id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240125.1N.9 Rolnummer: F.22.0027.N Zaak: BELGISCHE STAAT contra V. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2024-05-06 Raadplegingen: 376 - laatst gezien 2026-06-15 04:33 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche De toepassing van het wettelijk vermoeden vervat in artikel 64, §§ 1 en 2, Btw-wetboek vereist dat de belastingadministratie voorafgaandelijk bewijst dat de belastingplichtige goederen, verkregen of geproduceerd om ze te verkopen, heeft geleverd of diensten heeft verricht; uit het loutere feit dat de belastingplichtige in de personenbelasting een tekort aan omzet heeft aangegeven, volgt niet dat de belastingplichtige ook voor btw doeleinden eenzelfde tekort aan omzet heeft aangegeven en dus voor eenzelfde bedrag aan goederen, verkregen of geproduceerd om ze te verkopen, heeft geleverd of diensten heeft verricht, die niet in zijn btw-aangifte werden opgenomen. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Wettelijke bepalingen: Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 64 - 32 Link Justel databank 19690703-32 Tekst van de beslissing Nr. F.22.0027.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur-generaal KMO Centrum Brugge, met kantoor te 8000 Brugge, G. Vincke Dujardingstraat 4, eiser, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets en mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaten bij het Hof van Cassatie, beiden met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de eiser woonplaats kiest. tegen P.V., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het hof van beroep te Gent van 14 september
- Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 14 december 2023 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Myriam Ghyselen heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Krachtens artikel 64, § 1, Btw-wetboek wordt hij die goederen verkrijgt of produceert om ze te verkopen, behoudens tegenbewijs, geacht de door hem verkregen of geproduceerde goederen te hebben geleverd onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt. Krachtens artikel 64, § 2, Btw-wetboek wordt hij die diensten verricht, behoudens tegenbewijs, geacht dat te hebben gedaan onder voorwaarden waaronder die belasting opeisbaar wordt.
- Deze bepalingen houden een weerlegbaar wettelijk vermoeden in dat de bewijslast omkeert in het voordeel van de belastingadministratie. Indien de belastingadministratie bewijst dat de belastingplichtige goederen, verkregen of geproduceerd om ze te verkopen, heeft geleverd of diensten heeft verricht, moet deze laatste om de heffing van btw over de omzet te vermijden, aantonen dat de goederen niet werden verkocht of dat de levering of de dienstverstrekking geheel of ten dele vrijgesteld is van btw. De toepassing van dit wettelijk vermoeden vereist dat de belastingadministratie voorafgaandelijk bewijst dat de belastingplichtige goederen, verkregen of geproduceerd om ze te verkopen, heeft geleverd of diensten heeft verricht. Uit het loutere feit dat de belastingplichtige in de personenbelasting een tekort aan omzet heeft aangegeven, volgt niet dat de belastingplichtige ook voor btw doeleinden eenzelfde tekort aan omzet heeft aangegeven en dus voor eenzelfde bedrag aan goederen, verkregen of geproduceerd om ze te verkopen, heeft geleverd of diensten heeft verricht, die niet in zijn btw-aangifte werden opgenomen.
- De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - uit het dossier op geen enkele manier blijkt dat de eiser heeft vastgesteld dat de verweerder in zijn btw-aangiften voor de betreffende jaren en bovendien voor dezelfde bedragen ook, zoals dat voor de personenbelasting het geval was, te weinig omzet heeft aangegeven; - in alles wat de eiser in dat verband als argumenten aanvoert, hij eraan voorbij gaat dat aangiften in de personenbelasting en aangiften in de btw in wezen los van elkaar gebeuren; - uit het enkele feit dat is vastgesteld dat de verweerder voor de personenbelasting onjuiste aangiften indiende, in het bijzonder door voor het gedeelte ervan dat overeenstemt met zijn omzet een lager cijfer aan te geven, nog niet kan worden afgeleid dat de verweerder met betrekking tot dezelfde periodes ook voor de btw te weinig omzet heeft aangegeven, en al zeker niet voor precies dezelfde bedragen; - de meeromzet voor de personenbelasting werd afgeleid op indiciaire wijze, wat nu eenmaal een werkwijze is die bestaat uit het vergelijken met wat in de aangifte voor de inkomstenbelasting werd aangegeven; - concreet ook blijkt dat in de indiciaire afrekeningen niets anders dan de netto winst of het netto verlies zoals vermeld in de aangifte personenbelasting was opgenomen, in rekening werd gebracht; - de achtergrond is dat de eiser de verweerder de praktijk verweet om voor de personenbelasting het aangeven van een lager omzetcijfer te combineren met het aangeven van minder kosten dan werkelijk gemaakt en in de boekhouding opgenomen en dat niet zomaar vermoed kan worden dat een dergelijke aanpak ook zou hebben bestaan bij het indienen van de btw-aangiften; - de verweerder terecht laat gelden dat uit niets blijkt dat de controleagent gecontroleerd heeft of de cijfers die als meeromzet werden aangenomen voor de personenbelasting, al dan niet geheel of gedeeltelijk begrepen waren in de omzet die door de verweerder voor de btw was aangeven; - op basis van de cijfers die de verweerder voor de beide jaren had aangegeven, het alvast niet uitgesloten is dat de omzet aangegeven in de btw-aangiften hoger was dan het geval was voor de personenbelasting.
- De appelrechter die op deze gronden oordeelt dat de eiser het tekort aan aangegeven omzet dat is vastgesteld voor de personenbelasting, ook als tekort aan aangegeven omzet voor de btw heeft beschouwd zonder dat blijkt dat en waaruit die overeenstemming kan worden afgeleid, de naheffing waarvoor de eiser het bestreden dwangbevel heeft uitgevaardigd, willekeurig is vastgesteld en bijgevolg niet afdoende bewezen is, verantwoordt zijn beslissing naar recht. Aldus verantwoordt de appelrechter zijn beslissing naar recht. In zoverre het onderdeel de schending aanvoert van artikel 64, § 1 en 2, Btw-wetboek, kan het niet worden aangenomen.
- In zoverre het onderdeel schending aanvoert van de artikelen 2, en 59, § 1, Btw-wetboek, artikel 870 Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 8.4, eerste lid, en 8.7 Burgerlijk Wetboek, is het geheel afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van artikel 64, § 1 en 2, Btw-wetboek en bijgevolg niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 636,27 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans en Myriam Ghyselen, en in openbare rechtszitting van 25 januari 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240125.1N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div