← België

D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240213.2N.16 Rolnummer: P.24.0196.N Zaak: D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2024-02-26 Raadplegingen: 492 - laatst gezien 2026-06-15 06:25 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche 1 Het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld moet worden beoordeeld op het ogenblik van de handhaving van de voorlopige hechtenis; die ernstige schuldaanwijzingen kunnen evenwel identiek zijn aan deze die reeds in een eerdere fase van de voorlopige hechtenis werden vastgesteld en nog steeds actueel zijn in een latere fase van de voorlopige hechtenis. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Fiches 2 - 4 Uit de loutere omstandigheid dat een beslissing tot handhaving van de voorlopige hechtenis gesteund is op grotendeels identieke redenen als deze van een eerdere handhavingsbeslissing, blijkt niet noodzakelijk dat die beslissing niet werd genomen op grond van een nauwkeurig, geactualiseerd en geïndividualiseerd onderzoek van de feitelijke gegevens van de zaak; de onderzoeksgerechten die de voorlopige hechtenis handhaven, mogen immers de in een of meerdere vorige beslissingen vermelde redenen hernemen, wanneer ze vaststellen dat die redenen nog steeds bestaan op het ogenblik dat ze oordelen en voor zover ze daardoor geen blijk geven van enig automatisme dat onverenigbaar is met het evolutief karakter van de voorlopige hechtenis en de noodzakelijke individualisering. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING ONDERZOEKSGERECHTEN REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Tekst van de beslissing Nr. P.24.0196.N S. D. C., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Frédéric Thiebaut, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 1 februari

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  2. Het middel voert schending aan van de artikelen 16, § 1, eerste lid, en § 5, eerste en tweede lid, 22, zesde en zevende lid, en 30, § 1 en § 4, Voorlopige Hechteniswet: het arrest motiveert de noodzaak tot verlenging van de voorlopige hechtenis, ingevolge de overname van de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie, op een identieke wijze als in het eerdere arrest van 28 november 2023, dat eveneens de in identieke bewoordingen gestelde vordering van het openbaar ministerie had overgenomen, waaraan thans louter wordt toegevoegd dat nog een andere verdachte werd uitgeleverd en dat het dossier voor verwijzing werd vastgesteld voor de raadkamer; de redenen betreffende de ernstige aanwijzingen van schuld, zijnde deze van de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie, waarin ook wordt verwezen naar de redenen van het bevel tot aanhouding en de beroepen beschikking, zijn dan ook identiek in de beide arresten, die in identieke bewoordingen besluiten tot de handhaving van de voorlopige hechtenis; aldus blijkt niet dat de voorlopige hechtenis van de eiser, die thans reeds meer dan zeven maanden duurt, werd beoordeeld in het licht van de feitelijke omstandigheden van de zaak en die welke eigen zijn aan de eiser; er is dan ook geen sprake van een nauwkeurig, geactualiseerd en geïndividualiseerd onderzoek van de feitelijke gegevens van de zaak; aldus getuigt het arrest van een automatisme, waardoor de handhavingsbeschikking niet naar recht verantwoord is.
  3. Krachtens de artikelen 16, § 1, eerste lid, § 5, eerste en tweede lid, 22, zesde en zevende lid, en 30, § 1, en § 4, Voorlopige Hechteniswet dient de rechter die de voorlopige hechtenis handhaaft het bestaan vast te stellen van ernstige aanwijzingen van schuld ten aanzien van de inverdenkinggestelde. Hij moet ook de feitelijke omstandigheden van de zaak vermelden en die welke eigen zijn aan de persoonlijkheid van de inverdenkinggestelde, zodat blijkt dat de handhaving van de voorlopige hechtenis, op het tijdstip van de beslissing, volstrekt noodzakelijk is voor de openbare veiligheid. Daar de voorlopige hechtenis de uitzondering is en de redenen die haar rechtvaardigen mettertijd hun relevantie kunnen verliezen, kan de vraag of de handhaving van de voorlopige hechtenis volstrekt noodzakelijk is voor de openbare veiligheid dan ook enkel worden beoordeeld na een nauwkeurig, geactualiseerd en geïndividualiseerd onderzoek van de feitelijke gegevens van de zaak. De rechter mag bij de verlenging van de voorlopige hechtenis geen blijk geven van een automatisme en van stereotiepe overwegingen die in het licht van de voortgang van het onderzoek onverenigbaar zijn met het evolutief karakter van de voorlopige hechtenis.
  4. Het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld moet worden beoordeeld op het ogenblik van de handhaving van de voorlopige hechtenis. Die ernstige schuldaanwijzingen kunnen evenwel identiek zijn aan deze die reeds in een eerdere fase van de voorlopige hechtenis werden vastgesteld en nog steeds actueel zijn in een latere fase van de voorlopige hechtenis.
  5. Uit de loutere omstandigheid dat een beslissing tot handhaving van de voorlopige hechtenis gesteund is op grotendeels identieke redenen als deze van een eerdere handhavingsbeslissing, blijkt niet noodzakelijk dat die beslissing niet werd genomen op grond van een nauwkeurig, geactualiseerd en geïndividualiseerd onderzoek van de feitelijke gegevens van de zaak. De onderzoeksgerechten die de voorlopige hechtenis handhaven, mogen immers de in een of meerdere vorige beslissingen vermelde redenen hernemen, wanneer ze vaststellen dat die redenen nog steeds bestaan op het ogenblik dat ze oordelen en voor zover ze daardoor geen blijk geven van enig automatisme dat onverenigbaar is met het evolutief karakter van de voorlopige hechtenis en de noodzakelijke individualisering.
  6. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  7. Met de redenen die het bevat ingevolge de overname van de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie, kan het arrest naar recht oordelen dat er is voldaan aan de wettelijke vereisten voor de handhaving van eisers voorlopige hechtenis. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  8. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 127,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 13 februari 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240213.2N.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.