← België

D.

Obsah (4)Art. 42Art. 43Art. 43bisArt. 505

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 42

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 43

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 43bis

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 505

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Wettelijke bepalingen:

Art. 42

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 43

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 43bis

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 505

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen:

Art. 42

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 43

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 43bis

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 505

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: HELING Wettelijke bepalingen:

Art. 42

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 43

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 43bis

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 505- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr.

P.22.1163.N I R. G. D., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Koen Van Put, advocaat bij de balie Antwerpen. II T. R. G. I. D., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Lesley Vermeulen, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 10 augustus

  1. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Sectievoorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep II
  2. Het arrest spreekt de eiser II geheel of gedeeltelijk vrij voor de feiten omschreven onder sommige telastleggingen. In zoverre ook gericht tegen die beslissing, is het cassatieberoep II bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel van de eisers I en II
  3. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 211bis Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het vermoeden van onschuld, het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest legt aan de eisers het door artikel 1 Wet Beroepuitoefeningsverbod bedoelde bestuurdersverbod op, terwijl die bijkomende straf niet was opgelegd in eerste aanleg en evenmin werd gevorderd door het openbaar ministerie in eerste aanleg en in hoger beroep; het hoger beroep was louter een volgappel; het openbaar ministerie in hoger beroep heeft volgens een ingediende nota de bevestiging gevorderd van de in eerste aanleg opgelegde bestraffing; mondeling werd die vordering herhaald; de appelrechters hebben de eiser niet verwittigd dat tegen hem de bijkomende straf van het bestuurdersverbod kon worden opgelegd, zodat hij zich daarover kon verdedigen.
  4. Het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld is vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre faalt het middel naar recht.
  5. Het openbaar ministerie heeft wat betreft de eisers hoger beroep ingesteld tegen alle beschikkingen van het beroepen vonnis. Het heeft in het grievenformulier telkens de rubriek “Straf en of maatregel” aangekruist met als reden strafmaat. Het hoger beroep betrof dan ook geen louter volgappel. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  6. Indien het openbaar ministerie als grief de rubriek “Straf en of maatregel” aankruist dan heeft de appelgerecht saisine voor de gehele straftoemetingsbeslissing, wat inhoudt dat elk aspect van de bestraffing, zowel het opleggen of het niet-opleggen van hoofd- en bijkomende straffen, hun maat en de modaliteiten ervan, alsook de maatregelen, ter beoordeling voorligt.
  7. De omstandigheid dat het openbaar ministerie in een geschreven stuk of mondeling de bevestiging vordert van de in eerste aanleg opgelegde bestraffing beperkt de saisine van het appelgerecht niet.
  8. De beklaagde dient bij zijn verdediging ermee rekening te houden dat het appelgerecht niet gebonden is door wat het openbaar ministerie vordert. Het kan, behoudens wat betreft de bijzondere verbeurdverklaring van vermogensvoordelen, ook niet-gevorderde straffen en maatregelen opleggen, alsook zwaardere straffen dan de eerste rechter. Uit geen enkele verdrags- of wetsbepaling of algemeen rechtsbeginsel volgt dat het appelgerecht dat een niet door de eerste rechter uitgesproken of door het openbaar ministerie gevorderde straf overweegt op te leggen, of overweegt een zwaardere straf uit te spreken dan gevorderd of in eerste aanleg uitgesproken, de beklaagde daarover moet inlichten om hem toe te laten ter zake verweer te voeren.
  9. Het appelgerecht dient wel rekening te houden met artikel 211bis, tweede zin, Wetboek van Strafvordering, dat eenparigheid vereist indien de appelrechters de door de eerste rechter uitgesproken straffen willen verzwaren.
  10. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  11. Het arrest (p. 180) doet uitspraak met eenparigheid van stemmen. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Tweede middel van de eiser I
  12. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest beantwoordt meerdere middelen en argumenten van de eiser niet; diverse stellingen en beweringen van het parket zijn onjuist, worden niet bewezen en zijn onder meer gebaseerd op ongeloofwaardige verklaringen van ontslagen werknemers waarbij N.D. wordt vervolgd voor huisdiefstal en daarvoor ook werd veroordeeld; met het oordeel dat het crimineel vermogen alleszins groter is dan of minstens even groot dan de in de witwastelastleggingen aangenomen illegale vermogensvoordelen, miskent het arrest het vermoeden van onschuld en het gezag van gewijsde van het vonnis van de correctionele rechtbank van Antwerpen van 30 september 2004 en van het beroepen vonnis; de som van alle witwastelastleggingen bedraagt volgens de aanvankelijke schriftelijke vordering tot verbeurdverklaring van het parket 15.089.384,50 euro en 50.000,00 euro; ondanks de definitieve vrijspraak voor het feit van de telastlegging H.10 bij vonnis van 24 juni 2021 voor het verhelen of verhullen van de vermogensvoordelen die werden verkregen voor de misdrijven waarvoor de eiser I en P.J. definitief werden veroordeeld bij vonnis van 30 september 2004, oordeelt het arrest expliciet dat de eiser een illegaal vermogen heeft gegenereerd van minstens 15.139.384,50 euro.
  13. In zoverre het middel is gericht tegen het optreden van de parketmagistraat en dus niet tegen het arrest, is het niet ontvankelijk.
  14. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft of opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest, is het evenmin ontvankelijk.
  15. In zoverre het middel aanvoert dat “verschillende middelen en argumenten van de verdediging niet werden beantwoord” door het arrest, zonder te verduidelijken welke die middelen en argumenten zijn, is het bij gebrek aan precisie niet ontvankelijk.
  16. Uit het oordeel dat het crimineel vermogen dat volgt uit het vonnis van 30 september 2004 in elk geval groter is dan of minstens even groot als de in de witwastelastleggingen aangenomen illegale vermogensvoordelen, volgt niet dat het arrest aanneemt dat de eiser zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten waarvoor hij werd vrijgesproken. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  17. In zoverre het middel voor het overige is afgeleid uit die onjuiste lezing, is het niet ontvankelijk. Tweede middel van de eiser II
  18. Het middel voert schending aan van de artikelen 42, 3°, en 43bis Strafwetboek: het arrest beveelt de bijzondere verbeurdverklaring (hierna de verbeurdverklaring) voor een bedrag van 250.000,00 euro als vermogensvoordelen die gegenereerd zijn door de feiten van de telastlegging H.2, terwijl het openbaar ministerie die verbeurdverklaring niet heeft gevorderd; het openbaar ministerie had enkel de verbeurdverklaring gevorderd van het voorwerp van dit witwasmisdrijf.
  19. Indien het openbaar ministerie op grond van als witwassen omschreven feiten, bestaande in de omzetting van een onroerend goed in een geldsom, schriftelijk met verwijzing naar de artikelen 42, 43, 43bis en 505 Strafwetboek de verbeurdverklaring vordert van een geldsom, dan kan de beklaagde zich eraan verwachten dat de rechter die geldsom zal verbeurd verklaren als vermogensvoordeel van het witwasmisdrijf en dit ongeacht het gegeven dat het openbaar ministerie die geldsom heeft bestempeld als voorwerp van dit witwasmisdrijf. Aangezien de beklaagde is verwittigd over de mogelijkheid van een verbeurdverklaring op basis van dit misdrijf, is zijn recht van verdediging gewaarborgd. In zoverre het middel uitgaat van een ander rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  20. Het openbaar ministerie heeft met verwijzing naar de artikelen 42, 43, 43bis en 505 Strafwetboek voor wat betreft de feiten omschreven als de telastlegging H.2, als witwassen bestaande in de verkoop van een onroerend goed voor een prijs van 250.000,00 euro, schriftelijk de verbeurdverklaring gevorderd van een geldsom van 250.000,00 euro (st. 58) waarbij die geldsom werd bestempeld als het voorwerp van dit witwasmisdrijf.
  21. Het arrest oordeelt dat dit niet belet dat lastens de eiser de helft van dit bedrag als een vermogensvoordeel uit dit misdrijf kan worden verbeurdverklaard aangezien er een schriftelijke vordering is waarop de eiser zich heeft kunnen verdedigen. Die beslissing is naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  22. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 703,51 euro, waarvan de eiser I 351,75 euro is verschuldigd en de eiser II 351,76 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 6 februari 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240206.2N.16 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240409.2N.14 precedenten: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171010.8 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200211.2N.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200505.2N.3 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200623.2N.4 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220111.2N.1 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240123.2N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.