← België

T.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240130.2N.16 Rolnummer: P.24.0112.N Zaak: T. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht - Unierecht Invoerdatum: 2024-02-13 Raadplegingen: 584 - laatst gezien 2026-06-15 06:23 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Uit de artikelen 27, 28.2.
  2. c)en 28.3 van Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel en artikel 38, § 1 en § 2, Wet Europees Aanhoudingsbevel volgt dat, ook al vermeldt artikel 38 Wet Europees Aanhoudingsbevel dit niet uitdrukkelijk en verwijst het evenmin uitdrukkelijk naar artikel 16 Wet Europees Aanhoudingsbevel, het onderzoeksgerecht, behoudens verblijf uit vrije wil van de betrokkene op het grondgebied van de uitvaardigende Staat van het eerste aanhoudingsbevel, wanneer die persoon instemt met de uitvoering van het tweede bevel en afstand doet van de bescherming van het specialiteitsbeginsel, slechts de tenuitvoerlegging van een tweede Europees aanhoudingsbevel kan bevelen indien het vaststelt dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit van het eerste bevel, toestemming heeft verleend voor de overlevering aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit van het tweede bevel in de gevallen waarin die toestemming is vereist; artikel 38, § 2, Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt dat aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit van het eerste bevel een verzoek tot toestemming moet worden gericht samen met de gegevens vermeld in artikel 2, § 4, Wet Europees Aanhoudingsbevel en met een vertaling, maar die bepaling verzet zich niet ertegen dat de ondubbelzinnige toestemming van de uitvoerende rechterlijke autoriteit van het eerste bevel ook kan volgen uit een eerdere beslissing waarin die bevoegde rechterlijke autoriteit een Europees aanhoudingsbevel van dezelfde uitvaardigende lidstaat in dezelfde zaak reeds uitvoerbaar heeft verklaard

(1).
(1)Cass. 26 april 2022, AR P.22.0532.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220426.2N.13, AC 2022, nr. 294; Cass. 11 september 2019, AR P.19.0922.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190911.5, AC 2019, nr. 452 met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH .op datum in Pas. De problematiek in deze zaak was enigszins bijzonder. Aan Nederland werden twee EAB's gericht, één van België en één van Duitsland, die beide door de Nederlandse autoriteit uitvoerbaar werden verklaard. Voorrang werd gegeven aan de overlevering aan België. Duitsland had proactief evenwel ook een EAB gericht aan België en de procedure ging om de uitvoerbaarverklaring ervan in België. Principieel moest dus voor dit Duitse EAB de toestemming gevraagd worden van de Nederlandse autoriteit maar het Hof ging ervan uit dat deze ondubbelzinnig kon worden afgeleid uit de uitvoerbaarverklaring door die Nederlandse autoriteit van het hen destijds overgemaakt Duitse EAB. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 27 Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 28.2.
  1. c)Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 28.3 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 38, §§ 1 en 2 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: UITLEVERING Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 27 Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 28.2.
  2. c)Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 28.3 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 38, §§ 1 en 2 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Fiches 3 - 7 Artikel 6.2 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel bepaalt dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit de rechterlijke autoriteit van de uitvoerende lidstaat is die bevoegd is het Europees aanhoudingsbevel uit te voeren krachtens het recht van de uitvoerende lidstaat en uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie nr. C-510/19 van 24 november 2020 volgt dat het begrip “uitvoerende rechterlijke autoriteit” in de zin van artikel 6.2 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel een autonoom begrip van het Unierecht is dat aldus moet worden uitgelegd dat het de autoriteiten van een lidstaat omvat die, zonder noodzakelijkerwijs rechters of rechterlijke instanties te zijn, in die lidstaat deelnemen aan de strafrechtsbedeling, die onafhankelijk handelen in de uitoefening van de taken die inherent zijn aan de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel en die hun taken uitoefenen in het kader van een procedure die voldoet aan de vereisten die voortvloeien uit een effectieve rechterlijke bescherming; het openbaar ministerie is volgens artikel 151 Grondwet onafhankelijk wat betreft de individuele vervolging en de uitvoerende macht kan zich niet mengen in de concrete uitvoering van de strafvordering, ook al heeft de bevoegde minister een positief injunctierecht en kan hij bindende richtlijnen uitvaardigen van strafrechtelijk beleid; het openbaar ministerie kan zijn door artikel 24 Wet Europees Aanhoudingsbevel toegekende bevoegdheid slechts uitoefenen nadat het onderzoeksgerecht heeft beslist over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel overeenkomstig de in de Wet Europees Aanhoudingsbevel opgenomen toetsingsgronden en die bevoegdheid is bovendien beperkt tot de beslissing om de overlevering in welbepaalde gevallen uit te stellen en dit houdt op van zodra de redenen daarvoor niet meer aanwezig zijn, zodat het in wezen dan ook slechts een uitvoeringsmodaliteit betreft van de overlevering waartoe reeds door het onderzoeksgerecht werd beslist; uit het voorgaande volgt dat het openbaar ministerie voor de toepassing van artikel 24.1 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel kan worden beschouwd als een uitvoerende rechterlijke autoriteit die onafhankelijk handelt in de uitoefening van de taken die inherent zijn aan de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel
(1).
(1)HvJ (Grote Kamer) 24 november 2020, C-510/19 (over het Nederlandse OM). Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 6.2 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 24 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 151 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: UITLEVERING Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 6.2 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 24 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 151 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 6.2 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 24 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 151 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 151 Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 6.2 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 24 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 151 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 6.2 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 24 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 151 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0112.N M. T., persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Joris Van Cauter, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 18 januari 2024. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van de artikelen 27, 28.2.
  1. c)en 28.3 van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ van 13 juni 2002 van de Raad betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (hierna Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel) en artikel 38, § 1 en § 2, Wet Europees Aanhoudingsbevel: het arrest beveelt de tenuitvoerlegging van het Duits Europees aanhoudingsbevel zonder de duidelijke en ondubbelzinnige toestemming van de Nederlandse autoriteiten om de eiser aan Duitsland over te leveren; het Duits Europees aanhoudingsbevel betreft immers het tweede bevel nadat de eiser op grond van een eerste Belgisch Europees aanhoudingsbevel door Nederland aan België werd overgeleverd; de eiser heeft nooit vrijwillig op het Belgisch grondgebied verbleven, niet ingestemd met de overlevering aan Duitsland en geen afstand gedaan van het specialiteitsbeginsel. 2. Uit de als geschonden aangevoerde bepalingen volgt dat, ook al vermeldt artikel 38 Wet Europees Aanhoudingsbevel dit niet uitdrukkelijk en verwijst het evenmin uitdrukkelijk naar artikel 16 Wet Europees Aanhoudingsbevel, het onderzoeksgerecht slechts de tenuitvoerlegging van een tweede Europees aanhoudingsbevel kan bevelen indien het vaststelt dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit van het eerste bevel, toestemming heeft verleend voor de overlevering aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit van het tweede bevel in de gevallen waarin die toestemming is vereist. 3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser uit vrije wil op het Belgisch grondgebied verbleef en evenmin dat hij heeft ingestemd met de tenuitvoerlegging van het Duitse Europees aanhoudingsbevel of afstand deed van de bescherming van het specialiteitsbeginsel. 4. Artikel 38, § 2, Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt dat aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit van het eerste bevel een verzoek tot toestemming moet worden gericht samen met de gegevens vermeld in artikel 2, § 4, Wet Europees Aanhoudingsbevel en met een vertaling. Die bepaling verzet zich evenwel niet ertegen dat de toestemming van de uitvoerende rechterlijke autoriteit van het eerste bevel ook kan volgen uit een eerdere beslissing waarin die bevoegde rechterlijke autoriteit een Europees aanhoudingsbevel van dezelfde uitvaardigende lidstaat in dezelfde zaak reeds uitvoerbaar heeft verklaard. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 5. Met eigen en met overname van de redenen van de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie stelt het arrest (p. 3 en 7) vast dat in dezelfde zaak de Internationale Rechtshulpkamer bij de rechtbank te Amsterdam (Nederland) reeds op 14 juni 2023 eisers overlevering aan Duitsland heeft toegestaan. Uit die vaststelling kan het arrest zonder schending van de in het middel aangewezen bepalingen afleiden dat de vereiste toestemming van de uitvoerende rechterlijke autoriteit van het eerste bevel op ondubbelzinnige wijze werd verleend. Aldus verantwoordt het arrest de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede en derde middel in hun geheel 6. De middelen voeren schending aan van artikel 267 VWEU en de artikelen 6.2 en 24.1 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel: met het oordeel dat niet de kamer van inbeschuldigingstelling maar enkel het openbaar ministerie in België de aangewezen autoriteit is om te oordelen over een vraag tot uitstel van de overlevering in het kader van een lopende vervolging, verantwoordt het arrest de beslissing om dit verzoek van de eiser te verwerpen niet naar recht; wegens een gebrek aan onafhankelijkheid ten aanzien van de uitvoerende macht kan het openbaar ministerie in zoverre immers niet de uitvoerende rechterlijke autoriteit zijn in de zin van de aangevoerde bepalingen; ondergeschikt moet aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de volgende prejudiciële vragen worden gesteld: “1. Kan het Belgische openbaar ministerie in acht genomen artikel 151 van de Grondwet functioneren als rechterlijke autoriteit in de zin van artikel 6.2 Kaderbesluit? 2. Is artikel 24 Wet Europees Aanhoudingsbevel, al dan niet in samenlezing met artikel 151 van de Grondwet, in strijd met de artikelen 6 en 24 van het Kaderbesluit in zoverre het beslissingen kan nemen (uitstel van tenuitvoerlegging van een overlevering) die voorbehouden zijn aan een rechterlijke autoriteit die volledig onafhankelijk is van de uitvoerende macht?” 7. Artikel 24, § 1, eerste lid, Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt: “Het openbaar ministerie kan in afwijking van het bepaalde in artikel 22 de overlevering van de betrokken persoon uitstellen opdat hij in België zou kunnen worden vervolgd of indien hij reeds is veroordeeld, de straf zou kunnen ondergaan die hem is opgelegd wegens een ander feit dan dat waarop het Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft.” Deze bepaling heeft dezelfde draagwijdte als artikel 24.1 Kaderbesluit en wijst het openbaar ministerie aan als Belgische autoriteit die bevoegd is om de overlevering van de gezochte persoon uit te stellen. 8. In zoverre de middelen zijn gericht tegen de Wet Europees Aanhoudingsbevel zelf en niet tegen het arrest, zijn ze niet ontvankelijk. 9. Artikel 6.2 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel bepaalt dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit de rechterlijke autoriteit van de uitvoerende lidstaat is die bevoegd is het Europees aanhoudingsbevel uit te voeren krachtens het recht van de uitvoerende lidstaat. 10. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie nr. C-510/19 van 24 november 2020 volgt dat het begrip “uitvoerende rechterlijke autoriteit” in de zin van artikel 6.2 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel een autonoom begrip van het Unierecht is dat aldus moet worden uitgelegd dat het de autoriteiten van een lidstaat omvat die, zonder noodzakelijkerwijs rechters of rechterlijke instanties te zijn, in die lidstaat deelnemen aan de strafrechtsbedeling, die onafhankelijk handelen in de uitoefening van de taken die inherent zijn aan de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel en die hun taken uitoefenen in het kader van een procedure die voldoet aan de vereisten die voortvloeien uit een effectieve rechterlijke bescherming. 11. Het openbaar ministerie is volgens artikel 151 Grondwet onafhankelijk wat betreft de individuele vervolging. De uitvoerende macht kan zich niet mengen in de concrete uitvoering van de strafvordering, ook al heeft de bevoegde minister een positief injunctierecht en kan hij bindende richtlijnen uitvaardigen van strafrechtelijk beleid. 12. Het openbaar ministerie kan zijn door artikel 24 Wet Europees Aanhoudingsbevel toegekende bevoegdheid slechts uitoefenen nadat het onderzoeksgerecht heeft beslist over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel overeenkomstig de in de Wet Europees Aanhoudingsbevel opgenomen toetsingsgronden. Die bevoegdheid is bovendien beperkt tot de beslissing om de overlevering in welbepaalde gevallen uit te stellen en dit houdt op van zodra de redenen daarvoor niet meer aanwezig zijn. Het betreft in wezen dan ook slechts een uitvoeringsmodaliteit van de overlevering waartoe reeds door het onderzoeksgerecht werd beslist. 13. Uit het voorgaande volgt dat het openbaar ministerie voor de toepassing van artikel 24.1 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel kan worden beschouwd als een uitvoerende rechterlijke autoriteit die onafhankelijk handelt in de uitoefening van de taken die inherent zijn aan de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel. In zoverre de middelen uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen zij naar recht. 14. Het arrest dat oordeelt zoals de middelen aanhalen, verantwoordt de beslissing naar recht. In zoverre kunnen de middelen niet worden aangenomen. 15. Aangezien er redelijkerwijze geen twijfel kan bestaan over de uitlegging van de voormelde bepalingen van het Unierecht, is er geen reden om het Hof van Justitie van de Europese Unie te bevragen zoals voorgesteld. Ambtshalve onderzoek 16. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 74,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 30 januari 2024 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240130.2N.16 Gerelateerde publicatie(
  2. s)precedenten: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190911.5 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220426.2N.13 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260203.2N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.