← België

W. contra B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240220.2N.13 Rolnummer: P.23.1645.N Zaak: W. contra B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2024-02-26 Raadplegingen: 448 - laatst gezien 2026-06-15 06:25 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Op grond van de bepalingen van artikel 9, § 1, Interneringswet, kan de rechter rekening houden met toekomstige gebeurtenissen die, in het licht van de concrete omstandigheden die hij vaststelt, het risico opleveren dat de betrokkene zal hervallen in het plegen van de feiten en dit is niet in tegenspraak met het vereiste dat de rechter de geestesstoornis dient te beoordelen op het ogenblik van zijn beslissing. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 9, § 1 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 9, § 1 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Tekst van de beslissing Nr. P.23.1645.N D. D. W., inverdenkinggestelde, eiser, met als raadsman mr. Alain Coulier, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, tegen

  1. J. B.,
  2. D. B.,
  3. P. B., burgerlijke partijen, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 26 oktober
  4. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  5. Het arrest verklaart de feiten van de telastlegging C niet bewezen ten aanzien van de verweerders 2 en 3, ontslaat de eiser van alle rechtsvervolging voor die feiten en verklaart de burgerlijke rechtsvorderingen van de verweerders 2 en 3, in zoverre gesteund op die feiten, niet gegrond. In zoverre gericht tegen die beslissingen, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel Eerste onderdeel
  6. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 9 Interneringswet, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter: de appelrechters oordelen dat aan de wettelijke voorwaarden voor de internering van de eiser is voldaan niettegenstaande het andersluidende besluit van de forensisch psychiatrisch deskundige; meer bepaald stellen de appelrechters vast dat de eiser lijdt aan een geestesstoornis die behandelbaar is en dat de toestand van de eiser gunstig is geëvolueerd, maar dat louter hypothetisch de kans op een terugval aanwezig blijft; deze vaststellingen laten echter niet toe te besluiten dat, anders dan de forensisch psychiatrisch deskundige oordeelde, het oordeelsvermogen van de eiser en de controle over zijn daden op het ogenblik van de beslissing is tenietgedaan of ernstig is aangetast.
  7. De uit artikel 149 Grondwet afgeleide motiveringsplicht van de rechter is vreemd aan een grief die betrekking heeft op de wettigheid van de beslissing. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  8. Het arrest (p. 41-42) stelt vast dat volgens het aanvullend verslag van gerechtsdeskundige psychiater L. van 23 november 2022 de geestesstoornis van de eiser, vanuit psychiatrisch oogpunt, diens oordeelsvermogen en de controle over zijn daden thans niet meer tenietdoet of ernstig aantast omdat de eiser sinds 17 mei 2022 een psychiatrische behandeling volgt. Het oordeelt vervolgens dat die vaststelling in de onder het tweede onderdeel vermelde omstandigheden nauw verbonden is met eisers toekomstige therapietrouw, die zonder internering niet kan worden gegarandeerd en zonder dewelke de kans op een terugval groot is. Aldus oordeelt het arrest niet dat de kans op een terugval van de eiser louter hypothetisch is. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag.
  9. Voor het overige komt het onderdeel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  10. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 9 Interneringswet, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter: de appelrechters plaatsen zich bij de beoordeling of de eiser lijdt aan een geestesstoornis die zijn oordeelsvorming of de controle over zijn daden teniet doet of ernstig aantast niet op het ogenblik van die beslissing, maar beperken zich tot een algemene verwijzing naar een mogelijke, hypothetische of toekomstige kans op een terugval of naar het belang van therapietrouw bij de vastgestelde geestesstoornis, zonder in concreto en naar de eiser toe te motiveren waarom volgens hen te vrezen valt voor een dergelijke terugval of een gebrek aan therapietrouw; dit getuigt niet van een nauwkeurig en geïndividualiseerd onderzoek van de feitelijke gegevens van de zaak.
  11. Artikel 9, § 1, Interneringswet bepaalt dat de onderzoeksgerechten in bepaalde gevallen en de vonnisgerechten de internering kunnen bevelen van een persoon (1°) die een misdaad of wanbedrijf heeft gepleegd die de fysieke of psychische integriteit van derden aantast of bedreigt, (2°) die op het ogenblik van de beslissing aan een geestesstoornis lijdt die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden tenietdoet of ernstig aantast en (3°) bij wie het gevaar bestaat dat hij als gevolg van zijn geestesstoornis, eventueel in samenhang met andere risicofactoren, opnieuw feiten zoals bedoeld in 1° zal plegen.
  12. Op grond van die bepalingen kan de rechter rekening houden met toekomstige gebeurtenissen die, in het licht van de concrete omstandigheden die hij vaststelt, het risico opleveren dat de betrokkene zal hervallen in het plegen van hier bedoelde feiten. Dit is niet in tegenspraak met het vereiste dat de rechter de geestesstoornis dient te beoordelen op het ogenblik van zijn beslissing. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  13. Het arrest oordeelt met redenen overgenomen van de vordering van het openbaar ministerie en met eigen redenen dat de eiser de feiten van de telastleggingen A (opzettelijke slagen partner), B (belaging) en C (mondelinge bedreigingen) heeft gepleegd, alsook in essentie dat: - de eiser de feiten heeft geminimaliseerd, genuanceerd of zich daarover ontkennend heeft opgesteld tijdens verhoren en deskundigenonderzoeken; - de eiser, na zijn voorwaardelijke invrijheidstelling door de onderzoeksrechter, de voorwaarde van een contactverbod met de verweerster 1 heeft miskend; - er volgens de gerechtsdeskundigen psycholoog N. en psychiater L. sprake is van een ernstige psychiatrische problematiek, waarbij de eiser blijk geeft van een bipolaire stoornis, een psychotische problematiek met paranoïde denken, een verstoord redeneer- en oordeelsvermogen, een gebrekkige realiteitszin en een ontbrekend ziektebesef en ziekte-inzicht, met een hoog risico op herval; - er volgens het verslag van gerechtsdeskundige psychiater L. van 23 november 2022 nog steeds een preoccupatie is met de ex-partner; - de beperking van het gevaar door therapietrouw afhankelijk is van de wil van de eiser en het gevaar aanzienlijk zal toenemen zodra de eiser niet langer bereid is zijn therapie te volgen en hij de ambulante opvolging niet langer toelaat; - het relatieve evenwicht van de geestestoestand van de eiser, zoals beschreven in het aanvullend verslag van gerechtsdeskundige psychiater L. van 23 november 2022, precair is en er geen sprake is van volledige en definitieve genezing, maar van een geestestoestand die zal blijven bestaan; - de eiser voldoet aan de in artikel 9, § 1, Interneringswet bepaalde voorwaarden, waaraan het aanvullend verslag van psychiater L. van 23 november 2022 niets afdoet omdat de gunstige evolutie in eisers toestand en het voorkomen van herval, gelet op de aard van eisers geestesstoornis, afhangt van het volhouden van de gespecialiseerde zorg die hij nodig heeft en van zijn therapietrouw, waarop thans geen garantie bestaat en die zo nodig moet kunnen worden afgedwongen in het kader van een internering. Aldus motiveert het arrest wel degelijk waarom te vrezen is voor een gebrek aan therapietrouw en voor een herval van de eiser in zijn vroeger gedrag en verantwoordt het de beslissing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
  14. Het onderdeel voert schending aan van artikel 5.1.e EVRM en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter: de appelrechters stellen vast dat de eiser lijdt aan een duurzame geestesstoornis, maar zij stellen bijkomend niet vast dat de eiser op het ogenblik van de beslissing lijdt aan een geestesstoornis die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden tenietdoet of ernstig aantast; bijgevolg stellen de appelrechters niet vast dat de eiser lijdt aan een geestesstoornis die voldoende ernstig is om een interneringsmaatregel te verantwoorden; nochtans volgt uit artikel 5.1.e EVRM en de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat bijkomend dient te worden vastgesteld dat de betrokkene lijdt aan een stoornis waarvan de aard of ernst de interneringsmaatregel rechtvaardigt.
  15. Met de redenen vermeld onder het eerste middel, tweede onderdeel, doet het arrest wel degelijk de in dit onderdeel vermelde vaststellingen en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  16. Het onderdeel voert schending aan van artikel 5.1.e EVRM en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter: het arrest beantwoordt niet eisers verweer dat minder verregaande beschermingsmaatregelen dan een internering kunnen volstaan ter bescherming van het individueel of publiek belang.
  17. Uit de redenen vermeld onder het eerste middel, tweede onderdeel, en de uitleg die het arrest (p. 41 in fine) geeft over het concrete nut van de interneringsmaatregel blijkt waarom minder verregaande beschermingsmaatregelen dan een internering van de eiser niet volstaan ter bescherming van het individuele of het publieke belang. Aldus beantwoordt het arrest eisers verweer. Het onderdeel mist het feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
  18. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 209,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 20 februari 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240220.2N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.