← België

Bolloré Logistics Belgium c. BELGISCHE STAAT FOD Finan

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240123.2N.5 Rolnummer: P.23.1410.N Zaak: Bolloré Logistics Belgium c. BELGISCHE STAAT FOD Finan Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2024-01-25 Raadplegingen: 905 - laatst gezien 2026-06-18 17:31 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche 1 Uit samenlezing van de artikelen 2, § 1, c), 3, 6 en 8, § 2, Wet van 3 april 1997 betreffende het fiscaal stelsel van gefabriceerde tabak volgt dat een product geen tabak hoeft te bevatten om te kwalificeren als rooktabak en derhalve als tabaksfabricaat in de zin van artikel 2, § 1, c), Wet 3 april 1997 Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Wettelijke bepalingen: Wet 3 april 1997 betreffende het fiscaal stelsel van gefabriceerde tabak - 03-04-1997 - Art. 8, § 2 - 40 ELI link Pub nr 1997003241 Fiches 2 - 3 Uit die communautaire bepalingen van de artikelen 5.2 en 5.4 van het Communautair Douanewetboek en de internrechtelijke bepalingen van de artikelen 70-3, § 2, en 127, Algemene Wet Douane en Accijnzen, vóór de wijziging door de artikelen 71 en 126 van de wet van 12 mei 2014, volgt dat een douane-expediteur die dat wenste wel degelijk de mogelijkheid had om douaneaangiften te doen in de hoedanigheid van directe vertegenwoordiger van zijn opdrachtgever; het voorbehouden van de indirecte vertegenwoordiging aan ingeschreven douane-expediteurs hield geen verbod in om als directe vertegenwoordiger aangifte te doen, zodat de Belgische Staat geen bepaling van communautaire wetgeving geschonden of het ermee verband houdende effectiviteitsbeginsel heeft miskend

(1).
(1)Cass. 12 april 2019, AR F.17.0098.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190412.2, AC 2019, nr. 231, met concl. van advocaat-generaal J. VAN DER FRAENEN; Cass. 15 januari 2019, AR P.18.0722.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190115.2, AC 2019, nr. 21; Cass. 20 maart 2018, AR P.17.1017.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180320.3, AC 2018, nr. 193. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Wettelijke bepalingen: EEG-Verordening nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek - 12-10-1992 - Art. 5.2 - 32 Link Justel databank 19921012-32 EEG-Verordening nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek - 12-10-1992 - Art. 5.4 - 32 Link Justel databank 19921012-32 Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 70-3, § 2 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 127 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Fiche 4 De persoon die optreedt als aangever van de ingevoerde goederen, dit wil hier zeggen voor eigen rekening en dus niet voor rekening van een opdrachtgever, is overeenkomstig artikel 7, § 1, d), en § 2, Accijnswet 2009, gehouden tot betaling van de verschuldigd geworden accijnzen
(1).
(1)In casu was de versie van artikel 7, § 1, d), Accijnswet 2009 van vóór de wijziging ervan door de wet van 16 oktober 2022, van toepassing. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Wettelijke bepalingen: Wet 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen - 22-12-2009 - Art. 7 - 13 ELI link Pub nr 2009003493 Tekst van de beslissing Nr. P.23.1410.N BOLLORÉ LOGISTICS BELGIUM nv, met zetel te 2000 Antwerpen, Italiëlei 124, beklaagde, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Werner Derijcke, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 65 bus 11, tegen BELGISCHE STAAT, fod Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de adviseur-generaal van de administratie geschillen van de algemene administratie van de douane en accijnzen, met kantoren respectievelijk te 1030 Brussel, Nord Galaxy, Koning Albert II-laan en te 1000 Brussel, Finance Tower Administratief Centrum, Kruidtuinlaan 50 bus 320, vervolgende partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 30 augustus
  1. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: uit de redenen van het arrest kan niet worden afgeleid waarom het hof van beroep oordeelt dat bij de eiseres de bestanddelen aanwezig waren van de haar ten laste gelegde strafbare feiten van sluikinvoer en het onwettig voorhanden hebben in het Rijk van waterpijptabak waarvan de verpakkingen niet voorzien zijn van Belgische fiscale kentekens; aldus laat het arrest niet toe die beslissing te begrijpen en kan het Hof zijn wettigheidscontrole niet uitoefenen.
  3. Het arrest (p. 8, nr. 5, al. 2 en 3, en p. 12, al. 3) oordeelt niet zoals het middel vermeldt. Het oordeelt wel dat de eiseres, ook al voldoet zij niet aan de constitutieve bestanddelen van de haar ten laste gelegde feiten, als aangever van de ingevoerde goederen gehouden is tot voldoening van de ingevolge die feiten verschuldigde accijnzen op grond van onder meer artikel 7, § 1, d), Accijnswet
  4. Het middel mist feitelijke grondslag. Tweede middel
  5. Het middel voert schending aan van artikel 2, § 1, van de wet van 3 april 1997 betreffende het fiscaal stelsel van gefabriceerde tabak (hierna Wet 3 april 1997), alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de belastingwetten strikt moeten worden geïnterpreteerd: het arrest dat de fiscale rechtsvordering van de verweerder inwilligt, geeft aan de term “tabak” een draagwijdte die verder gaat dan de definitie ervan in artikel 2 Wet 3 april
  6. Overeenkomstig artikel 2, § 1, c), Wet 3 april 1997 wordt voor de toepassing van de bepalingen van die wet rooktabak aangemerkt als een tabaksfabrikaat. Artikel 3 Wet 3 april 1997 stelt de accijns en de bijzondere accijns vast op de hier te lande in verbruik gestelde tabaksfabricaten. Artikel 6 Wet 3 april 1997 definieert rooktabak als in dat artikel bedoelde tabak of tabaksafval, geschikt om te worden gerookt. Artikel 8, § 2, Wet 3 april 1997 stelt met rooktabak gelijk, de producten die geheel of gedeeltelijk uit andere stoffen dan tabak bestaan, maar die aan de overige criteria van artikel 6 voldoen. Aldus hoeft een product geen tabak te bevatten om te kwalificeren als rooktabak en derhalve als een tabaksfabrikaat in de zin van artikel 2, § 1, c), Wet 3 april
  7. Hieruit volgt dat het arrest met de in het middel bekritiseerde redenen, onder meer met de reden dat de term rooktabak ruim dient te worden geïnterpreteerd en dat die term ook tabakssurrogaten bevat, wettig en zonder aan de fiscale wet een niet-toegelaten interpretatie te geven, beslist dat de invoer in deze zaak betrekking had op aan accijnzen onderworpen tabaksfabricaten. Het middel kan niet worden aangenomen. Derde middel
  8. Het middel voert schending aan van artikel 5.2 CDW vóór de opheffing ervan door het DWU, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het primaat van bepalingen met rechtstreekse werking van het internationaal recht, met inbegrip van het communautair recht, op bepalingen van het nationaal recht, wat het effectiviteitsbeginsel omhelst: anders dan het arrest oordeelt, voorzag de Belgische wetgeving ten tijde van de feiten enkel in de onrechtstreekse vertegenwoordiging, zodat de eiseres in strijd met de keuzemogelijkheden bepaald in artikel 5 CDW verplicht was om de aangiften in die hoedanigheid te doen; het verbod aan, minstens de praktische onmogelijkheid voor destijds de douaneagenten, waaronder de eiseres, om op te treden als directe vertegenwoordiger kan niet redelijkerwijze worden ontkend; bijgevolg kan de eiseres, wiens goede trouw niet is betwist, niet gehouden worden tot betaling van de eventuele invoerrechten verschuldigd ingevolge de naderhand vastgestelde sluikinvoer van waterpijptabak.
  9. Artikel 5.2 CDW bepaalt dat vertegenwoordiging: - direct kan zijn, wanneer de vertegenwoordiger in naam en voor rekening van een andere persoon handelt, dan wel, - indirect kan zijn, wanneer de vertegenwoordiger in eigen naam maar voor rekening van een andere persoon handelt. Volgens die bepaling kunnen de lidstaten het recht om op hun grondgebied douaneaangiften te doen volgens de methode van de directe of de indirecte vertegenwoordiging zodanig voorbehouden dat de vertegenwoordiger een douanecommissionair moet zijn die daar zijn beroep uitoefent. Artikel 5.4 CDW bepaalt dat: - de vertegenwoordiger dient te verklaren voor de vertegenwoordigde persoon te handelen en aan te geven of het een directe of een indirecte vertegenwoordiging betreft en hij vertegenwoordigingsbevoegdheid moet bezitten; - de persoon die niet verklaart in naam of voor rekening van een andere persoon te handelen of die verklaart in naam of voor rekening van een andere persoon te handelen, zonder dat hij vertegenwoordigingsbevoegdheid bezit, wordt geacht in eigen naam en voor eigen rekening te handelen.
  10. Artikel 70-3, § 2, AWDA, vóór de wijziging door artikel 71 van de wet van 12 mei 2014, bepaalt dat de aangever kan handelen: - ofwel in eigen naam en voor eigen rekening; - ofwel in eigen naam maar voor rekening van een derde volgens de voorwaarden bepaald in hoofdstuk XIV; - ofwel in eigen naam en voor rekening van een derde. Artikel 127 AWDA, vóór de wijziging door artikel 126 van de wet van 12 mei 2014, bepaalt dat: - niemand als douane-expediteur mag optreden als hij niet is ingeschreven in een speciaal onder de door de minister van Financiën bepaalde voorwaarden bij te houden register; - onder douane-expediteur wordt verstaan elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die beroepsmatig, uit zijn naam, voor rekening van derden, de douaneformaliteiten bij in-, uit- of doorvoer vervult.
  11. Uit die communautaire en internrechtelijke bepalingen volgt dat een douane-expediteur die dat wenste wel degelijk de mogelijkheid had om douaneaangiften te doen in de hoedanigheid van directe vertegenwoordiger van zijn opdrachtgever. Het voorbehouden van de indirecte vertegenwoordiging aan ingeschreven douane-expediteurs hield geen verbod in om als directe vertegenwoordiger aangifte te doen. Aldus heeft de Belgische Staat geen bepaling van communautaire wetgeving geschonden of het ermee verband houdende effectiviteitsbeginsel miskend.
  12. Noch de evolutie in de communautaire of de Belgische wetgeving, noch wetgevende dan wel administratieve stukken of standpunten, noch de commentaren, dit alles zoals in het middel aangehaald, laten toe anders te oordelen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  13. Op grond van de redenen die het arrest (p. 10-12) bevat, oordeelt het met betrekking tot de hier ingediende aangiften dat het de douane-expediteur niet verboden was om als directe vertegenwoordiger een aangifte te doen en dat de internrechtelijke regeling niet strijdig is met de communautaire bepalingen. Die beslissing is naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Vierde middel
  14. Het middel voert schending aan van artikel 8 van de richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van Richtlijn 92/12/EEG, vóór de intrekking van Richtlijn 2008/118/EG door Richtlijn (EU) 2020/262 van de Raad van 19 december 2019 houdende een algemene regeling inzake accijns (herschikking) en artikel 7 Accijnswet 2009 vóór de wijziging ervan door de wet van 16 oktober 2022: het arrest oordeelt ten onrechte dat de eiseres gehouden is tot voldoening van de ingevolge de invoer verschuldigd geworden accijnzen; door het gebruik van het woord “of” voorziet artikel 7, § 1, d), Accijnswet 2009, zoals van toepassing, niet in een gehoudenheid van de aangever én van de persoon voor wiens rekening de goederen bij invoer worden aangegeven; wanneer de identiteit van de persoon voor wiens rekening de aangifte gedaan wordt, gekend is, is de aangever “voor rekening” niet gehouden; de schuldenaar van de accijnzen is de persoon voor wiens rekening de aangifte wordt gedaan.
  15. Artikel 7, § 1, d), Accijnswet 2009, zoals van toepassing, bepaalt dat tot voldoening van de verschuldigd geworden accijnzen gehouden is, de persoon die de accijnsgoederen bij invoer aangeeft of voor wiens rekening de goederen bij invoer worden aangegeven of, in geval van onregelmatige invoer, enig andere persoon die bij de invoer betrokken is geweest. Die bepaling is in overeenstemming met artikel 8.1, d), van de voormelde Richtlijn 2008/118/EG. Artikel 7, § 2, Accijnswet 2009 bepaalt dat indien er voor eenzelfde accijnsschuld verscheidene schuldenaren zijn, zij hoofdelijk zijn gehouden tot betaling van deze schuld.
  16. Uit het antwoord op het derde middel blijkt dat de eiseres is opgetreden als aangever van de ingevoerde goederen, dit wil hier zeggen voor eigen rekening en dus niet voor rekening van een opdrachtgever. Aldus verantwoordt het arrest op grond van de vermelde wetsbepalingen de beslissing naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 100,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 23 januari 2024 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240123.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250124.1N.33 precedenten: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180320.3 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190115.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190412.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.