id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 505
, eerste lid, 4° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiche 2 De rechter kan het feit dat de aard, oorsprong of vindplaats van in artikel 42, 3°, Strafwetboek bedoelde zaken is verheeld of verhuld, zoals vereist door artikel 505, eerste lid, 4°, Strafwetboek, afleiden uit alle hem regelmatig voorgelegde gegevens waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren en die gegevens moeten niet worden vermeld in enige telastlegging; geen enkele bepaling belet de rechter het feit dat de aard, oorsprong of vindplaats van in artikel 42, 3°, Strafwetboek bedoelde zaken is verheeld of verhuld, af te leiden uit voorbeelden geput uit de handelwijze van de beklaagde met betrekking tot enkel bepaalde vermogensvoordelen. Thesaurus CAS: HELING Wettelijke bepalingen:
Art. 42
, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 505, eerste lid, 4° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr.
P.23.1578.N
- B. P., beklaagde,
- B. P., gedaagde tot hervatting van het geding,
- E. P., gedaagde tot hervatting van het geding, eisers, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen
- M. H., burgerlijke partij,
- D. N., burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 3 oktober
- De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eisers doen afstand zonder berusting van hun cassatieberoep in zoverre het gericht is tegen de niet-definitieve beslissingen op burgerrechtelijk gebied. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 42, 1° en 3° en 505 Strafwetboek: het arrest verklaart de eiser 1 schuldig aan de telastlegging D (witwassen); het stelt vast dat de eiser 1 de witgewassen vermogensvoordelen heeft verkregen uit de misdrijven omschreven onder de telastleggingen A (afpersing), B (diefstal) en C (misbruik van vertrouwen); het stelt echter niet vast dat de wijze waarop deze gelden werden verkregen, beantwoordt aan de elementen van deze misdrijven; de loutere vaststelling dat het niet aannemelijk is dat de verweerder 1 de betrokken vermogensvoordelen zomaar gratuit zou hebben overgemaakt aan de eiser 1, dat de eiser 1 misbruik heeft gemaakt van de verweerder 1 en dat de eiser 1 als enige toegang had tot verweerder 1, staat niet gelijk met de vaststelling dat deze vermogensvoordelen voortkomen uit de telastleggingen A, B of C.
- De schuldigverklaring aan een witwasmisdrijf bepaald in artikel 505, eerste lid, 4°, Strafwetboek, vereist dat de wederrechtelijke herkomst of oorsprong van de in artikel 42, 3°, Strafwetboek bedoelde zaken bewezen is. Het is niet vereist dat de rechter het precieze misdrijf kent waaruit die zaken voortkomen, op voorwaarde dat hij op grond van feitelijke gegevens elke regelmatige herkomst of oorsprong daarvan kan uitsluiten. Aldus dient de rechter zich, voor de schuldigverklaring van een beklaagde aan een dergelijk witwasmisdrijf, in beginsel niet te beperken tot vermogensvoordelen die voortkomen uit welbepaalde misdrijven. Wanneer de telastlegging echter vermeldt dat het witgewassen vermogensvoordeel voortkomt uit een bepaald misdrijf, dan heeft de rechter enkel te oordelen over het witwasmisdrijf in zoverre dit het vermogensvoordeel tot voorwerp heeft dat voortkomt uit dat misdrijf. Dit impliceert weliswaar dat de rechter, op gevaar zijn saisine te overschrijden, een beklaagde niet schuldig kan verklaren aan het witwassen van goederen die voortkomen uit een ander misdrijf, maar niet dat de rechter een beklaagde slechts schuldig kan verklaren aan het witwasmisdrijf indien hij een voorlopig als misdrijf omschreven feit waarvoor de beklaagde niet is vervolgd, in al zijn constitutieve bestanddelen bewezen verklaart. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Onder de telastlegging D is de eiser vervolgd voor het in artikel 505, eerste lid, 4°, Strafwetboek bedoelde witwasmisdrijf, met de volgende toelichting: “De gelden die [de aanvankelijke medebeklaagde] en [de eiser 1] ontvangen uit de feiten vermeld onder de tenlasteleggingen A, B en C, worden onder meer gebruikt om effectenportefeuilles en onroerende goederen aan te kopen, onder andere: - appartement […], voor een totaalbedrag van 430.000 euro onder meer gefinancierd door gelden afkomstig uit schenkingen vermeld onder tenlastelegging A. De terugbetaling van het woonkrediet van maandelijks 847,20 euro evenals het woonkrediet wordt in de periode van december 2007 en oktober 2009 afbetaald met gelden afkomstig van [de verweerder 1]. ([…]). Tevens worden deze gelden via cashstortingen en overschrijvingen op verschillende bankrekeningen op naam van de beklaagden geplaatst. De gelden zijn niet afkomstig uit een legale bron van inkomsten. Op deze wijze wordt de aard, de vindplaats, vervreemding en de eigendom van de illegale vermogensvoordelen verhuld.”
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat het onderzoeksgerecht de eiser 1 en de aanvankelijke medebeklaagde buiten vervolging heeft gesteld voor de feiten van de aanvankelijke telastleggingen A, B en C, alsdan voorlopig omschreven als de respectieve misdrijven van afpersing, diefstal en misbruik van vertrouwen, omdat voor die aldus omschreven feiten de verjaring van de strafvordering was ingetreden. Bijgevolg waren die feiten niet aanhangig bij het vonnisgerecht.
- In die situatie konden de appelrechters, op grond van feitelijke omstandigheden waaruit niet moet blijken dat voldaan is aan de constitutieve bestanddelen van de vermelde telastleggingen, oordelen dat de fondsen die zij aanwijzen en die overeenstemmen met bepaalde feitelijke gegevens vermeld onder de aanvankelijke telastleggingen A, B en C, geen regelmatige herkomst of oorsprong konden hebben en aldus het voorwerp van de telastlegging D konden uitmaken.
- Het arrest (p. 10-17) leidt het oordeel dat de fondsen geen regelmatige herkomst of oorsprong konden hebben af uit de omstandigheden dat de eiser 1 zich door middel van onrechtmatige schenkingen en overschrijvingen gelden en tegoeden door de verweerder 1 heeft laten overmaken, terwijl de verweerder 1 dat niet zomaar gratuit zou hebben gedaan, hij ingevolge mentale beperkingen de draagwijdte van de hem voorgelegde documenten en opgedragen verrichtingen niet kon beseffen en hij de eiser 1 en diens ouders juist in vertrouwen had genomen om in te staan voor het beheer van zijn vermogen, waartoe hijzelf niet in staat was. Op grond van die vaststellingen kan het arrest wettig tot het vermelde oordeel komen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 42, 1° en 3° en 505 Strafwetboek: de appelrechters kunnen uit hun vaststellingen niet wettig afleiden dat de eiser 1 zich schuldig heeft gemaakt aan het verhelen of het verhullen van de aard, oorsprong of vindplaats van de betrokken vermogensvoordelen; meer bepaald kan dat niet besloten worden uit het feit dat de eiser 1 over zestien bankrekeningen en drie effectendossiers kon beschikken, terwijl de twee verrichtingen ten bedrage van in totaal 124.700,00 euro, waaromtrent de handelingen van de eiser 1 “exemplarisch” worden genoemd, hieraan niets veranderen aangezien deze bedragen niet worden vermeld in de telastleggingen A, B of C en er bovendien uit de vaststellingen van de appelrechters niet kan worden afgeleid dat deze handelwijze werd gevolgd voor alle vermogensvoordelen.
- De rechter kan het feit dat de aard, oorsprong of vindplaats van in artikel 42, 3°, Strafwetboek bedoelde zaken is verheeld of verhuld, zoals vereist door artikel 505, eerste lid, 4°, Strafwetboek, afleiden uit alle hem regelmatig voorgelegde gegevens waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren. Die gegevens moeten niet worden vermeld in enige telastlegging.
- Geen enkele bepaling belet de rechter het feit dat de aard, oorsprong of vindplaats van in artikel 42, 3°, Strafwetboek bedoelde zaken is verheeld of verhuld, af te leiden uit voorbeelden geput uit de handelwijze van de beklaagde met betrekking tot enkel bepaalde vermogensvoordelen.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Uit de vaststellingen die het vermeldt en die het onderdeel aanhaalt, kan het arrest (p. 16-17) wettig afleiden dat de eiser 1 de aard, oorsprong of vindplaats van de witgewassen vermogensvoordelen heeft verheeld of verhuld. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek en de artikelen 42, 1° en 3° en 505 Strafwetboek: het arrest verklaart de eiser 1 schuldig aan witwassen en oordeelt in het bijzonder dat de eiser 1 zich uit het persoonlijk vermogen van de verweerder 1 onrechtmatig waardepapieren, 200.000,00 euro en de opbrengst van coupons en effecten voor 580.841,30 euro heeft toegeëigend; het arrest steunt de beslissing over de verbeurdverklaring uitdrukkelijk op de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie, die verwijst naar de gedetailleerde berekening van het bedrag 580.841,30 euro in het synthese-proces-verbaal nr. 001843/18 van 5 april 2018; het synthese-proces-verbaal kan niet anders worden gelezen dan dat het bedrag van 200.000,00 euro begrepen is in de som van 580.841,30 euro; het arrest dat anders oordeelt, miskent de bewijskracht van het synthese-proces-verbaal en verantwoordt de beslissing dat eiser 1 schuldig is aan het witwassen van zowel het vermogensvoordeel van 200.000,00 euro als het vermogensvoordeel van 580.841,30 euro niet naar recht.
- Het arrest (p. 18-19) vermeldt enkel dat “Gelet op de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie (vordering tot verbeurdverklaring vermogensvoordeel kaft II, stuk 95 strafdossier) de bijzondere verbeurdverklaring [wordt] bevolen van de door [de eiser 1] wederrechtelijk gerealiseerde vermogensvoordelen met toepassing van de artikelen 42, 3°, 43bis en 505, eerste lid, 4° Strafwetboek, dit is: (…)”. Daaruit blijkt niet dat het arrest voor de berekening van het door de eiser 1 witgewassen vermogensvoordeel verwijst naar de vordering tot verbeurdverklaring van het openbaar ministerie of naar het proces-verbaal waarop die vordering steunt. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag.
- De aangevoerde schending van de artikelen 42, 1° en 3° en 505 Strafwetboek is afgeleid uit die onjuiste lezing. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Tweede middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 42, 1° en 3°, 43bis en 505 Strafwetboek: het arrest beveelt lastens de eiser 1 de verbeurdverklaring van een bedrag van 880.841,30 euro op grond van de artikelen 42, 3° en 43bis Strafwetboek en derhalve als vermogensvoordeel uit het witwassen; het witgewassen vermogensvoordeel maakt het voorwerp uit van het misdrijf witwassen in de zin van artikel 42, 1°, Strafwetboek; een goed dat door een witwasoperatie is verkregen, is niet het voorwerp van een witwasmisdrijf maar wel een vermogensvoordeel dat voortkomt uit dat misdrijf, zoals bedoeld in artikel 42, 3°, Strafwetboek; een verbeurdverklaring van het uit het witwasmisdrijf verkregen vermogensvoordeel is enkel mogelijk op grond van de artikelen 42, 3° en 43bis Strafwetboek; uit de vaststellingen van de appelrechters blijkt dat de vermogensvoordelen die door de eiser 1 werden verhuld een vermogensvoordeel uit het basismisdrijf uitmaken, maar niet uit het navolgende witwassen.
- Wanneer het witwasmisdrijf bestaat in het verhelen of verhullen van de aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing of eigendom van illegale vermogensvoordelen, zoals bedoeld in artikel 505, eerste lid, 4°, Strafwetboek, en dat verhelen of verhullen gebeurt door het omzetten van illegale vermogensvoordelen in andere goederen, dan zijn de goederen die door deze omzetting zijn verkregen niet het voorwerp van het misdrijf witwassen, maar wel een vermogensvoordeel dat voortkomt uit dat misdrijf als bedoeld in artikel 42, 3°, Strafwetboek. Uit de bewoordingen van de bewezenverklaarde telastlegging D en de redenen die het arrest (nr. 2.4, p. 16, laatste alinea – 17) vermeldt, blijkt dat de appelrechters in die zin oordelen. Aldus verantwoorden zij, zonder nog te zijn gehouden tot verdere vaststellingen, de beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek en artikel 505 Strafwetboek: het arrest beveelt lastens de eiser 1 de verbeurdverklaring van een bedrag van 880.841,30 euro; dit is de optelsom van een handgift van 200.000,00 euro, 580.841,30 euro als de opbrengst van de verkoop van waardepapieren en 100.000,00 euro als waarde van een staatsbon; het arrest verwijst voor de beslissing over de verbeurdverklaring uitdrukkelijk naar de vordering tot verbeurdverklaring van het openbaar ministerie; in die vordering wordt, met verwijzing naar de gedetailleerde berekening van het vermogensvoordeel in het synthese-proces-verbaal nr. 001843/18 van 5 april 2018, de verbeurdverklaring gevorderd van een minimumbedrag van 765.130,40 euro; het synthese-proces-verbaal kan niet anders worden gelezen dan dat het bedrag van 200.000,00 euro begrepen is in de som van 765.130,40 euro; het arrest dat anders oordeelt, miskent de bewijskracht van het synthese-proces-verbaal en verantwoordt de beslissing tot verbeurdverklaring lastens de eiser 1 van een bedrag van 880.841,30 euro niet naar recht.
- Zoals vermeld in het antwoord op het eerste middel, derde onderdeel, blijkt uit het arrest niet dat het voor de berekening van het door de eiser 1 witgewassen vermogensvoordeel verwijst naar de vordering tot verbeurdverklaring van het openbaar ministerie of naar het proces-verbaal waarop die vordering steunt. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
- De aangevoerde schending van artikel 505 Strafwetboek is afgeleid uit die onjuiste lezing. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verleent akte van de afstand. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten op 120,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 20 februari 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240220.2N.12 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241231.2N.21 precedenten: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190205.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div