id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20
Art. 204
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 210
, derde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 204
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 210, derde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.
P.23.1344.N F. D. E., beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Luk Delbrouck, advocaat bij de balie Limburg, met kantoor te 3500 Hasselt, Maastrichterstraat 99, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 6 september
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en de artikelen 204 en 210, tweede en derde lid, Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging waarvan het recht op tegenspraak een onderdeel is: het hoger beroep van de eiser had betrekking op de procedure, de schuld, de straftoemeting en de burgerlijke rechtsvordering en dat van het openbaar ministerie was uitsluitend gericht op de strafmaat; het arrest omschrijft ten onrechte de incriminatieperiode en plaats ruimer dan het beroepen vonnis en verklaart de eiser aldus schuldig aan in tijd en ruimte ruimer omschreven feiten; het kon dit niet doen op basis van het hoger beroep van de eiser en op het hoger beroep van het openbaar ministerie met betrekking tot de strafmaat; deze verruiming werd uitsluitend opgeworpen door het openbaar ministerie en de appelrechters hebben de eiser niet uitgenodigd zich te verdedigen op een mogelijke heromschrijving; zij hebben hem evenmin uitgenodigd zich te verweren op een ambtshalve op te werpen middel; de eiser behoorde niet te weten dat hij zich op een mogelijke heromschrijving moest verdedigen; de devolutieve werking van het hoger beroep en het recht van verdediging van de eiser worden aldus miskend.
- Een grief als bedoeld in artikel 204 Wetboek van Strafvordering is de specifieke aanwijzing door de appellant van een afzonderlijke beslissing van het beroepen vonnis, waarvan hij de hervorming door de appelrechter vraagt. Wanneer de appellant in zijn grievenformulier de rubriek “schuld” aankruist, dan is het appelgerecht niet alleen gevat van de beslissing over de schuld, maar ook van alle ermee onafscheidelijk verbonden beslissingen. De omschrijving van de te laste gelegde feiten is een aan de beslissing over de schuld onafscheidelijk verbonden beslissing.
- Indien het appelgerecht in het kader van de beoordeling van de grief “schuld” het voornemen heeft om de incriminatieperiode en -plaats aan te passen, dient het geen toepassing te maken van artikel 210, derde lid, Wetboek van Strafvordering. Het volstaat in een dergelijk geval ter waarborging van het recht van verdediging dat de beklaagde hetzij door het appelgerecht hetzij door een partij in kennis werd gesteld van een mogelijke aanpassing van de incriminatieperiode en -plaats en zich daarover kon verdedigen.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het middel naar recht.
- In zoverre het middel miskenning aanvoert van de relatieve werking van eisers hoger beroep, is het afgeleid uit voormelde vergeefs aangevoerde onwettigheden en is het bijgevolg niet ontvankelijk.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de door het appelgerecht aangenomen aanpassing van de incriminatieperiode en -plaats werd gevorderd door het openbaar ministerie en dat de eiser daar in zijn appelconclusie verweer over heeft gevoerd. Zijn recht van verdediging werd dan ook gewaarborgd. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van de artikel 4 Zevende Aanvullend Protocol EVRM, artikel 14, zevende lid, IVBPR, artikel 54 Schengenuitvoeringsovereenkomst en de artikelen 10 en 11 Grondwet: de appelrechters oordelen ten onrechte dat de toepassing van het non bis in idem-beginsel tussen Staten een verdragsrechtelijke basis vereist; het non bis in idem-beginsel heeft een verruimde werking en geldt internationaal, zonder dat daarvoor een verdragsrechtelijke grondslag is vereist.
- Het arrest oordeelt: “Daargelaten hetgeen het [hof van beroep] hieronder motiveert, staat zonder twijfel vast dat er geen enkele overlapping is tussen de feiten waarvoor [de eiser] in het VK al werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 17 jaar, en de feiten waarvoor [hij] in onderhavig dossier wordt vervolgd. Deze feiten zijn niet dezelfde, hoe ook gekwalificeerd of begrepen.” Aldus oordeelt het arrest dat het niet om dezelfde feiten gaat, zodat het non bis in idem-beginsel niet van toepassing kan zijn. Het middel dat niet gericht is tegen deze redenen, die de beslissing over de niet-toepassing van het non bis in idem-beginsel dragen, kan bijgevolg niet tot cassatie leiden en is niet ontvankelijk. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 66 Strafwetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat de eiser na zijn arrestatie en dus na 21 mei 2017 als mededader moet worden beschouwd aan de verderzetting van de gijzeling; vanaf dat ogenblik ontbrak ieder materieel bestanddeel van het misdrijf en kan er niet worden voorgehouden dat hij na dit tijdstip nog kennis had van alle omstandigheden die aan het feit waaraan hij door zijn medewerking deelnam, het kenmerk verleenden van het misdrijf gijzeling.
- De door het arrest aan de eiser opgelegde straf is verantwoord door de schuldigverklaring van de eiser als dader aan de gijzeling tot aan zijn arrestatie op 21 mei 2017 (arrest, p. 25, randnr. d.3, eerste alinea). Het middel dat uitsluitend eisers schuldigverklaring als deelnemer aan de daarop volgende feiten bekritiseert, kan dan ook niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Vierde middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 10, 11 en 149 Grondwet, artikel 3, vijfde lid, Kaderbesluit 2008/675/JBZ van 24 juli 2008 en artikel 65, tweede lid, Strafwetboek, alsmede miskenning van het gelijkheidsbeginsel: het arrest oordeelt dat de feiten waaraan het de eiser schuldig verklaart niet door eenheid van opzet verbonden zijn met de feiten waarvoor hij werd veroordeeld in het Verenigd Koninkrijk; het oordeelt dat de druggerelateerde feiten in het Verenigd Koninkrijk werden gepleegd uit winstbejag, terwijl de gijzeling werd uitgevoerd met het opzet om P. fysiek aan te kunnen pakken, vanuit een betrachting hem borg te doen staan voor de voldoening van een bevel of voorwaarde; het arrest erkent evenwel impliciet dat de eenheid van drijfveer waarbij elk van de door de dader gestelde handelingen gelegen is in het misgelopen drugtransport, niettegenstaande het moreel bestanddeel dat eigen is aan elk van de samengevoegde misdrijven verschillend kan zijn; het is tegenstrijdig enerzijds te erkennen dat de drijfveer van elk van de door de eiser gestelde handelingen gelegen is in het misgelopen drugtransport en anderzijds te oordelen dat er geen eenheid van opzet is tussen de feiten waaraan het de eiser schuldig verklaart en de feiten waarvoor de eiser in het Verenigd Koninkrijk werd veroordeeld (eerste onderdeel); het arrest oordeelt ten onrechte dat er bij de bepaling van de strafmaat geen rekening dient te worden gehouden met de in het Verenigd Koninkrijk opgelegde gevangenisstraf, terwijl die straf de maximale bestraffing, die de eiser zou kunnen opgelegd krijgen voor de feiten waaraan het arrest hem schuldig verklaard, overstijgt (tweede onderdeel).
- Er is slechts sprake van een tegenstrijdigheid als juridisch sanctioneerbaar motiveringsgebrek indien redenen of beschikkingen van eenzelfde rechterlijke beslissing elkaar opheffen of teniet doen.
- Dat is niet het geval met de door het eerste onderdeel geviseerde oordelen. Het onderdeel mist feitelijke grondslag.
- Gelet op het met het eerste onderdeel vergeefs bekritiseerde oordeel dat er geen eenheid van opzet bestaat tussen de met het arrest bestrafte feiten en de feiten waarvoor de eiser eerder in het VK werd veroordeeld, kan het tweede onderdeel, ook al was het gegrond, niet tot cassatie leiden en is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing overeenkomstig de wet gewezen. Onmiddellijke aanhouding
- Ingevolge de hierna uit te spreken verwerping van het cassatieberoep tegen de beslissing op de strafvordering, heeft deze beslissing kracht van gewijsde. Het cassatieberoep ingesteld tegen de beslissing waarbij eisers onmiddellijke aanhouding wordt bevolen, heeft derhalve geen bestaansreden meer. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 189,81 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 30 januari 2024 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240130.2N.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251209.2N.24 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240625.2N.15 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250204.2N.6 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250204.2N.7 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250617.2N.27 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div