id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20
Art. 3
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 3
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 3
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 3
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Annotaties Publicaties: T.Strafr.-Tijdschrift voor strafrecht: jurisprudentie, nieuwe wetgeving en doctrine voor de praktijk - 2024, nr. 3, p. 164-
- - DAENINCK, Philip; Noot'Onmenselijke behandeling in de gevangenis getoetst door het Hof van Cassatie' Tekst van de beslissing Nr. P.24.0092.N C. M., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadslieden mr. Christophe Marchand en mr. Crépine Uwashema, advocaten bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 11 januari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 3 en 13 EVRM, alsmede miskenning van de algemene motiveringsplicht: het arrest handhaaft de voorlopige hechtenis van de eiser in de gevangenis zonder een deugdelijke beoordeling te doen van artikel 3 EVRM; uit de artikelen 3 en 13 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt dat wanneer een aangehoudene op een voldoende geloofwaardige, nauwkeurige en actuele wijze zijn persoonlijke detentieomstandigheden beschrijft, waaruit op het eerste gezicht een gebrek aan eerbiediging van zijn waardigheid blijkt, het onderzoeksgerecht de realiteit van deze beweringen moet laten verifiëren en die beweringen vervolgens moet beoordelen; indien het onderzoeksgerecht vaststelt dat de waardigheid van de aangehoudene is miskend en dit intussen niet is rechtgezet, moet het de betrokkene in vrijheid stellen, eventueel met detentievervangende maatregelen of onder elektronisch toezicht; de gevangenisdirecteur heeft de door de eiser aangekaarte detentieomstandigheden, die niet stroken met artikel 3 EVRM, bevestigd; het arrest laat na de detentietoestand van de eiser in strijd met artikel 3 EVRM te verklaren en daaruit het passende gevolg af te leiden door zijn invrijheidstelling of zijn plaatsing onder elektronisch toezicht te bevelen; minstens laat het arrest na de nodige verificaties te doen; evenmin beantwoordt het arrest eisers appelconclusie.
- In zoverre het onderdeel verplicht tot een kennisname van gegevens uit dossierstukken, die niet zijn opgenomen in het arrest zelf of in enig ander stuk waarop het Hof vermag acht te slaan, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het bijgevolg niet ontvankelijk.
- Het onderzoeksgerecht dat zich uitspreekt over de handhaving van de voorlopige hechtenis, moet beslissen binnen een korte termijn. Bijgevolg moet het onderzoeksgerecht niet tot in de bijzonderheden het verweer van de verdachte beantwoorden, noch moet het antwoorden op alle tot staving van dat verweer aangevoerde argumenten die geen zelfstandig verweer uitmaken. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Krachtens artikel 3 EVRM mag niemand worden onderworpen aan foltering, noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen.
- Het enkele feit dat een aangehoudene ongemakken ondervindt van zijn opsluiting, maakt die opsluiting nog niet strijdig met artikel 3 EVRM. Daarvoor is een minimum aan zwaarwichtigheid vereist. Het onderzoeksgerecht oordeelt onaantastbaar of de klachten van de aangehoudene, in zoverre daarvoor op het eerste gezicht een objectieve grond blijkt te bestaan, dermate zwaarwichtig zijn dat zij een overtreding van artikel 3 EVRM inhouden. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen niet te verantwoorden gevolgen afleidt.
- Het arrest (p. 24) oordeelt: “Prima facie stelt dit hof (van beroep) vast dat er geen inbreuk is op artikel 3 EVRM. Uit het schrijven van de directeur van het Penitentiair Complex te Brugge, alwaar [de eiser] op heden verblijft, blijkt dat [de eiser] de mogelijkheid heeft om te gaan fitnessen en de bibliotheek te bezoeken. De wandeling duurt anderhalf uur per dag. Tevens blijkt dat hem drie maaltijden worden verstrekt (ontbijt/middagmaal/avondmaal) maar dat die maaltijden in één keer worden bedeeld. In elke cel is tevens een microgolfoven aanwezig. Tevens laat de directeur nagaan of het mogelijk is om [de eiser] te verplaatsen naar een cel met niet-rokers.”
- Op grond van die redenen, waarmee het arrest het verweer van de eiser beantwoordt, kan het wettig oordelen dat eisers detentietoestand niet in strijd is met artikel 3 EVRM. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- Voor het overige is het onderdeel gericht tegen overtollige redenen en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 3 EVRM, alsmede miskenning van de algemene motiveringsplicht: het arrest oordeelt dat artikel 3 EVRM niet absoluut is; artikel 3 EVRM heeft echter wel degelijk een absoluut karakter; er kan niet worden afgeweken van het in dat artikel vervatte verbod en dat artikel laat geen belangenafweging toe in die zin dat bepaalde omstandigheden of doelen, zoals de handhaving van de openbare orde, kunnen worden aangevoerd ter rechtvaardiging van een onmenselijke behandeling; evenmin kan worden gesteund op het gedrag of de persoon van de betrokkene om artikel 3 EVRM niet te eerbiedigen; artikel 3 EVRM omvat voor de rechter de verplichting om tijdig, nauwgezet en voortvarend vast te stellen of foltering of onmenselijke behandeling heeft plaatsgevonden dan wel plaatsvindt, alsook de positieve verplichting om beschermende maatregelen te treffen ter voorkoming van een onmenselijke of vernederende behandeling.
- Het onderdeel dat de zelfstandige redenen vermeld in het antwoord op het tweede onderdeel niet in de kritiek betrekt, kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 3 en 5 EVRM, alsmede miskenning van de algemene motiveringsplicht: het arrest beoordeelt niet de redelijkheid van de voorlopige hechtenis in het bijzonder geval van de eiser, zeker gelet op de aangeklaagde en door de gevangenisdirecteur bevestigde onmenselijke detentieomstandigheden; het arrest beantwoordt niet eisers bij appelconclusie aangevoerde verweer dat de voortzetting van de detentie niet als redelijk kan worden beschouwd in de zin van artikel 5 EVRM, gelet op de door de eiser aangekaarte problemen in kader van artikel 3 EVRM; overeenkomstig vaststaande rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens moeten de autoriteiten op overtuigende wijze aantonen dat elke periode van detentie, hoe kort ook, gerechtvaardigd is; de eiser heeft recht op een adequate rechterlijke controle op alle aspecten van de rechtmatigheid van de detentie.
- In zoverre het middel verplicht tot een kennisname van gegevens uit dossierstukken, die niet zijn opgenomen in het arrest zelf of in enig ander stuk waarop het Hof vermag acht te slaan, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het bijgevolg niet ontvankelijk.
- Het onderzoeksgerecht dat zich uitspreekt over de handhaving van de voorlopige hechtenis, moet beslissen binnen een korte termijn. Bijgevolg moet het onderzoeksgerecht niet tot in de bijzonderheden het verweer van de verdachte beantwoorden, noch moet het antwoorden op alle tot staving van dat verweer aangevoerde argumenten die geen zelfstandig verweer uitmaken. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Met de redenen vermeld in het eerste middel, tweede onderdeel, oordeelt het arrest dat de hechtenistoestand van de eiser op grond van de omstandigheden die het vaststelt, niet in strijd is met artikel 3 EVRM. Verder preciseert het arrest (p. 19-22 en 24) met eigen redenen en met redenen die het overneemt van de vordering van het openbaar ministerie waarom het gevaar dat de eiser uitmaakt voor de openbare veiligheid en de gevaren voor recidive, collusie en onttrekking waarvan hij blijk geeft, het niet mogelijk maken hem vrij te laten onder voorwaarden of tegen betaling van een borg, dan wel zijn voorlopige hechtenis te handhaven onder de modaliteit van het elektronisch toezicht.
- Aldus onderzoekt het arrest op een adequate wijze de rechtmatigheid van eisers voorlopige hechtenis en van de handhaving ervan, beantwoordt het eisers verweer en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 130,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 23 januari 2024 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240123.2N.16 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250408.2N.25 precedenten: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110920.5 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220112.2F.5 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240827.VAK.6 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241119.2N.23 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div