← België

R. contra V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240206.2N.8 Rolnummer: P.23.1110.N Zaak: R. contra V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2024-02-26 Raadplegingen: 675 - laatst gezien 2026-06-19 03:02 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Volgens artikel 1, tweede lid, KB Tarief Rechtsplegingsvergoeding worden de bedragen van de rechtsplegingsvergoeding vastgesteld per gerechtelijke band en ten aanzien van elke partij die door een advocaat wordt bijgestaan; wanneer eenzelfde advocaat in eenzelfde gerechtelijke band verscheidene partijen bijstaat, wordt de rechtsplegingsvergoeding onder hen verdeeld

(1); het middel of onderdeel dat ervan uitgaat dat er eenzelfde gerechtelijke band bestaat tussen de beklaagde en een burgerlijke partij en tussen de beklaagde eiser en een andere burgerlijke partij, verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is.
(1)Over de appreciatiebevoegdheid van de rechter inzake ‘eenzelfde gerechtelijke band' zie o.a. Cass. 13 juni 2023, AR P.22.0700.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230613.2N.22, AC 2023, nr. 447; Cass. 6 juni 2023, AR P.23.0558.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230606.2N.4, AC 2023, nr.
  1. Thesaurus CAS: GERECHTSKOSTEN - STRAFZAKEN - Procedure voor de feitenrechter Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1022 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... - 26-10-2007 - Art. 1, tweede lid - 35 ELI link Pub nr 2007009900 Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - STRAFZAKEN - Allerlei Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1022 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... - 26-10-2007 - Art. 1, tweede lid - 35 ELI link Pub nr 2007009900 Tekst van de beslissing Nr. P.23.1110.N B. R., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Nelson Vanlocke, advocaat bij de balie Gent, tegen
  2. K. V., burgerlijke partij,
  3. WIN bv, met zetel te 3941 ZL Doorn (Nederland), Oude Molenweg 3b, burgerlijke partij,
  4. ASR nv, met zetel te 3584 Utrecht (Nederland), Archimeslaan 10, burgerlijke partij,
  5. G. B., burgerlijke partij,
  6. NEW MOVECON bv, met zetel te 9230 Wetteren, Schooldreef 16 bus 2, burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 9 februari 2022 (arrest I) en van 28 juni 2023 (arrest II). De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Sectievoorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  7. Het arrest II veroordeelt de eiser tot betaling van een provisie aan de verweerder 1, het stelt een deskundige aan en het verzendt de zaak terug naar de eerste rechter voor verdere afhandeling van de burgerlijke belangen.
  8. Het arrest II veroordeelt de eiser tot betaling aan de verweerster 3 van een provisie, het verleent een voorbehoud en het houdt de beslissing over de burgerlijke belangen van de verweerster 3 voor het overige aan.
  9. Het arrest II veroordeelt de eiser tot betaling van een provisie aan de verweerder 4 en het houdt de beslissing over de burgerlijke belangen van de verweerder 4 voor het overige aan.
  10. Het arrest II veroordeelt de eiser tot betaling van een provisie aan de verweerster 5 en het houdt de beslissing over de burgerlijke belangen van de verweerster 5 voor het overige aan.
  11. Dit zijn geen eindbeslissingen in de zin van artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en evenmin, behoudens wat betreft de beslissing over het beginsel van aansprakelijkheid, beslissingen die vallen onder het tweede lid van die bepaling. In zoverre ook gericht tegen die beslissingen, is het cassatieberoep wegens voorbarigheid niet ontvankelijk. Eerste middel
  12. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 48 Handvest Grondrechten EU en artikel 149 Grondwet: het arrest II heeft de motivering van de deskundige in zijn verslag overgenomen; door in zijn verslag te schrijven dat beide vaartuigen gezamenlijk en in gelijke mate de omstandigheden hebben gecreëerd waarbij het ongeval kon ontstaan, heeft de deskundige zich in de plaats van de rechter geplaatst; hij heeft geen alternatieve hypothese naar voor geschoven die een alternatieve verklaring voor de oorzaak van de aanvaring zou kunnen opleveren; daardoor is de motivering van het arrest II strijdig met het vermoeden van onschuld en gebrekkig.
  13. Geen miskenning van het vermoeden van onschuld kan worden afgeleid uit de omstandigheid dat een door het openbaar ministerie aangestelde technisch raadsman een advies heeft verstrekt over de oorzaak van een ongeval en de rechter na beoordeling van de bewijswaarde van de dossiergegevens zich aansluit bij dit advies. Ook uit het loutere feit dat die technisch raadsman volgens een beklaagde geen alternatieve verklaring heeft gezocht voor de oorzaak van het ongeval kan geen miskenning van het vermoeden van onschuld worden afgeleid. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  14. Het aangevoerde motiveringsgebrek is afgeleid uit de voormelde vergeefs aangevoerde onwettigheden. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Tweede middel Eerste onderdeel
  15. Het onderdeel voert schending aan van artikel 162bis Wetboek van Strafvordering, artikel 1022, vijfde lid, Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 1, tweede lid, en 2 KB Tarief Rechtsplegingsvergoeding: het arrest II veroordeelt de eiser tot betaling aan de verweersters 2 en 3 van afzonderlijke rechtsplegingsvergoedingen en het bevestigt de gelijkaardige beslissing van de eerste rechter, terwijl deze verweersters werden bijgestaan door eenzelfde raadsman.
  16. Het beroepen vonnis veroordeelt de eiser niet tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding aan de verweersters 2 en
  17. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
  18. Volgens artikel 1, tweede lid, KB Tarief Rechtsplegingsvergoeding worden de bedragen van de rechtsplegingsvergoeding vastgesteld per gerechtelijke band en ten aanzien van elke partij die door een advocaat wordt bijgestaan. Wanneer eenzelfde advocaat in eenzelfde gerechtelijke band verscheidene partijen bijstaat, wordt de rechtsplegingsvergoeding onder hen verdeeld.
  19. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat er eenzelfde gerechtelijke band bestaat tussen de eiser en de verweerster 2 en tussen de eiser en de verweerster 3, verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  20. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 48 Handvest Grondrechten EU, artikel 149 Grondwet en artikel 1022, derde lid, Gerechtelijk Wetboek: het arrest II veroordeelt de eiser om aan de verweersters 2 en 3 een hogere rechtsplegingsvergoeding te betalen dan het basisbedrag, terwijl het niet motiveert waarom wordt afgeweken van het basisbedrag.
  21. Artikel 48 Handvest Grondrechten EU is vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
  22. Het arrest II veroordeelt de eiser tot betaling aan de verweersters 2 en 3 van een rechtsplegingsvergoeding van respectievelijk 7.500,00 euro en 3.750,00 euro. Deze bedragen zijn rekening houdend met de schadeloosstelling waartoe de eiser wordt veroordeeld aan de verweersters 2 en 3 van respectievelijk 175.000,00 euro en 50.000,00 euro, de in artikel 2 KB Tarief Rechtsplegingsvergoeding bepaalde basisbedragen zoals van toepassing op de datum van het arrest. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de eiser wordt veroordeeld tot hogere bedragen dan de basisbedragen, mist het feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
  23. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 166,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 6 februari 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240206.2N.8 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230606.2N.4 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230613.2N.22 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.