprake in het voormelde artikel 2, 9°, heeft betrekking heeft op onroerende goederen die aan heffing zijn onderworpen en zijn opgenomen in de inventaris, te weten de leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten, zijnde de verzameling van alle percelen waarop zich minstens één bedrijfsgebouw bevindt, als één geheel te beschouwen en waar een economische activiteit heeft plaatsgevonden of plaatsvindt, en welke verzameling percelen een minimale oppervlakte heeft van 5 aren; aldus wordt de eigenaar van de grond waarop zich minstens één bedrijfsgebouw bevindt door het Leegstandsdecreet Bedrijfsruimten, vóór de wijziging ervan bij decreet van 5 juli 2013 aangemerkt als belastingplichtige
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: GEMEENSCHAPS- EN GEWESTBELASTINGEN Wettelijke bepalingen: Decreet 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten - 19-04-1995 - Art. 2, 9° - 51 ELI link Pub nr 1995036290 Fiche 3 De rechtspraak kan het begrip “eigenaar”, zoals gehanteerd in het decreet van 19 april 1995, niet interpreteren in de zin die door het decreet van 5 juli 2013 aan dit begrip werd gegeven. Thesaurus CAS: GEMEENSCHAPS- EN GEWESTBELASTINGEN Wettelijke bepalingen: Decreet 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten - 19-04-1995 - Art. 2, 2° - 51 ELI link Pub nr 1995036290 Tekst van de beslissing Nr. C.22.0364.N DRUWEL INVEST nv, met zetel te 9690 Kluisbergen, Ommegangstraat 7, ingeschreven in het rijksregister onder het nummer 0477.532.879, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, in de persoon van de minister-president, voor wie optreedt de Vlaamse minister bevoegd voor Financiën, Begroting, Wonen en Onroerend Erfgoed, met kabinet te 1000 Brussel, Kreupelenstraat 2, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 1 februari
  1. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft op 11 december 2023 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  2. Een interpretatieve wet is een wet die betreffende een punt waar de rechtsregel onzeker of betwist is, een oplossing geeft die door de rechtspraak had kunnen worden aangenomen. Een interpretatieve wet kan de geïnterpreteerde wet niet wijzigen, opheffen of aanvullen.
  3. Krachtens artikel 2, 1°, Leegstandsdecreet Bedrijfsruimten, vóór de wijziging ervan bij decreet van 5 juli 2013 tot wijziging van dit decreet (hierna: decreet van 5 juli 2013), wordt onder “bedrijfsruimte” verstaan: “de verzameling van alle percelen waarop zich minstens één bedrijfsgebouw bevindt, als één geheel te beschouwen en waar een economische activiteit heeft plaatsgevonden of plaatsvindt”. Deze verzameling heeft een minimale oppervlakte van 5 aren. Artikel 2, 5°, Leegstandsdecreet Bedrijfsruimten, vóór de wijziging ervan bij decreet van 5 juli 2013, definieert de “inventaris” als “het instrument dat alle leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten bevat die aan een heffing kunnen worden onderworpen en/of voor een financiële steun voor vernieuwing in aanmerking komen”. Ingevolge artikel 2, 9°, Leegstandsdecreet Bedrijfsruimten, vóór de wijziging ervan bij decreet van 5 juli 2013, wordt onder “eigenaar” verstaan: “diegene die een geheel dan wel gedeeltelijk naakte eigendomsrecht kan laten gelden op het betrokken onroerend goed”. Krachtens artikel 15, § 1, Leegstandsdecreet Bedrijfsruimten, vóór de wijziging ervan bij decreet van 5 juli 2013, wordt een jaarlijkse heffing ingevoerd ten voordele van het Vernieuwingsfonds op de onroerende goederen die zijn opgenomen in de inventaris. Krachtens artikel 15, § 2, Leegstandsdecreet Bedrijfsruimten, vóór de wijziging ervan bij decreet van 5 juli 2013, komt die heffing ten laste van diegene die op 1 januari van het aanslagjaar eigenaar is van de aan de heffing onderworpen onroerende goederen.
  4. Uit het geheel van deze bepalingen volgt dat het “betrokken onroerend goed” waarvan sprake in het voormelde artikel 2, 9°, betrekking heeft op onroerende goederen die aan heffing zijn onderworpen en zijn opgenomen in de inventaris, te weten de leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten, zijnde de verzameling van alle percelen waarop zich minstens één bedrijfsgebouw bevindt, als één geheel te beschouwen en waar een economische activiteit heeft plaatsgevonden of plaatsvindt, en welke verzameling percelen een minimale oppervlakte heeft van 5 aren. Aldus wordt de eigenaar van de grond waarop zich minstens één bedrijfsgebouw bevindt door het Leegstandsdecreet Bedrijfsruimten, vóór de wijziging ervan bij decreet van 5 juli 2013 aangemerkt als belastingplichtige.
  5. Krachtens artikel 15, § 1, Leegstandsdecreet Bedrijfsruimten, na de wijziging ervan bij decreet van 5 juli 2013, wordt een jaarlijkse heffing ingevoerd ten voordele van het Vernieuwingsfonds op de bedrijfsruimten die zijn opgenomen in de inventaris. Krachtens artikel 15, § 2, Leegstandsdecreet Bedrijfsruimten, na de wijziging ervan bij decreet van 5 juli 2013, komt die heffing ten laste van diegene die op 1 januari van het aanslagjaar eigenaar is van de aan de heffing onderworpen bedrijfsgebouwen. Artikel 2, 2°, Leegstandsdecreet Bedrijfsruimten, na de wijziging ervan bij decreet van 5 juli 2013, definieert de “eigenaar” als “de houder van één van de volgende zakelijke rechten met betrekking tot een bedrijfsgebouw: a) de volle eigendom; b) het recht van opstal of van erfpacht; c) het vruchtgebruik”. Na de wijziging van het Leegstandsdecreet Bedrijfsruimten door het decreet van 5 juli 2013 is belastingplichtige de houder van de volle eigendom, het recht van opstal of van erfpacht of het vruchtgebruik met betrekking tot een bedrijfsgebouw.
  6. De memorie van toelichting bij het ontwerp van decreet tot wijziging van diverse bepalingen van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten, vermeldt dat: - “het decreet (…) geen definitie [bevat] van wat begrepen moet worden onder ‘het betrokken onroerend goed’, zodat het onduidelijk is of hieronder de gebouwen, dan wel de grond, dan wel beide moet worden begrepen”; - “doordat de invulling van dit ‘naakt eigendomsrecht’ niet duidelijk is, ook niet duidelijk [is] wie heffingsplichtig is”; - “de onduidelijke invulling van het begrip ‘eigenaar’ voornamelijk gevolgen [heeft] bij het bepalen van de heffingsplichtige bij gesplitste eigendomsrechten, bijvoorbeeld bij opstal of erfpacht”; - “aangezien het veelal de eigenaar van het gebouw is die verantwoordelijk is voor de leegstand of verwaarlozing van de bedrijfsruimte en niet de eigenaar van de grond, het aangewezen [is] om de volle eigenaar van het bedrijfsgebouw, de opstalhouder en de erfpachter als heffingsplichtige aan te duiden” en dat “het tevens beter [aansluit] bij de bedoeling van de decreetgever om, in geval een recht van vruchtgebruik werd verleend op het betrokken bedrijfsgebouw, de vruchtgebruiker hierop aan te spreken en niet de naakte eigenaar”; - “met de nieuwe definitie van ‘eigenaar’ ook [wordt] aangesloten bij de regeling in het kader van de heffing ter bestrijding van verkrotting van gebouwen en/of woningen”; - “voorgesteld wordt om een gelijkaardige regeling op te nemen voor de bedrijfsruimten” en dat “in artikel 2, DLB, hiertoe de bestaande definitie van ‘bedrijfsruimte’ en ‘eigenaar’ [wordt] aangepast en tevens een definitie van ‘bedrijfsgebouw’ [wordt] toegevoegd”, die “voornamelijk van belang [is] in het kader van de definitie van ‘eigenaar’ en het aanduiden van de heffingsplichtige”.
  7. Uit het voorgaande volgt dat de rechtspraak het begrip “eigenaar’’, zoals gehanteerd in het decreet van 19 april 1995, niet kon interpreteren in de zin die door het decreet van 5 juli 2013 aan dit begrip werd gegeven. Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 221,12 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 11 januari 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240111.1N.4 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240111.1N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.