id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20
Art. 1341
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1347
, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1056, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de beslissing Nr.
C.23.0179.N S.W., eiser, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eiser woonplaats kiest, tegen G.U., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 4 november
- De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 30 november 2023 verwezen naar de derde kamer. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Artikel 1341 Oud Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een akte voor een notaris of een onderhandse akte moet worden opgemaakt van alle zaken die de som of de waarde van 375 euro te boven gaan. Het bewijs door getuigen wordt niet toegelaten tegen en boven de inhoud van de akten. Artikel 1347, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek bepaalt dat deze regel uitzondering leidt, wanneer er een begin van bewijs door geschrift aanwezig is. Krachtens artikel 1356, tweede lid, Oud Burgerlijk Wetboek, levert de bekentenis een volledig bewijs op tegen diegene die ze heeft afgelegd. Deze bekentenis kan worden ingeroepen tegen en boven de inhoud van een akte.
- De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de verweerder voorhoudt dat hij een bedrag van 271.365 euro heeft geleend aan de eiser, waarvan nog een bedrag van 134.705 euro moet worden terugbetaald; - de verweerder, als partij die deze som terugvordert en zich beroept op de lening, het bewijs moet leveren van het bestaan van die lening; - een onderscheid moet worden gemaakt tussen het bewijs van de leningovereenkomst en het bewijs van de afgifte van de zaak waardoor de overeenkomst tot stand komt; - de afgifte van de som van 271.365 euro een rechtsfeit is dat met alle middelen van recht kan worden bewezen en blijkt uit de door de verweerder voorgelegde rekeninguittreksels; - om te bewijzen dat de afgifte plaatsvond binnen het kader van een leningovereenkomst de regels van een rechtshandeling van toepassing zijn waardoor er, gelet op de grootte van de teruggevorderde bedragen, een geschrift is vereist; - er sprake is van een getypt document dat dateert van 6 oktober 2013 waarbij de eiser verklaart een bedrag van 40.000 euro te hebben ontleend; - deze leningovereenkomst alvast het bewijs levert van een terugbetalingsverbintenis van de eiser voor wat het bedrag van 40.000 euro betreft; - de eiser in een e-mail van 9 oktober 2019 erkent dat hij een lening had aangegaan en dat deze nog niet volledig was terugbetaald; - dit laatste stuk een buitengerechtelijke bekentenis inhoudt; - de aard van de overschrijvingen tussen partijen, waarvoor geen andere plausibele uitleg kan worden gegeven, de stelling van de verweerder dat het de terug te betalen bedragen betreft, onderschrijft; - bijgevolg kan worden besloten dat alle door de verweerder in de periode van 7 oktober 2013 tot en met 19 juni 2019 gestorte bedragen kaderden in een leningovereenkomst; - de eiser aan de verweerder in het kader van deze overeenkomst nog 134.705 euro is verschuldigd.
- De appelrechter die noch vaststelt dat er een schriftelijke leningovereenkomst of een begin van schriftelijk bewijs, aan te vullen met getuigen of vermoedens, voor een lening voor een bedrag van 271.365 euro voorligt, noch vaststelt dat er een buitengerechtelijke bekentenis met betrekking tot een lening voor dit bedrag is, oordeelt dat een leningovereenkomst voor een bedrag van 271.365 euro is bewezen, schendt de voormelde wetsbepalingen. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 22 januari 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240122.3N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div