← België

RVA c. FORD WERKE GmbH

Obsah (4)Art. 33Art. 36Art. 37Art. 38

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 33

, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 2005021175 Wet 23 december 2005 betreffende

Art. 36

, eerste en tweede lid - 30 ELI link Pub nr 2005021175 Wet 23 december 2005 betreffende

Art. 37

, § 1 - 30 ELI link Pub nr 2005021175 Wet 23 december 2005 betreffende

Art. 38- 30 ELI link Pub nr 2005021175 Tekst van de beslissing Nr.

S.18.0077.N RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, met zetel te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0206.737.484, eiser, vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1150 Brussel, Laurierlaan 1, waar de eiser woonplaats kiest, tegen FORD WERKE GmbH, vennootschap naar Duits recht, met zetel te 50725 Köln-Niehl (Duitsland), Henry Ford Strasse 1, en met bijhuis in België te 3920 Lommel, Oude Diestersebaan 135, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0401.298.403, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Brussel van 28 juni

  1. Sectievoorzitter Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel Ontvankelijkheid
  2. De verweerster werpt een grond van niet-ontvankelijkheid op: het onderdeel dat stelt dat de eiser de last moet dragen van een zuiver contractuele verbintenis van de verweerster die enkel deze laatste bindt, komt daarmee op tegen de feitelijke beoordeling van de appelrechters dat de eiser geen bijkomende last wordt opgelegd aangezien de tussenkomst van de eiser dezelfde zou zijn geweest indien de betwiste clausule niet in de ondernemings-cao was opgenomen.
  3. Het onderzoek van de grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden gescheiden van het onderzoek van het onderdeel zelf. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Gegrondheid
  4. Krachtens artikel 33, eerste lid, van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, hierna Generatiepactwet, moet de werkgever in herstructurering, voor de werknemers ontslagen in het kader van de herstructurering, overgaan tot de oprichting van een tewerkstellingscel, die als taak heeft om deze werknemers maximale kansen op wedertewerkstelling te geven.
  5. Krachtens artikel 36, eerste lid, Generatiepactwet is de werkgever in herstructurering ertoe gehouden aan elke in het kader van de herstructurering ontslagen werknemer die is ingeschreven bij de tewerkstellingscel en die, op het ogenblik van de aankondiging van het collectief ontslag, ten minste één jaar ononderbroken dienstanciënniteit bij de werkgever in herstructurering heeft, een inschakelingsvergoeding te betalen. Krachtens de artikelen 36, tweede lid, en 37, § 1, Generatiepactwet stemt de inschakelingsvergoeding al naargelang de leeftijd van de ontslagen werknemer op het ogenblik van de aankondiging van het collectief ontslag overeen met een vergoeding die gelijk is aan ofwel een opzeggingsvergoeding van zes maanden, ofwel een opzeggingsvergoeding van drie maanden. Uit deze bepalingen volgt dat de werkgever een inschakelingsvergoeding verschuldigd kan zijn die hoger of lager is dan de opzeggingstermijnen die in de Arbeidsovereenkomstenwet worden bepaald.
  6. Krachtens artikel 38 Generatiepactwet, zoals hier van toepassing, kan de werkgever, indien de overeenkomstig artikel 37, § 1, betaalde inschakelingsvergoeding groter is dan de totale kost van de opzeggingsvergoeding die de werkgever verschuldigd zou zijn geweest in toepassing van de Arbeidsovereenkomstenwet, bij de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening de terugbetaling verkrijgen van het verschil. Deze bepaling die ertoe strekt de inschakelingsvergoeding voor de werkgever kostenneutraal te houden, kent aldus een recht toe op terugbetaling van het verschil tussen de uitbetaalde inschakelingsvergoeding en de opzeggingsvergoeding die de werkgever verschuldigd zou zijn geweest indien hij geen inschakelingsvergoeding had moeten betalen.
  7. De appelrechters die vaststellen dat de verweerster op grond van een ondernemings-cao gehouden is tot betaling van een hogere vergoeding dan de opzeggingsvergoeding die overeenstemt met de in de Arbeidsovereenkomstenwet bepaalde in acht te nemen minimale opzeggingstermijn, maar die niettemin oordelen dat de verweerster recht heeft op terugbetaling van het verschil tussen de betaalde inschakelingsvergoeding en de opzeggingsvergoeding die overeenstemt met de in de Arbeidsovereenkomstenwet bepaalde in acht te nemen minimale opzeggingstermijn, schenden artikel 38 Generatiepactwet. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het arbeidshof te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg, Myriam Ghyselen en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 5 februari 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240205.3N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.