id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20
Art. 211bis
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 211bis
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: VERJARING - STRAFZAKEN - Strafvordering - Burgerlijke vordering voor de strafrechter Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 211bis
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 4 - 8 De rechtstoestand van een beklaagde die in eerste aanleg wordt vrijgesproken en die in hoger beroep schuldig wordt verklaard en aan wie een strafsanctie wordt opgelegd, valt niet te vergelijken met de rechtstoestand van een beklaagde die in eerste aanleg wordt vrijgesproken en waarbij in hoger beroep wordt geoordeeld dat de strafvordering is vervallen door verjaring, wordt vastgesteld dat de betrokkene het als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd en aan wie een herstelmaatregel wordt opgelegd; bij de eerste wordt vastgesteld dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf en daarvoor tot straf moet worden veroordeeld, terwijl voor wat betreft de tweede enkel wordt vastgesteld dat hij een als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd en gehouden is tot herstel, zonder dat hem enige strafsanctie kan worden opgelegd. Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Fiche 9 De in artikel 152, § 1, derde lid, en § 3, eerste lid, Wetboek van Strafvordering uitgewerkte regeling inzake de neerlegging van conclusies en de conclusietermijnen verzet zich niet ertegen dat indien een partij tijdig via elektronische weg een conclusie heeft ingediend ter griffie en die conclusie ook tijdig ter kennis heeft gebracht van de tegenpartijen, maar die conclusie door een administratieve vergissing in een verkeerd dossier is ingediend, de rechter ondanks het verzet van de tegenpartijen die conclusie niettemin in aanmerking neemt. Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 152
, § 1, derde lid, en § 3, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0800.N
- C. J. C. A., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Joost Huysmans, advocaat bij de balie Antwerpen,
- E. E. C. T. V., beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Joost Huysmans, advocaat bij de balie Antwerpen,
- Y. A. C. A., beklaagde, eiser,
- CAVE nv, met zetel te 3000 Leuven, Brusselsestraat 120, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Joost Huysmans, advocaat bij de balie Antwerpen, de cassatieberoepen tegen
- GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR VAN DE AFDELING HANDHAVING, met kantoor te 3000 Leuven, Diestsepoort 6 bus 93, eiser tot herstel, verweerder, met als raadsman mr. Dennis Muniz Espinoza, advocaat bij de balie Leuven, met kantoor te 3000 Leuven, Diestsevest 47 bus 001, waar de verweerder woonplaats kiest,
- BURGEMEESTER VAN DE STAD LEUVEN, met kantoor te 3000 Leuven, Professor Van Overstraetenplein 1, eiser tot herstel, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 6 mei
- De eisers 1 en 2 respectievelijk de eiseres 4 voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, telkens twee middelen aan. De eiser 3 voert geen middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
- Het arrest stelt vast dat de strafvordering tegen de eisers 1 tot en met 4 is vervallen door verjaring. Het stelt tevens vast dat de herstelvordering tegen de eiser 3 met betrekking tot het pand te Leuven, (…) zonder voorwerp is. In zoverre ook tegen die beslissingen gericht, zijn de cassatieberoepen van de eisers, voor elk wat hen betreft, bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel
- Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 211bis Wetboek van Strafvordering: het appelgerecht beveelt voor het eerst in hoger beroep herstelmaatregelen met betrekking tot de feiten omschreven onder de telastleggingen C en D voor wat betreft de eisers 1 en 2 en met betrekking tot de feiten omschreven onder de telastlegging C voor wat betreft de eiseres 4, waarvoor deze eisers in eerste aanleg waren vrijgesproken, zonder vast te stellen dat die beslissingen met eenparigheid werden genomen. Het tweede onderdeel voert schending aan van de artikelen 10 en 11 Grondwet en artikel 211bis Wetboek van Strafvordering: de rechtspraak die geen eenparigheid vereist indien na een vrijsprekend vonnis in eerste aanleg de appelrechters voor wat betreft de burgerlijke rechtsvordering oordelen dat de beklaagde de als misdrijf omschreven feiten heeft gepleegd, kan niet worden doorgetrokken naar de situatie van een vrijspraak in eerste aanleg en een beoordeling door het appelgerecht, na de vaststelling dat de strafvordering is vervallen, van het bewezen zijn van de als misdrijf omschreven feiten als grondslag voor de herstelvordering; de herstelvordering behoort immers tot de strafvordering in ruime zin en ze heeft dus een repressieve draagwijdte in tegenstelling tot de burgerlijke rechtsvordering; het opleggen van een herstelmaatregel is afhankelijk van het daadwerkelijk bewezen verklaren van het misdrijf, ook al kan daaraan gelet op het intreden van de verjaring van de strafvordering geen daadwerkelijke strafsanctie worden gekoppeld; anders oordelen, houdt een miskenning in van het grondwettelijk gewaarborgd gelijkheidsbeginsel. Aan het Grondwettelijk Hof moet de volgende prejudiciële vraag worden gesteld: “Schendt artikel 211bis Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 Grondwet wanneer deze bepaling wordt geïnterpreteerd in die zin dat eenparigheid niet is vereist wanneer de appelrechter die enkel uitspraak dient te doen over de stedenbouwkundige herstelvordering, na een vrijspraak voor een feit door de eerste rechter, beslist dat dit als een misdrijf omschreven feit bewezen is lastens de beklaagde en op die grond een herstelmaatregel oplegt, terwijl eenparigheid wel is vereist wanneer de appelrechter na een vrijspraak voor een feit door de eerste rechter, beslist dat de eiser op strafgebied schuldig is aan dit feit en op die grond hem een herstelmaatregel oplegt?”
- Artikel 211bis, eerste en tweede zin, Wetboek van Strafvordering bepaalt: “Is er een vrijsprekend vonnis of een beschikking tot buitenvervolgingstelling, dan kan het gerecht in hoger beroep geen veroordeling of verwijzing uitspreken dan met eenparige stemmen van zijn leden. Dezelfde eenstemmigheid is vereist voor het gerecht in hoger beroep om tegen beklaagde uitgesproken straffen te kunnen verzwaren.”
- De herstelmaatregel inzake ruimtelijke ordening is als bijzondere vorm van teruggave een maatregel van civielrechtelijke aard, die niettemin onder de strafvordering valt. Zij beoogt niet de bestraffing van de overtreder, maar het in het algemeen belang ongedaan maken van de gevolgen van het misdrijf. Zij heeft dan ook geen repressieve draagwijdte. De vordering van de herstelvorderende overheid valt niet vergelijken met de door het openbaar ministerie uitgeoefende strafvordering.
- Uit artikel 211bis Wetboek van Strafvordering volgt dan ook niet dat de appelrechters die anders dan de eerste rechter een herstelmaatregel bevelen dit eenparig moeten beslissen. Het is daarbij zonder belang dat de eerste rechter de beklaagde had vrijgesproken en dat het appelgerecht na het verval van de strafvordering te hebben vastgesteld, oordeelt dat de beklaagde de als misdrijf omschreven feiten heeft gepleegd en vervolgens op grond daarvan de herstelmaatregel beveelt.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- De rechtstoestand van een beklaagde die in eerste aanleg wordt vrijgesproken en die in hoger beroep schuldig wordt verklaard en aan wie een strafsanctie wordt opgelegd, valt niet te vergelijken met de rechtstoestand van een beklaagde die in eerste aanleg wordt vrijgesproken en waarbij in hoger beroep wordt geoordeeld dat de strafvordering is vervallen door verjaring, wordt vastgesteld dat de betrokkene het als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd en aan wie een herstelmaatregel wordt opgelegd. Bij de eerste wordt vastgesteld dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf en daarvoor tot straf moet worden veroordeeld, terwijl voor wat betreft de tweede enkel wordt vastgesteld dat hij een als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd en gehouden is tot herstel, zonder dat hem enige strafsanctie kan worden opgelegd. De prejudiciële vraag wordt niet gesteld. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 152, § 1, derde lid, Wetboek van Strafvordering: het arrest laat ten onrechte na de conclusies van de verweerders uit het debat te weren; de vermelde bepaling voorziet in een automatische en door de rechter ambtshalve uit te spreken wering van de laattijdig ingediende of ter kennis gebrachte conclusies; die sanctionering is niet afhankelijk van een bijkomende toetsing aan het recht op een eerlijk proces; op grond van artikel 152, § 2, Wetboek van Strafvordering kunnen dergelijke conclusies slechts in het debat worden gehouden mits het akkoord van de betrokken partijen of ingeval van de ontdekking van een nieuw of ter zake dienend stuk of feit dat nieuwe besluiten rechtvaardigt, wat hier niet aan de orde is.
- Het arrest stelt niet vast dat de conclusies van de verweerders laattijdig werden ingediend of ter kennis gebracht van de eisers. Het stelt wel vast dat de conclusies van de verweerders tijdig werden ter kennis gebracht van de eisers en tijdig op digitale wijze werden ingediend ter griffie, maar door een administratieve slordigheid in een verkeerd dossier werden ingediend (dossier 2019co123 in plaats van dossier 2019co1232). In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- Artikel 152, § 1, derde lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat conclusies die niet voor het verstrijken van de in het tweede lid bedoelde beslissing vastgestelde termijnen zijn neergelegd of meegedeeld ambtshalve uit het debat worden geweerd. Artikel 152, § 3, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat conclusies ook kunnen worden neergelegd of meegedeeld na het verstrijken van de vastgelegde termijnen mits het akkoord van de betrokken partijen of bij de ontdekking van een nieuw en ter zake dienend stuk of feit dat nieuwe besluiten rechtvaardigt.
- De in artikel 152, § 1, derde lid, en § 3, eerste lid, Wetboek van Strafvordering uitgewerkte regeling verzet zich niet ertegen dat indien een partij tijdig via elektronische weg een conclusie heeft ingediend ter griffie en die conclusie ook tijdig ter kennis heeft gebracht van de tegenpartijen, maar die conclusie door een administratieve vergissing in een verkeerd dossier is ingediend, de rechter ondanks het verzet van de tegenpartijen die conclusie niettemin in aanmerking neemt. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest dat op grond van de hierboven vermelde redenen aldus oordeelt, verantwoordt de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten op 117,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 30 januari 2024 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240130.2N.11 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120327.7 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130903.7 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141125.3 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150922.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div