id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 2
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1131
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1133
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - BESTANDDELEN - Oorzaak Wettelijke bepalingen: oud
Art. 2
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1131
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1133
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiche 3 Hoewel de partijen in beginsel verplicht zijn tot de restitutie van hetgeen zij krachtens de absoluut nietige overeenkomst hebben verkregen, mag de rechter de restitutie weigeren, hetzij omdat hij van oordeel is dat het aldus aan een van de contractanten toegekende voordeel de preventieve rol van de sanctie van de absolute nietigheid in het gedrang zou brengen, hetzij omdat hij meent dat de sociale orde vereist dat een van de contractanten zwaarder wordt getroffen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - EINDE Wettelijke bepalingen: oud
Art. 2
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1131
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1133- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de beslissing Nr.
C.23.0048.N
- RVDB,
- EVDB, eisers, vertegenwoordigd door mr. Martin Lebbe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1060 Brussel, Jourdanstraat 31, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen MVDB, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 7 maart
- Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 22 december 2023 een schriftelijke conclusie neergelegd. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 26 december 2023 verwezen naar de derde kamer. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- De verweerster voert een middel van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep aan: de eisers hebben stilzwijgend berust in het bestreden arrest.
- Krachtens artikel 1045, derde lid, Gerechtelijk Wetboek kan stilzwijgende berusting in een rechterlijke beslissing alleen worden afgeleid uit bepaalde en met elkaar overeenstemmende akten of feiten waaruit blijkt dat de partij het vaste voornemen heeft haar instemming te betuigen met de beslissing.
- De afstand van het recht om cassatieberoep in te stellen moet strikt worden uitgelegd en mag slechts worden afgeleid uit feiten die voor geen andere uitleg vatbaar zijn.
- Het bestreden arrest oordeelt dat: - de verkoop door de verweerster aan de eisers en GVDB van al haar gerechtigdheden in de vennootschappen BAVECO nv en COMINBEL nv nietig is met toepassing van artikel 1599 Oud Burgerlijk Wetboek; - de vordering van de eisers tegen de verweerster tot terugbetaling van de koopprijs en tot betaling van een schadevergoeding ongegrond is in het licht van de rechtsspreuken “in pari causa” en “nemo auditur”.
- Het bestreden arrest oordeelt verder dat: - de optieovereenkomst van 24 februari 1989 waarbij aan de eisers en GVDB een optie werd verleend tot aankoop van alle aandelen van de ouders in de vennootschappen BAVECO nv en COMINBEL nv weliswaar een door artikel 1130 Oud Burgerlijk Wetboek verboden overeenkomst over een nog niet opengevallen nalatenschap betreft, maar deze exceptie door de verweerster laattijdig werd opgeworpen; - door het lichten van de optie door de eisers op 25 februari 2008 de aandelen in de vennootschappen BAVECO nv en COMINBEL nv voortaan verdeeld zijn volgens de verhouding zoals vastgesteld in het beschikkend gedeelte.
- Uit de stukken waarop het Hof acht kan slaan, blijkt dat: - de eisers het bestreden arrest bij gerechtsdeurwaardersexploot van 15 april 2017 aan de verweerster en GVDB hebben laten betekenen en deze hiertegen geen cassatieberoep hebben ingesteld; - de eisers, de verweerster en GVDB op 12 april 2017 gedagvaard hebben voor de rechtbank van koophandel te Gent, afdeling Oudenaarde, om hen “te zien en te horen veroordelen tot medewerking aan de bevestiging van de door het hof van beroep te Gent bij arrest dd. 07.03.2016 vastgestelde verdeling van de aandelen door de gehandtekende en gedagtekende inschrijving in het aandelenregister van de betrokken vennootschappen”; - de vordering van de eisers bij vonnis van 24 april 2018 werd afgewezen als ontoelaatbaar; - de eisers hiertegen bij verzoekschrift neergelegd op 11 juni 2018 hoger beroep hebben ingesteld; - het hof van beroep te Gent bij arrest van 13 januari 2020 het hoger beroep van de eisers toelaatbaar en in beperkte mate gegrond heeft verklaard; - de eisers hiertegen cassatieberoep hebben ingesteld; - het Hof het cassatieberoep van de eisers tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 13 januari 2020 verworpen heeft bij arrest van 9 september 2021; - het huidige cassatieberoep van de eisers gericht is tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 7 maart 2016 “in zoverre het beslist de vordering van de eisers in restitutie, gesteund op de nietigverklaring van de overeenkomst van 11 maart 1996, te verwerpen”.
- Noch de omstandigheid dat de eisers, de verweerster en GVDB hebben gedagvaard om mee te werken aan de inschrijving in het aandelenregister van de betrokken vennootschappen van de aandelen volgens de verhouding zoals vastgesteld in het bestreden arrest, zonder daarbij voorbehoud te maken voor een latere voorziening in cassatie tegen een andere, voor hen nadelige beslissing van het bestreden arrest, noch het tijdsverloop tussen het bestreden arrest en het instellen van het huidige cassatieberoep, impliceren, noch afzonderlijk noch in hun samenhang, dat de eisers het vaststaande en ondubbelzinnige voornemen hadden om hun instemming te betuigen met de beslissing waarbij de vordering van de eisers tot terugbetaling van de koopprijs als ongegrond werd afgewezen. Het middel van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Gegrondheid
- Krachtens artikel 2 Oud Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing, kan aan de wetten die de openbare orde of de goede zeden betreffen, door bijzondere overeenkomsten geen afbreuk worden gedaan. Krachtens artikel 1131 Oud Burgerlijk Wetboek kan een verbintenis, aangegaan zonder oorzaak of uit een valse oorzaak of uit een ongeoorloofde oorzaak, geen gevolg hebben. Krachtens artikel 1133 Oud Burgerlijk Wetboek is de oorzaak ongeoorloofd, wanneer zij door de wet verboden is, of wanneer zij strijdig is met de goede zeden of met de openbare orde.
- Uit het geheel van deze wetsbepalingen volgt dat de rechter geen gevolg kan geven aan een vordering tot uitvoering van een overeenkomst waarvan het voorwerp of de oorzaak in strijd is met de openbare orde of de goede zeden. Een dergelijke overeenkomst is absoluut nietig. Hoewel de partijen in beginsel verplicht zijn tot de restitutie van hetgeen zij krachtens de absoluut nietige overeenkomst hebben verkregen, mag de rechter de restitutie weigeren, hetzij omdat hij van oordeel is dat het aldus aan een van de contractanten toegekende voordeel de preventieve rol van de sanctie van de absolute nietigheid in het gedrang zou brengen, hetzij omdat hij meent dat de sociale orde vereist dat een van de contractanten zwaarder wordt getroffen.
- Krachtens artikel 1599 Oud Burgerlijk Wetboek is de verkoop van andermans zaak nietig en kan die verkoop grond tot schadevergoeding opleveren, wanneer de koper niet geweten heeft dat de zaak aan een ander toebehoorde. Deze nietigheid is een relatieve nietigheid die enkel door de koper en niet door de verkoper kan worden ingeroepen en die voor bevestiging vatbaar is.
- De appelrechters die, na te hebben geoordeeld dat de koopovereenkomst van 11 maart 1996, met toepassing van artikel 1599 Oud Burgerlijk Wetboek, nietig is, de vordering van de eisers tot restitutie van de koopprijs afwijzen, met verwijzing naar de rechtsspreuken “In pari causa turpitudinem cessat repetitio” en “Nemo auditur propriam turpitudinem allegans”, die hier niet toepasselijk zijn, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt over de vordering tot restitutie van de koopprijs. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg, Myriam Ghyselen en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 5 februari 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240205.3N.9 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240205.3N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div