← België

TONY RUS ACTIVITIES contra T.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240205.3N.2 Rolnummer: C.23.0103.N Zaak: TONY RUS ACTIVITIES contra T. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2024-02-21 Raadplegingen: 688 - laatst gezien 2026-06-18 19:03 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240205.3N.2 Fiche Het aangaan van overeenkomsten tussen meerdere personen in verband met de exploitatie van kansspelen is in principe niet verboden, tenzij die zouden leiden tot het direct of indirect houderschap door een zelfde persoon van meerdere welbepaalde vergunningen of het feitelijk uitbaten van een kansspelinrichting zonder de vereiste vergunning

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: SPELEN EN WEDDENSCHAPPEN Wettelijke bepalingen: Wet 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers - 07-05-1999 - Art. 4 - 77 ELI link Pub nr 1999010222 Wet 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers - 07-05-1999 - Art. 25 - 77 ELI link Pub nr 1999010222 Wet 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers - 07-05-1999 - Art. 27, eerste lid - 77 ELI link Pub nr 1999010222 Wet 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers - 07-05-1999 - Art. 65 - 77 ELI link Pub nr 1999010222 Tekst van de beslissing Nr. C.23.0103.N TONY RUS ACTIVITIES nv, met zetel te 3660 Opglabbeek, Weg naar Meeuwen 46, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0465.163.005, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen ST, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat 3, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Brussel van 14 februari 2022 en van 9 januari
  1. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 20 december 2023 een schriftelijke conclusie neergelegd. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 21 december 2023 verwezen naar de derde kamer. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Krachtens artikel 4 Kansspelwet, zoals van toepassing voor de wijziging bij wet van 10 januari 2010, is het verboden, onder welke vorm, op welke plaats en op welke rechtstreekse of onrechtstreekse manier ook, één of meer kansspelen of kansspelinrichtingen te exploiteren tenzij die overeenkomstig deze wet zijn toegestaan en mag niemand zonder voorafgaande vergunning van de kansspelcommissie een of meer kansspelen of kansspelinrichtingen exploiteren. Artikel 25 Kansspelwet, zoals van toepassing voor de wijziging bij wet van 10 januari 2010, bepaalt vijf soorten vergunningen, namelijk de vergunningen klasse A, B, C en D voor de uitbating van bepaalde kansspelinrichtingen en de vergunning klasse E voor de verkoop, de verhuur, de leasing, de levering, de terbeschikkingstelling, de invoer, de uitvoer en de productie van kansspelen, de diensten inzake onderhoud, herstelling en uitrusting van kansspelen. Artikel 27, eerste lid, Kansspelwet, zoals van toepassing voor de wijziging bij wet van 10 januari 2010, bepaalt dat het een zelfde natuurlijke of rechtspersoon verboden is de vergunningen klasse A, B, C en D enerzijds en de vergunning klasse E anderzijds, rechtstreeks of onrechtstreeks, persoonlijk of door bemiddeling van een natuurlijke of rechtspersoon te cumuleren. Artikel 63 Kansspelwet sanctioneert strafrechtelijk de schending van de vergunningsverplichting zoals bepaald in artikel 4, tweede lid, van die wet en het cumulverbod zoals bepaald in artikel 27 van die wet.
  3. Uit deze wetsbepalingen vloeit voort dat het aangaan van overeenkomsten tussen meerdere personen in verband met de exploitatie van kansspelen in principe niet verboden is, tenzij die zouden leiden tot het direct of indirect houderschap door een zelfde persoon van meerdere welbepaalde vergunningen of het feitelijk uitbaten van een kansspelinrichting zonder de vereiste vergunning.
  4. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - de verweerster beschikt over een vergunning voor de exploitatie van een kansspelinrichting klasse B; - de eiseres beschikt over een vergunning klasse E voor de verkoop, de verhuur, de leasing, de levering, de terbeschikkingstelling, de invoer, de uitvoer en de productie van kansspelen, de diensten inzake onderhoud, herstelling en uitrusting van kansspelen; - de eiseres niet beschikt over een vergunning voor de exploitatie van een kansspelinrichting klasse B; - de samenwerkingsovereenkomst van 19 april 2005 tussen de eiseres en de verweerster de schriftelijke neerslag is van het feit dat de eiseres zelf samen met de verweerster de litigieuze kansspelinrichting uitbaatte; - de eiseres niet enkel de speelautomaten uitbaatte die tegen vergoeding ter beschikking werden gesteld aan de verweerster, maar tegelijkertijd feitelijk de mede-exploitant was van de kansspelinrichting; - de eiseres hierdoor zonder vergunning een activiteit uitoefent die vergunningsplichtig is, in strijd met artikel 4 Kansspelwet, en in een toestand komt waarin zij twee vergunningsplichtige activiteiten cumuleert, in strijd met artikel 27 Kansspelwet; - de samenwerkingsovereenkomst voor de eiseres het instrument was om de uitbating van de kansspelinrichting tot stand te brengen, in strijd met de vergunningsplicht en het cumulatieverbod; - het oogmerk van die overeenkomst bijgevolg onrechtmatig was omdat de uitbating zonder vergunning en de feitelijke cumulatie van de vergunningen B en E bij wet verboden en strafbaar zijn; - de samenwerkingsovereenkomst dan ook nietig is, waardoor deze geen grond vormt voor de eiseres om enige betaling te eisen van de verweerster.
  5. De appelrechters die op die gronden oordelen dat de eiseres de facto de kansspelinrichting van de verweerster mee uitbaat zonder de vereiste vergunning klasse B, hetgeen tevens leidt tot het indirect houderschap door de eiseres van een vergunning klasse B naast haar vergunning klasse E, waardoor de samenwerkingsovereenkomst nietig is en deze geen grond kan opleveren voor enige aanspraak van de eiseres tegen de verweerster, verantwoorden hun beslissing naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. (…) Kosten
  6. Wanneer cassatie wordt uitgesproken zonder verwijzing doet het Hof uitspraak over de kosten krachtens artikel 1111, laatste lid, Gerechtelijk Wetboek.
  7. Uit de stukken van de rechtspleging blijkt dat de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek wordt vastgelegd op het door de Koning vastgestelde basisbedrag van 8.400 euro in eerste aanleg en 10.500 euro in hoger beroep voor een geschil met een waarde van 250.000,01 euro tot 500.000 euro. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg en in hoger beroep vaststelt. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Zegt dat er geen grond is tot verwijzing. Bepaalt de rechtsplegingsvergoeding voor de verweerster in eerste aanleg op 8.400 euro en in hoger beroep op 10.500 euro. Veroordeelt de eiseres tot drie vierden van de kosten van de procedure voor het Hof en de verweerster tot een vierden van de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 668,95 euro euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg, Myriam Ghyselen en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 5 februari 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240205.3N.2 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240205.3N.2 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251009.1N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.