id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240125.1N.12 Rolnummer: F.22.0075.N Zaak: V. contra Vlaamse Gewest Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Unierecht - Overige - Belastingrecht Invoerdatum: 2024-05-06 Raadplegingen: 354 - laatst gezien 2026-06-15 04:33 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Krachtens het tweede lid van artikel 267 VWEU heeft een rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht vatbaar zijn voor hoger beroep, aldus de mogelijkheid om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie, indien zij een beslissing op dat punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis, terwijl, krachtens het derde lid, een rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, hiertoe de verplichting heeft; het hof van beroep, waarvan de beslissingen vatbaar zijn voor cassatieberoep, had in het voorliggend geval derhalve niet de verplichting om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - PREJUDICIELE GESCHILLEN Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 267 - 01 Link Justel databank 19570325-01 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 267 - 01 Link Justel databank 19570325-01 Fiches 3 - 4 Uit de bewoordingen en de doelstelling van artikel 110 VWEU volgt kennelijk dat deze verdragsbepaling niet eraan in de weg staat dat de gefedereerde entiteiten in een lidstaat, volgens een interne bevoegdheidsverdeling, een eigen berekeningsgrondslag hanteren voor de belasting op motorvoertuigen voor zover die belasting, binnen elke entiteit, volgens dezelfde objectieve criteria wordt toegepast op ingevoerde en op gelijksoortige binnenlandse voertuigen, zodat ingevoerde producten in geen enkel geval zwaarder worden belast dan binnenlandse producten
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Allerlei Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 110 - 01 Link Justel databank 19570325-01 Thesaurus CAS: VERKEERSBELASTING OP MOTORRIJTUIGEN (MOTORRIJTUIGENBELASTING) Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 110 - 01 Link Justel databank 19570325-01 Fiches 5 - 6 De veroordeling tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding aan een overheid die in het gelijk wordt gesteld, als forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van haar advocaat, vormt slechts een inbreuk op het recht op een doeltreffende voorziening in rechte vervat in artikel 47 Handvest, indien die veroordeling tot een rechtsplegingsvergoeding voor de eiser een onoverkomelijk obstakel voor de toegang tot de rechter vormt dan wel de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten praktisch onmogelijk of buitensporig moeilijk maakt
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Grondslagen Wettelijke bepalingen: Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 47 Thesaurus CAS: RECHTSPLEGINGSVERGOEDING Wettelijke bepalingen: Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 47 Tekst van de beslissing Nr. F.22.0075.N A.F.M.J., eiser, met als raadsman Guy Schiepers, advocaat bij de balie Limburg, met kantoor te 3700 Tongeren, Henisstraat 15, tegen VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering in de persoon van de minister voor Financiën en Begroting, Wonen en Onroerend Erfgoed, met kabinet te 1210 Brussel, Koning Albert II-laan 7, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0220.819.807, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 15 februari 2022. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 14 december 2023 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel 1. Krachtens artikel 267, eerste lid, VWEU is het Hof van Justitie van de Europese Unie bevoegd, bij wijze van prejudiciële beslissing, een uitspraak te doen
- a)over de uitlegging van de Verdragen,
- b)over de geldigheid en de uitlegging van de handelingen van de instellingen, de organen of de instanties van de Unie. Artikel 267, tweede lid, VWEU bepaalt dat, indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen voor een rechterlijke instantie van een der lidstaten, deze instantie, indien zij een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis, het Hof van Justitie kan verzoeken over deze vraag een uitspraak te doen. Het derde lid bepaalt dat, indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen in een zaak aanhangig bij een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, deze instantie gehouden is zich tot het Hof te wenden. 2. Krachtens het tweede lid van artikel 267 VWEU heeft een rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht vatbaar zijn voor hoger beroep, aldus de mogelijkheid om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie, indien zij een beslissing op dat punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis, terwijl, krachtens het derde lid, een rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, hiertoe de verplichting heeft. 3. Het onderdeel dat er geheel van uitgaat dat het hof van beroep, waarvan de beslissingen vatbaar zijn voor cassatieberoep, de verplichting had om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie, faalt naar recht. Tweede onderdeel 4. Artikel 110, eerste lid, VWEU bepaalt dat de lidstaten op producten van de overige lidstaten, al dan niet rechtstreeks, geen hogere binnenlandse belastingen van welke aard ook heffen dan die welke, al dan niet rechtstreeks, op gelijksoortige nationale producten worden geheven. Het tweede lid bepaalt dat de lidstaten op de producten van de overige lidstaten bovendien geen zodanige binnenlandse belastingen heffen, dat daardoor andere producties zijdelings worden beschermd. 5. Het Hof van Justitie oordeelt in vaste rechtspraak dat voornoemde verdragsbepaling tot doel heeft het vrije verkeer van goederen tussen de lidstaten onder normale mededingingsvoorwaarden te verzekeren en elke vorm van bescherming uit te sluiten die het gevolg kan zijn van de toepassing van binnenlandse belastingen die discriminerend zijn ten opzichte van producten uit andere lidstaten. Zij beoogt de volstrekte neutraliteit van de binnenlandse belastingen te waarborgen ten aanzien van de mededinging tussen producten die zich reeds op de binnenlandse markt bevinden en ingevoerde producten (HvJ 7 april 2011, C-402/09, Tatu, r.o. 34-35; HvJ 19 december 2013, C-437/12, X, r.o. 26 en 29; HvJ 14 april 2015, C-76/14, Manea, r.o. 28-29; HvJ 2 september 2021, C-169/20, Commissie t. Portugal, r.o. 34). Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie kan een belastingstelsel slechts worden geacht verenigbaar te zijn met voormelde bepaling, indien vaststaat dat het zodanig is ingericht dat het in alle gevallen is uitgesloten dat ingevoerde producten zwaarder worden belast dan binnenlandse producten en dat het bijgevolg in geen geval discriminerende gevolgen heeft (HvJ 19 maart 2009, C-10/08, Commissie t. Finland, r.o. 24; HvJ 19 december 2013, C-437/12, X, r.o. 28). Een belastingstelsel kwalificeert onder voornoemd artikel wanneer categorieën producten stelselmatig worden getroffen volgens objectieve, onafhankelijk van de oorsprong of bestemming van de producten toegepaste criteria (HvJ 2 april 1998, C-213/96, Outokumpu, r.o. 19-20). 6. Het Hof van Justitie herinnert eraan dat de belasting op motorvoertuigen op het niveau van de Europese Unie niet is geharmoniseerd en dat de lidstaten op dit gebied dus vrij hun fiscale bevoegdheid uitoefenen, mits zij daarbij het Unierecht eerbiedigen (HvJ 21 maart 2002, C-451/99, Cura Anlagen, r.o. 40; HvJ 26 april 2012, C-578/10 tot en met C-580/10, Staatssecretaris van Financiën t. van Putten e.a., r.o. 37). 7. Uit de bewoordingen en de doelstelling van artikel 110 VWEU volgt kennelijk dat deze verdragsbepaling niet eraan in de weg staat dat de gefedereerde entiteiten in een lidstaat, volgens een interne bevoegdheidsverdeling, een eigen berekeningsgrondslag hanteren voor de belasting op motorvoertuigen voor zover die belasting, binnen elke entiteit, volgens dezelfde objectieve criteria wordt toegepast op ingevoerde en op gelijksoortige binnenlandse voertuigen, zodat ingevoerde producten in geen enkel geval zwaarder worden belast dan binnenlandse producten. 8. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de eiser, woonachtig in het Vlaams Gewest, een uit Duitsland afkomstige tweedehands personenwagen in voormeld gewest heeft laten inschrijven en de verweerder hiervoor een aanslagbiljet in de verkeersbelasting en de belasting op de inverkeerstelling heeft verzonden; - de eiser hiertegen bezwaar heeft aangetekend, nu in het Waals Gewest een lagere belasting op de inschrijving van motorvoertuigen geldt en, krachtens artikel 110 VWEU, de belasting op ingevoerde motorvoertuigen zou worden begrensd door de laagste nationale heffing en niet door de heffing in het gewest waarin het ingevoerde voertuig wordt ingeschreven; - de verkeersbelasting een volledig autonome regionale gewestbelasting betreft en er geen Unierechtelijke bepaling bestaat op grond waarvan het de lidstaten niet zou zijn toegelaten om de integrale bevoegdheid over een niet-geharmoniseerde belasting over te dragen aan een regionale overheid; - de berekening van de belastbare grondslag in het Vlaams Gewest sinds 1 maart 2012 op basis van de milieukenmerken van het voertuig gebeurt en dit geldt voor alle voertuigen die met adres in Vlaanderen worden ingeschreven in het repertorium van de Dienst voor Inschrijving van Voertuigen; - het de eiser vrijstaat zich te vestigen in Vlaanderen en er zijn voertuig in te schrijven en hij dan op dezelfde wijze wordt belast als elke andere persoon die zijn voertuig in Vlaanderen laat inschrijven; - de Vlaamse regelgeving niet inhoudt dat een hogere belasting wordt geheven op wagens van overige lidstaten in vergelijking met de belasting die wordt geheven op binnenlandse (Vlaamse) wagens en de eiser niet op een ongelijke wijze wordt aangeslagen in vergelijking met andere personen die zich in dezelfde omstandigheden bevinden; - er geen zwaardere belastingdruk is voor een buitenlands voertuig in vergelijking met eenzelfde binnenlands voertuig, maar de verschillen geobjectiveerd zijn in de wet en volgen uit verschillende milieukenmerken. 9. Door op die grond te oordelen dat de belastingheffing door de verweerder van het door de eiser ingevoerde en in het Vlaams Gewest ingeschreven voertuig, volgens de in dit gewest geldende en niet volgens de laagste nationale belasting, artikel 110 VWEU niet schendt, verantwoordt de appelrechter zijn beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde onderdeel 10. Het onderdeel vormt geen zelfstandige grief maar is geheel afgeleid uit het tevergeefs aangevoerde verweer in het eerste en tweede onderdeel. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Vierde onderdeel 11. Krachtens artikel 47, eerste lid, Handvest Grondrechten Europese Unie heeft eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn miskend, recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden. Het tweede lid bepaalt dat eenieder recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen. 12. Het Hof van Justitie oordeelt in vaste rechtspraak dat het door artikel 47 Handvest gewaarborgde recht op een doeltreffende voorziening in rechte zich enkel tegen het in rekening brengen van kosten van een gerechtelijke procedure verzet, indien zij een onoverkomelijk obstakel voor de toegang tot de rechter vormen dan wel de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten praktisch onmogelijk of buitensporig moeilijk maken (HvJ 22 december 2010, C-279/09, DEB, r.o. 61; HvJ 28 juli 2016, C-543/14, Ordre des barreaux francophones et germanophone e.a. t. Ministerraad, r.o. 31 en 36). 13. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de veroordeling tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding aan een overheid die in het gelijk wordt gesteld, als forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van haar advocaat, in elk geval een inbreuk vormt op het recht op een doeltreffende voorziening in rechte vervat in artikel 47 Handvest, ongeacht de vraag of die veroordeling tot een rechtsplegingsvergoeding voor de eiser een onoverkomelijk obstakel voor de toegang tot de rechter vormt dan wel de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten praktisch onmogelijk of buitensporig moeilijk maakt, faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 570,12 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans en Myriam Ghyselen, en in openbare rechtszitting van 25 januari 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240125.1N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div