← België

B. contra M.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 195

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 211- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: WETTEN.

DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 2 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek

Art. 195

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 211- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN.

BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 2 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek

Art. 195

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 211- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART.

100 TOT EINDE) - Artikel 149 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 2 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek

Art. 195

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 211- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.

P.23.1351.N G. B., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Sanne De Clerck, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen

  1. F. M., burgerlijke partij, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177, bus 7, waar de verweerster woonplaats kiest,
  2. B. B., burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 7 september
  3. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  4. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en de artikelen 155 en 189 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging; hoewel het arrest vaststelt dat de zaak onder meer werd behandeld op de rechtszitting van 14 juni 2023, bevat het dossier geen proces-verbaal van die rechtszitting, maar enkel een proces-verbaal van de rechtszitting van 15 juni 2023; er bestaat een tegenstrijdigheid tussen de vermeldingen van het arrest dat melding maakt van een behandeling op de rechtszitting van 14 juni 2023 en het proces-verbaal van de rechtszitting van 15 juni 2023 dat melding maakt van een behandeling op 15 juni 2023; het betreft geen materiële vergissing, maar wel een onherstelbare tegenstrijdigheid die leidt tot de nietigheid van het arrest; het is niet mogelijk na te gaan op welke datum de zaak werd behandeld, of de behandeling in het openbaar gebeurde en of de zetel regelmatig was samengesteld; het arrest bevat zelf niet de nodige vaststellingen betreffende de behandeling, zodat het Hof onmogelijk de regelmatigheid van de rechtspleging kan nagaan.
  5. Uit de hierna vermelde stukken blijkt wat volgt: - volgens het proces-verbaal van de rechtszitting van 2 maart 2023 werden op die rechtszitting conclusietermijnen bepaald en werd de zaak voor behandeling vastgesteld op de rechtszitting van 14 juni 2023; - volgens een proces-verbaal van de rechtszitting dat als datum 15 juni 2023 vermeldt, werd de zaak op die rechtszitting behandeld en werd ze in voortzetting geplaatst naar de rechtszitting van 22 juni 2023 uitsluitend om de eiser toe te laten bepaalde stukken neer te leggen; - volgens dit proces-verbaal van deze rechtszitting hebben de verweerster 1 en de eiser op die rechtszitting stukkenbundels neergelegd; - die stukkenbundels dragen de vermelding: “Neergelegd ter zitting der C2-kamer van het Hof van beroep te Antwerpen (…) op 14.06.2023 (…)”; - het proces-verbaal van de rechtszitting van 22 juni 2023 waarop de zaak verder werd behandeld en in beraad genomen, verwijst naar “de terechtzitting van 15 juni jl.”; - het arrest stelt vast dat op de rechtszitting van 2 maart 2023 conclusietermijnen werden bepaald en de zaak voor behandeling werd vastgesteld op 14 juni 2023, de zaak op de openbare rechtszitting van 14 juni 2023 werd behandeld en in voortzetting gesteld naar de rechtszitting van 22 juni 2023 om de eiser toe te laten bijkomende stukken bij te brengen en de zaak ten slotte op de rechtszitting van 22 juni 2023 in beraad werd genomen.
  6. Uit de samenlezing van deze stukken volgt dat de vermelding van de datum van 15 juni 2023 op het bewuste proces-verbaal van de rechtszitting manifest een materiële vergissing betreft en dat die datum moet worden gelezen als 14 juni
  7. Dat geldt ook voor de verwijzing in het proces-verbaal van de rechtszitting van 22 juni 2023 naar de voorafgaande rechtszitting van 15 juni
  8. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  9. In zoverre het middel voor het overige is afgeleid uit die onjuiste lezing, is het niet ontvankelijk. Tweede middel
  10. Het eerste onderdeel voert schending aan van de artikelen 417/5, 417/7, 417/11 en 417/21 Strafwetboek: het arrest oordeelt dat de eiser zich schuldig heeft gemaakt aan het misdrijf van aantasting van de seksuele integriteit respectievelijk verkrachting door de loutere vaststelling dat er sprake is van handelingen van een bepaalde ernst die afbreuk doen aan de seksuele integriteit van een persoon zoals die door het collectieve bewustzijn van een bepaalde samenleving op een bepaald ogenblik wordt ervaren, zonder vast te stellen dat er sprake is van een handeling die een redelijk persoon als seksueel kan ervaren. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd; het verklaart de eiser schuldig aan de feiten omschreven onder de telastleggingen A en B, zoals geactualiseerd in het licht van de wijziging met de wet van 21 maart 2022, terwijl het anderzijds bij de schuldbeoordeling uitsluitend rekening houdt met de invulling van de bestanddelen overeenkomstig de oude wetgeving; daardoor is de beslissing ook niet regelmatig met redenen omkleed.
  11. Uit artikel 149 Grondwet, de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering en artikel 2 Strafwetboek volgt dat indien de omschrijving van strafbare feiten sinds het plegen van die feiten is gewijzigd, de rechter: - een beklaagde slechts schuldig kan verklaren aan die feiten indien hij vaststelt dat ze zowel strafbaar waren en gebleven zijn onder de oude en de nieuwe wet; - de oude en de nieuwe wetsbepalingen moet vermelden die de constitutieve bestanddelen van het misdrijf definiëren, alsook de wetsbepalingen betreffende de toegepaste straf.
  12. Het arrest (p. 7-8) actualiseert de initieel volgens de oude wet omschreven feiten van de telastleggingen A, B1 en B2 rekening houdend met de nieuwe wetsbepalingen, waardoor melding wordt gemaakt van zowel de wettelijke omschrijving volgens de oude wet als de wettelijke omschrijving volgens de nieuwe wet. Het arrest stelt bovendien vast dat de feiten omschreven onder de telastleggingen A, B1 en B2 strafbaar waren onder de oude en onder de nieuwe wet en het vermeldt de wetsbepalingen die de feiten onder de oude en de nieuwe wet strafbaar stelden en stellen.
  13. Het arrest (p. 13) verwijst bij de schuldbeoordeling voor de feiten der telastleggingen B1 en B2 naar het gegeven dat de aan de eiser verweten feiten handelingen zijn met een bepaalde ernst die afbreuk doen aan de seksuele integriteit van een persoon, zoals die door het collectieve bewustzijn van een bepaalde samenleving op een bepaald tijdstip wordt ervaren. Aldus houdt het bij de beoordeling van eisers schuld aan deze feiten rekening met een criterium tot nadere invulling van de oude strafbepalingen.
  14. Het arrest (p. 11-12) oordeelt onder meer dat er gelet op de elementen van het strafdossier geen twijfel over kan bestaan dat de eiser de verweerster 1 tijdens een door hem uitgevoerde massage verregaande grensoverschrijdende seksuele handelingen heeft opgedrongen, dat de eiser aan de verweerster 2 seksuele handelingen heeft opgedrongen ter hoogte van haar geslachtsdeel, dat vaststaat dat de eiser binnen een wellness-setting, die voor hem heel vertrouwd was en waarin hij zich profileerde als een deskundig persoon, zijn naakte klanten in een 1 op 1 situatie onder het mom van een massage op gewiekste wijze benaderde en hen seksueel grensoverschrijdende handelingen opdrong, dat deze listige enscenering maakte dat de eiser zonder weerstand verregaande seksuele handelingen, waaronder ook een penetratie kon opdringen en dat een massage, waarbij vingers tussen schaamlippen werden gebracht, gezien de concrete elementen van de zaak, een daad van seksuele penetratie is, ook al was die niet volledig. Met die redenen geeft het arrest te kennen dat de aan de eiser met de telastleggingen A, B1 en B2 verweten feiten handelingen zijn die een redelijk persoon als seksueel kan ervaren.
  15. In zoverre berust het eerste onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  16. Het in het tweede onderdeel bedoelde motiveringsgebrek is geheel afgeleid uit die onjuiste lezing en is bijgevolg niet ontvankelijk. Derde middel
  17. Het middel voert schending aan van artikel 3, vierde lid, in fine, Probatiewet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest motiveert op generlei wijze waarom het verzoek van de eiser tot opschorting van de uitspraak van veroordeling wordt afgewezen.
  18. Uit artikel 3, vierde lid, tweede zin, Probatiewet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering volgt dat de rechter indien hij een verzoek om (probatie-) opschorting afwijst, nauwkeurig de redenen voor die beslissing moet vermelden, ook al mag dit beknopt zijn. De afwijzing van een dergelijk verzoek kan worden gemotiveerd of medegemotiveerd door het vermelden overeenkomstig artikel 195 Wetboek van Strafvordering van de redenen voor de keuze van de uitgesproken straffen en hun maat. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  19. Het arrest veroordeelt de eiser tot een hoofdgevangenisstraf van vijftig maanden, waarvan de helft met probatie-uitstel voor een periode van vijf jaar. Het motiveert de keuze voor die straf en de maat ervan door verwijzing naar de aard van de feiten, welke wordt geconcretiseerd (ernst, specifieke professionele context, misbruik van gezag, afwezigheid van inzicht betreffende de traumatische gevolgen van de handelingen), alsook naar de persoonlijkheid van de eiser (leeftijd, blanco strafregister, sociale toestand). Het oordeelt vervolgens dat het verlenen van een probatie-opschorting mede gelet op de aard en de ernst van feiten een onvoldoende krachtig signaal zou inhouden, de eiser onvoldoende zou wijzen op het ontoelaatbare van zijn handelen en de eiser bovendien ook niet aannemelijk maakt dat hij door die bestraffing abnormaal zou worden gedesocialiseerd in verhouding tot de ernst van de bewezen verklaarde feiten. Met die redenen motiveren de appelrechters op nauwkeurige wijze de weigering (probatie-)opschorting te verlenen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  20. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 143,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 23 januari 2024 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240123.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.