id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 3
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 3
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 3 - 5 Uit artikel 3 EVRM volgt evenwel niet dat de rechter die moet oordelen over het al dan niet bewezen zijn van het gebruik van niet-gerechtvaardigd geweld door politieambtenaren, ertoe gehouden is de verklaringen van een slachtoffer zonder meer als juist aan te nemen, of het slachtoffer dat zich burgerlijke partij heeft gesteld in de strafprocedure tegen die politieambtenaren geen bewijslast draagt; uit deze bepaling volgt ook niet dat op de politieambtenaren die met het slachtoffer bij zijn confrontatie met de politie of tijdens zijn vrijheidsberoving in contact kwamen, de verplichting rust een overtuigende verklaring te geven voor de daarbij door het slachtoffer opgelopen verwondingen en meer in het algemeen, de vervolgde politieambtenaren de onjuistheid zouden moeten bewijzen van de verklaringen van het slachtoffer, of met andere woorden hun onschuld zouden moeten bewijzen; anders oordelen zou een miskenning inhouden van het vermoeden van onschuld, zoals gewaarborgd door artikel 6.2 EVRM, waarvan ook politieambtenaren die worden vervolgd wegens niet-gerechtvaardigd politiegeweld genieten
(1).
(1)Cass. 1 maart 2022, AR P.21.1303.N, AC 2022, nr. 156, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220301.2N.10; Cass. 10 april 2018, AR P.17.1135.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180410.2, AC 2018, nr. 219; Cass. 13 maart 2018, AR P.17.0841.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180313.4, AC 2018, nr. 178; Cass. 24 maart 2015, AR P.14.1298.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150324.3, AC 2015, nr. 217, RABG 2015, 987 noot V. VEREECKE, RW 2016-17, 738 noot S. DEWULF. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 3
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 3
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 3
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiche 6 Samenvatting(en) nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 3
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr.
P.23.1693.N N. O., burgerlijke partij, eiser, met als raadsman mr. Aurélie-Anne De Vos, advocaat bij de balie Brussel, tegen
- J. P. G. M., beklaagde,
- D. S. F. M., beklaagde,
- D. V., beklaagde, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, 14 november
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Sectievoorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.3 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht: het arrest beantwoordt niet eisers verweer betreffende de door de eiser tijdens de vrijheidsberoving opgelopen verwondingen; er wordt geen melding gemaakt van de cruciale verklaringen van de politieagenten M.G., D.M., P.D. en A.S. over de afwezigheid van kwetsuren bij de eiser vóór zijn vrijheidsberoving.
- Artikel 6.3 EVRM is vreemd aan de aangevoerde grief.
- De verplichting van artikel 149 Grondwet elk vonnis met redenen te omkleden houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving van een middel is aangevoerd, maar zelf geen afzonderlijk middel vormt.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt met opgave van redenen dat niet kan worden uitgesloten dat eisers verwondingen geheel of gedeeltelijk het gevolg zijn van het incident dat zich voorafgaandelijk heeft voorgedaan in de drankgelegenheid (p. 4-5, randnr. 3) en dat een tijdslijn van de feiten evenmin duidelijkheid geeft over het tijdstip waarop de verwondingen zouden zijn ontstaan (p. 6, randnr. 5). Aldus beantwoordt en verwerpt het arrest het door het middel bedoelde verweer, zonder dat het specifiek melding diende te maken van de door het middel bedoelde verklaringen, die louter werden aangevoerd ter staving van eisers verweer over het tijdstip waarop de verwondingen werden toegebracht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 3 EVRM en miskenning van het verbod op foltering en op een mensonterende en vernederende behandeling: het arrest neemt niet aan dat, indien een persoon tijdens zijn vrijheidsberoving kwetsuren heeft opgelopen, dit leidt tot sterke feitelijke vermoedens en in dat geval de bewijslast niet rust op het slachtoffer maar op de autoriteiten, die een duidelijke en overtuigende verklaring moeten verstrekken die doet twijfelen aan de versie van het slachtoffer.
- Uit artikel 3 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt dat indien een persoon op geloofwaardige wijze aanvoert dat hij het slachtoffer werd van geweld bij een confrontatie met de politie of tijdens een vrijheidsberoving, er een sterk feitelijk vermoeden bestaat dat de politionele autoriteiten daarvoor verantwoordelijk zijn en dat het aan de Staat toekomt om daarvoor een overtuigende verklaring te geven. Indien zij daarin niet slaagt, staat een verdragsrechtelijke schending door de Staat vast.
- Uit deze bepaling volgt evenwel niet dat: - de rechter die moet oordelen over het al dan niet bewezen zijn van het gebruik van niet-gerechtvaardigd geweld door politieambtenaren, ertoe gehouden is de verklaringen van een slachtoffer zonder meer als juist aan te nemen; - het slachtoffer dat zich burgerlijke partij heeft gesteld in de strafprocedure tegen die politieambtenaren geen bewijslast draagt; - op de politieambtenaren die met het slachtoffer bij zijn confrontatie met de politie of tijdens zijn vrijheidsberoving in contact kwamen, de verplichting rust een overtuigende verklaring te geven voor de daarbij door het slachtoffer opgelopen verwondingen; - meer in het algemeen, de vervolgde politieambtenaren de onjuistheid zouden moeten bewijzen van de verklaringen van het slachtoffer, of met andere woorden hun onschuld zouden moeten bewijzen. Anders oordelen zou een miskenning inhouden van het vermoeden van onschuld, zoals gewaarborgd door artikel 6.2 EVRM, waarvan ook politieambtenaren die worden vervolgd wegens niet-gerechtvaardigd politiegeweld genieten.
- Het middel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 77,41 euro, waarvan 42,41 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 13 februari 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240213.2N.11 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150324.3 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180313.4 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180410.2 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220301.2N.10 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250422.2N.14 ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260414.2N.23 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div