id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240213.2N.17 Rolnummer: P.24.0197.N Zaak: C. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2024-02-26 Raadplegingen: 463 - laatst gezien 2026-06-15 06:25 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 Het onderzoeksgerecht dat oordeelt dat niet kan worden ingegaan op een verzoek van de inverdenkinggestelde om hem onder voorwaarden in vrijheid te stellen noch op een in ondergeschikte orde geformuleerd verzoek om de voorlopige hechtenis te handhaven onder de modaliteit van het elektronisch toezicht, dient hiervoor niet noodzakelijk afzonderlijke redenen op te geven. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING ONDERZOEKSGERECHTEN REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Tekst van de beslissing Nr. P.24.0197.N S. C., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Renaat Landuyt, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8000 Brugge, Zwijnstraat 3, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 1 februari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste en tweede middel
- Het eerste middel voert schending aan van de artikelen 16, § 5, 22 en 23, 3°, Voorlopige Hechteniswet: door de redenen van de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie over te nemen en zich aldus te baseren op schuldaanwijzingen in een buitenlands strafonderzoek, verantwoorden de appelrechters de handhaving van eisers voorlopige hechtenis niet naar recht; het arrest kon de voorlopige hechtenis niet regelmatig handhaven op grond van een ander feit dan datgene waarvoor een bevel tot aanhouding werd verleend, namelijk de feiten die het voorwerp vormen van het Nederlands strafonderzoek; het arrest stelt dus andere feiten in de plaats van degene waarvoor de eiser werd aangehouden, en leidt hieruit ook het gevaar voor recidive af. Het tweede middel voert schending aan van de artikelen 5 en 6 EVRM: door zich te baseren op het Nederlandse strafonderzoek, handhaven de appelrechters eisers voorlopige hechtenis op grond van een buitenlands strafdossier, waaromtrent de eiser zich niet kon verdedigen.
- De appelrechters leiden de volstrekte noodzakelijkheid voor de openbare veiligheid en het bestaan van onder meer vluchtgevaar niet af uit gegevens van het Nederlandse strafonderzoek, terwijl zij die laatste gegevens evenmin betrekken bij de vaststelling van het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld aan de feiten, voorwerp van de telastleggingen waarop het bevel tot aanhouding betrekking heeft. De omstandigheid dat het arrest ook verwijst naar bepaalde gegevens uit een Nederlands strafonderzoek, doet hieraan geen afbreuk. De middelen berusten bijgevolg op een onjuiste lezing van het arrest en missen feitelijke grondslag. Derde middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 23, 4°, en 30, § 3, Voorlopige Hechteniswet: door louter te oordelen dat de in eisers conclusie voorgestelde voorwaarden en modaliteit van het elektronisch toezicht onvoldoende garanties bieden voor de openbare veiligheid, het recidive- collusie- en onttrekkingsgevaar onvoldoende neutraliseren en eisers argumenten over zijn vaste verblijfplaats in Nederland en het Belgische adres waar hij zou kunnen verblijven dit besluit niet ontkrachten, beantwoordt het arrest niet eisers conclusie in dit verband en is het arrest niet regelmatig met redenen omkleed.
- Met de in het middel aangehaalde redenen beantwoordt en verwerpt het arrest eisers conclusie waarin hij had verzocht om hem onder voorwaarden in vrijheid te stellen of, ondergeschikt, om de hechtenis onder de modaliteit van het elektronisch toezicht te bevelen. Het middel mist feitelijke grondslag. Vierde middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 16, § 1 en § 5, 21, § 4, 22, voorlaatste en laatste alinea, 23, 4°, en 35, § 2, Voorlopige Hechteniswet: door geen onderscheid te maken tussen een invrijheidstelling onder voorwaarden en de handhaving van de voorlopige hechtenis onder de modaliteit van het elektronisch toezicht en beide op grond van dezelfde redenen af te wijzen, verantwoorden de appelrechters de beslissing tot handhaving van eisers voorlopige hechtenis niet naar recht en omkleden zij die beslissing niet regelmatig met redenen.
- Het onderzoeksgerecht dat oordeelt dat niet kan worden ingegaan op een verzoek van de inverdenkinggestelde om hem onder voorwaarden in vrijheid te stellen noch op een in ondergeschikte orde geformuleerd verzoek om de voorlopige hechtenis te handhaven onder de modaliteit van het elektronisch toezicht, dient hiervoor niet noodzakelijk afzonderlijke redenen op te geven. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Met de in het middel aangehaalde redenen verantwoorden de appelrechters naar recht waarom zowel eisers verzoek om hem onder voorwaarden in vrijheid te stellen als zijn verzoek om de voorlopige hechtenis te handhaven onder de modaliteit van het elektronisch toezicht, moet worden verworpen, en omkleden zij hun beslissing in dit verband regelmatig met redenen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 137,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 13 februari 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240213.2N.17 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div